Parketnummer: [parketnummer] Uitspraak: 17 maart 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], wonende in Curaçao, [adres]. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2025 (pro forma) en 17 maart 2025 (inhoudelijke behandeling). De verdachte is op de inhoudelijke behandeling verschenen, bijgestaan door haar raadsman, mr. E. Sulvaran, advocaat in Curaçao. De officier van justitie, mr. K. Hara, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 200 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 169 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uur. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 9 oktober 2024, te Curaçao, althans op de luchthaven HATO, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een (zwartkleurig) (vuist)vuurwapen en/of pistool (van het merk Glock 26) met de bijbehorende patroonhouder (inhoudende ongeveer 17 scherpe patronen), althans een soortgelijk voor bedreiging en/of afdreiging geschikt voorwerp, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad. Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Vrijspraak Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt. Voor het voorhanden hebben van een wapen is vereist dat een verdachte het wapen en/of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie (zie o.a. Hoge Raad 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504). Met de officier van justitie is het Gerecht het eens dat in de situatie dat een verdachte een (hand)tas bij zich draagt met daarin een vuurwapen in beginsel is voldaan aan het bewustzijnscriterium. Iemand wordt simpelweg geacht te weten wat in diens eigen tas zit. Verdachte heeft echter een alternatief scenario geschetst en het Gerecht komt tot de conclusie dat het alternatieve scenario niet onaannemelijk is. Het Gerecht legt dit als volgt uit. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte al gedurende enige tijd werkzaam was op het vliegveld Hato en iedere werkdag voorafgaand aan haar dienst dezelfde securityscan (met metaaldetectie) moest ondergaan. Tijdens een van deze routinecontroles – dus geen onverwachte controle – werd in de tas van verdachte een vuurwapen ontdekt. Verdachte heeft van begin af aan verklaard dat zij niet van dit vuurwapen afwist, maar dat haar partner het wapen in haar tas moet hebben gedaan. De partner van verdachte heeft vrijwel direct bekend dat het vuurwapen van hem is en dat hij het vuurwapen de bewuste ochtend buiten medeweten van verdachte in haar tas heeft opgeborgen. Hij heeft verklaard dat hij verdachte meerdere keren heeft gebeld toen hij zich realiseerde dat verdachte met de tas naar haar werk was gegaan, hetgeen overeenkomt met de bevindingen van de politie. Hoewel het één en ander op de verklaring van de partner van verdachte valt af te dingen, – de tas van verdachte lijkt immers geen logische plek om een vuurwapen in te verstoppen – zou dit wel verklaren waarom verdachte, wetende dat er een securityscan zou plaatsvinden, ‘gewoon’ haar tas heeft laten scannen. De andere mogelijkheid, dat verdachte wist dat een securityscan zou plaatsvinden én dat zij zich bewust was van het vuurwapen in haar tas en desondanks toch haar tas heeft laten scannen, acht het Gerecht onder de genoemde omstandigheden onlogisch en derhalve onaannemelijk. Dat verdachte op enig moment wel heeft geweten van de aanwezigheid van het vuurwapen in de tas, maar dat op de bewuste dag (bijvoorbeeld in de haast) was vergeten, past evenmin bij de bevindingen uit het dossier. Zowel verdachte als haar partner hebben verklaard dat verdachte elke dag dezelfde tas meenam naar werk en het tegendeel is niet uit het dossier gebleken. Ook werd het vuurwapen op een woensdagochtend ontdekt, terwijl verdachte verklaarde dat zij de dag ervoor nog een avonddienst had gedraaid, waarbij haar tas door een securitycheck moet zijn gegaan. Het voorgaande past bij de verklaring van de partner van verdachte dat het wapen kort voor de aanhouding in de tas is gestopt. Tot slot is het niet zo dat verdachte gelet op het gewicht en/of de vorm van het vuurwapen de aanwezigheid wel gemerkt moet hebben. Verdachte heeft verklaard dat zij voordat zij naar haar werk ging in haar tas had gekeken of haar pasjes en vest erin zaten. Zij verklaart dat die spullen bovenop lagen en zij niet verder in de tas heeft gekeken. Dat is niet onaannemelijk; uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 28 januari 2025 volgt dat in haar (ruime) tas talloze kleine voorwerpen zaten en haar partner heeft verklaard dat hij het vuurwapen in de tas had bedekt met het vest. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij voelde dat de tas zwaarder dan gebruikelijk aanvoelde en zij dat wel vreemd vond, maar niet verder heeft gekeken. Het is niet zo dat verdachte door geen nader onderzoek te doen daarom een meerdere of mindere mate van bewustheid moet hebben gehad (zie ook ECLI:NL:HR:2019:679 r.o. 2.4). Uit het dossier kan immers niet worden afgeleid dat verdachte wist dat haar partner een vuurwapen (in huis) had en dat maakt dat zij ook geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat in haar eigen tas ineens een vuurwapen zat. Het gewicht van het vuurwapen (met munitie) was weliswaar aanzienlijk, maar ook weer niet dusdanig dat het onaannemelijk is dat verdachte in de haast om op tijd te komen de tas niet nader heeft onderzocht (het vuurwapen inclusief munitie woog 805 gram, terwijl de totale tas inclusief vuurwapen, spullen, fles drinken en lunch tussen de 3 en 3,5 kilogram moet hebben gewogen). Al met al is het een merkwaardige zaak, maar het Gerecht concludeert dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken. BESLISSING Het Gerecht: verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door de rechter, mr. P.M. Leijten, bijgestaan door mr. P. Dingemanse, (zittingsgriffier), en op 17 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. In het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2024, opgemaakt door de verbalisanten B. Weijgers en I. Emerentia van de afdeling Hato Politie (digitale dossierpagina’s 43 – 44) is geverbaliseerd dat de politieambtenaar – na de ontdekking van het vuurwapen in de tas van de verdachte – zag dat de telefoon van de verdachte continue afging en dat op het scherm de naam “[bijnaam]” stond en dat de verdachte via Facebook Messenger werd gebeld. Ter terechtzitting van 17 maart 2025 heeft de partner van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte], verklaard dat hij een Facebook-account onder de naam “[bijnaam]” heeft. Proces-verbaalnummer 202501281100.PVB, opgemaakt door de verbalisant N.C. Toet (losse aanvullende digitale dossierpagina’s 3-4).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.