← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2025:248

Parketnummer: 500.00278/24 Uitspraak: 16 mei 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [1993] te [Land], thans alhier gedetineerd. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Dennaoui-Simon en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. U.F. Dickens, naar voren is gebracht. Tenlastelegging De verdachte wordt na wijzigingen tenlastegelegd: Feit 1 dat hij in of omstreeks de periode van 23 september 2024 t/m 28 september 2024 te Curaçao, [slachtoffer 1 ]en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar op 23 september 2024, opzettelijk genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:” dat hij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zal afmaken als hij hun samen vindt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking geuit en/of op 28 september 2024, opzettelijk dreigend een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [J.M] heeft gericht en/of een vuurwapen aan hen getoond; Feit 2 dat hij op of omstreeks 28 september 2024 te Curaçao door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(

  1. en)en/of door bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  2. en)[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(
  3. en)die (mede) bestond(
  4. en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende hij, verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of geduwd en/of gehouden, en welk geweld of die andere feitelijkhe(i)d(
  5. en)en/of welke bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(
  6. en)hierin heeft/hebben bestaan uit het richten van een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1], en/of het dwingen van die [slachtoffer 1] om hem, verdachte te volgen naar zijn woning, en/of die [slachtoffer 1] stevig aan haar keel/nek vastpakken en/of die [slachtoffer 1] met kracht uit de auto gehaald, en/of het (vervolgens) zeggen tegen die [slachtoffer 1] om naar zijn appartement te lopen, die [slachtoffer 1] onverhoeds met ontblote lichaam benaderd had en/of die [slachtoffer 1] onverhoeds (met kracht) op zijn bed geduwd, en/of het (vervolgens) onverhoeds op het lichaam van die [slachtoffer 1] gaan zitten, en/of die het (krachtig) vastpakken en/of vasthouden van de polsen van die [slachtoffer 1], en/of (daarbij) het vastklemmen van de benen van die [slachtoffer 1] tussen de benen van verdachte, en/of het onverhoeds trekken van de broek en/of hemd van die [slachtoffer 1] naar beneden, en/of het (meermalen) voorbij gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/ weerstand van die [slachtoffer 1], en/of het misbruik maken van het fysieke en/of feitelijke overwicht van hem, verdachte, en/of voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; Subsidiair dat hij op of omstreeks 28 september 2024 te Curaçao, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  7. en)en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  8. en)[slachtoffer 1]heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit - het onverhoeds duwen/ drukken van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1], waarbij het geweld en/of bedreiging met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(
  9. en)heeft hebben bestaan uit het richten van een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1], en/of het dwingen van die [slachtoffer 1] om hem, verdachte te volgen naar zijn woning, en/of die [slachtoffer 1] stevig aan haar nek/keel vastpakken en/of die [slachtoffer 1] met kracht uit de auto gehaald, en/of het (vervolgens) zeggen tegen die [slachtoffer 1] om naar zijn appartement te lopen, en/of die [slachtoffer 1] onverhoeds met ontblote lichaam benaderd had en/of die [slachtoffer 1] onverhoeds (met kracht) op zijn bed te duwen, en/of het (vervolgens) onverhoeds op het lichaam van die [slachtoffer 1] gaan zitten, en/of die het (krachtig) vastpakken en/of vasthouden van de polsen van die [slachtoffer 1], en/of (daarbij) het vastklemmen van de benen van die [slachtoffer 1] tussen de benen van verdachte, en/of het onverhoeds trekken van de broek en/of hemd van die [slachtoffer 1] naar beneden, en/of het (meermalen) voorbij gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/ weerstand van die [slachtoffer 1], en/of het misbruik maken van het fysieke en/of feitelijke overwicht van hem, verdachte, en/of voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Gerecht deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. De bewijsoverwegingen De verdachte wordt ten eerste verweten dat hij op 23 september 2024 [slachtoffer 1] (en/of haar nieuwe vriend [slachtoffer 2]) telefonisch heeft bedreigd en dat hij op 28 september 2024 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd door een vuurwapen op hen te richten. Ten tweede wordt de verdachte verweten dat hij op 28 september 2024 zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] heeft verkracht. Het Gerecht zal het slachtoffer hierna ook aanduiden als aangeefster of [slachtoffer 1]. Het Gerecht dient de vraag te beantwoorden of naast de bedreiging ook kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft verkracht. Zedenzaken worden in het algemeen gekenmerkt door het gegeven dat naast de verklaring van het slachtoffer en de (ontkennende) verklaring van de verdachte weinig of geen steunbewijs voorhanden is, omdat bij de betreffende handelingen doorgaans alleen de verdachte en het slachtoffer aanwezig waren. De bewijsminimumregel van artikel 385, derde lid, Sv houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige (waaronder het slachtoffer). In zedenzaken geldt echter wel dat een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met een geloofwaardige en betrouwbare aangifte ertoe kan leiden dat voldaan is aan het bewijsminimum. Niet vereist is dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring met bijkomend bewijs wordt ondersteund. Zo is in het geval van verkrachting niet vereist dat de dwang en/of feitelijkheden waarover het slachtoffer verklaart steun vinden in ander bewijsmateriaal. Wanneer de verklaring van het slachtoffer op bepaalde, andere punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal kan dat afdoende zijn, mits tussen die verklaring en dat andere bewijsmateriaal niet een te ver verwijderd verband bestaat. De eerste vraag die het Gerecht heeft te beantwoorden is aldus of en zo ja, in hoeverre de verklaringen van [slachtoffer 1] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, des te meer nu de verdachte ontkent daar en toen een wapen aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te hebben getoond en dat hij [slachtoffer 1] heeft verkracht. Daarnaast heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] gemotiveerd in twijfel getrokken. Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen is verklaard overeenkomt met of steun vindt in – zo te noemen – objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. De verklaringen van [slachtoffer 1] In deze zaak heeft [slachtoffer 1] diverse verklaringen afgelegd, bij de politie en bij de rechter-commissaris. De verklaringen van het slachtoffer zijn volgens de raadsman tegenstrijdig omdat het slachtoffer zegt dat zij is gedwongen om achter de verdachte aan te rijden, terwijl zij in haar eigen auto reed en er dus voor had kunnen kiezen niet achter de verdachte aan te rijden. Ook had zij de beschikking over haar telefoon en had zij dus gewoon de politie of iemand anders kunnen bellen en had zij bij aankomst bij de woning van de verdachte om hulp kunnen roepen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Ook heeft de raadsman inconsistenties geconstateerd in de verklaringen van [slachtoffer 1]. Zo heeft zij bij de rechter-commissaris verklaart dat zij op het bed zat en dat de verdachte voor haar stond, terwijl zij in haar eerste verklaring bij de politie heeft aangegeven dat hij haar met kracht op zijn bed heeft geduwd toen zij weg wilde gaan. Ook heeft zij in haar eerste verklaring aangegeven dat zij direct nadat de verdachte haar kleren had uitgetrokken, werd verkracht. Bij de rechter-commissaris heeft ze verklaard dat de verdachte nadat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden naar het toilet is gegaan en dat het daarna weer verder ging. De raadsman kan niet begrijpen dat het slachtoffer de mogelijkheid om te vertrekken niet heeft gepakt. Het wekt verder verbazing dat het slachtoffer tijdens de vermeende verkrachting op de verdachte heeft gelegen en dat zij daar heeft gedoucht. De raadsman stelt ten slotte vast dat de verklaringen van aangeefster niet op alle punten overeenkomen met hetgeen [slachtoffer 2] heeft verklaard. Zo heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij van aangeefsters heeft gehoord dat de verdachte in zijn woning een vuurwapen op het hoofd van aangeefster heeft gezet, terwijl aangeefster aangeeft dat zij dit nooit heeft gezegd. Het Gerecht overweegt dat een groot deel van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet zo zeer ziet op inconsistenties in de verklaringen van het slachtoffer, maar op verbazing of onbegrip bij de raadsman ten aanzien van de keuzes die het slachtoffer die nacht heeft gemaakt. Het Gerecht acht in dit verband van belang dat het slachtoffer heeft verklaard dat zij heeft gehandeld uit angst voor het wapen dat de verdachte eerder die nacht aan [slachtoffer 2] en haar heeft getoond. In dat licht bezien acht het Gerecht het handelen van het slachtoffer dan ook geenszins onbegrijpelijk of onverklaarbaar. Ten aanzien van de geconstateerde verschillen in de verklaringen van aangeefster en [slachtoffer 2] geldt dat moet worden vastgesteld dat onderdelen van de door hen afgelegde verklaringen onjuist zijn en dus niet bruikbaar voor het bewijs. Dit brengt echter niet mee dat daarom alle onderdelen van de afgelegde verklaringen en dus de desbetreffende verklaringen in hun geheel, wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden gesteld. In de kern zijn de verklaringen van het slachtoffer consistent waar het de feitelijkheden betreft die tot de gemeenschap hebben geleid. De aangifte van [slachtoffer 1] vindt zowel ten aanzien van de bedreiging als ten aanzien van de verkrachting steun in de verklaring van [slachtoffer 2]. Ten aanzien van de bedreiging geldt dat ook hij het wapen dat de verdachte heeft getoond zelf heeft gezien. Ten aanzien van de verkrachting geldt dat hij, toen hij later die avond door [slachtoffer 1] werd gebeld, hoorde dat zij kapot was. Aan die toen door hem geconstateerde hevige emoties bij het slachtoffer komt in dit verband grote bewijswaarde toe. Daar komt nog bij dat de verklaring van het slachtoffer ook steun vinden in de ter terechtzitting van het Gerecht afgelegde verklaring van de verdachte zelf. Daaruit volgt onder meer dat hij [slachtoffer 1] op 23 september 2024 heeft gebeld en dat hij op 28 september 2024 bij de auto van [slachtoffer 1] heeft geparkeerd. Voorts blijkt uit zijn verklaring dat hij daar tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij moest vertrekken en tegen [slachtoffer 1] dat zij mee moest komen naar zijn woning. Ook heeft het slachtoffer volgens de verdachte in zijn woning eerst nee gezegd toen hij haar zoende. Het Gerecht acht, alles afwegende, de verklaring van [slachtoffer 1]betrouwbaar. Deze verklaring vindt naar het oordeel van het Gerecht ook voldoende steun in ander bewijsmateriaal, waar het gaat om de voorgeschiedenis, in het bijzonder de bedreiging met het wapen, en wat er die nacht tussen [slachtoffer 1] en verdachte is voorgevallen. Uit haar verklaring leidt het Gerecht af dat de verdachte haar een wapen heeft getoond en dat zij zich daardoor gedwongen voelde achter de verdachte aan te rijden en zijn woning binnen te gaan. Daar heeft de verdachte haar belet om zijn woning te verlaten. Hij heeft haar op zijn bed geduwd. Hij heeft haar fysiek overmeesterd. Hij heeft haar verbale en non-verbale verzet genegeerd. De verdachte heeft het slachtoffer aldus in een zodanige, door hem opzettelijk veroorzaakte situatie gebracht, dat het voor haar niet mogelijk was om zich aan de seksuele handelingen te onttrekken. Hiermee is de dwang gegeven. Aan het door de verdachte geschetste scenario van vrijwillige seks gaat het Gerecht dan ook voorbij. Bewezenverklaring Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat: Feit 1 hij in de periode van 23 september 2024 t/m 28 september 2024 te Curaçao, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, immers heeft hij, verdachte, op 23 september 2024, opzettelijk genoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: ”dat hij die [slachtoffer 1]en [slachtoffer 2] zal afmaken als hij hun samen vindt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking geuit en op 28 september 2024, opzettelijk dreigend een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft getoond; Feit 2 dat hij op 28 september 2024 te Curaçao door andere feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende hij, verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht, en welke andere feitelijkheden hebben bestaan uit het stevig bij de nek vastpakken van die [slachtoffer 1] en het tegen die [slachtoffer 1] zeggen om naar zijn appartement te lopen en het onverhoeds met kracht op zijn bed geduwd van die [slachtoffer 1], en het onverhoeds op het lichaam van die [slachtoffer 1] gaan zitten, en het krachtig vastpakken en vasthouden van de polsen van die [slachtoffer 1], en het vastklemmen van de benen van die [slachtoffer 1] tussen de benen van verdachte, en het naar beneden trekken van de broek van die [slachtoffer 1], en het voorbij gaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1], en het misbruik maken van het fysieke overwicht van hem, verdachte, en het hebben doen ontstaan van een bedreigende situatie voor die [slachtoffer 1]. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen 1. Een proces-verbaal van aangifte van 30 september 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 1 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 september 2024 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]: Op 28 september 2024 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan tegen de verdachte. Haar aangifte houdt in, zakelijk weergegeven, dat zij op 27 september 2024 met haar nieuwe partner, [slachtoffer 2], bij de “Dome” tegenover de grotten van Hato was. [slachtoffer 2] en zij zaten samen in haar auto toen zij de verdachte na 00:00 uur langs zagen rijden. Kort daarna parkeerde de verdachte zijn auto naast haar auto. Zij zag dat de verdachte een vuurwapen tevoorschijn haalde en in hun richting liep. Zij voelde zich op dat moment ernstig in het leven en veiligheid bedreigd. Zij dacht dat hij haar zou doodschieten. Volgens haar heeft de verdachte met dreigende stem gezegd dat [slachtoffer 2] naar huis moest gaan. Zij voelde zich daardoor gedwongen om tegen [slachtoffer 2] te zeggen dat hij moest gaan. [slachtoffer 2] is toen uit haar auto gestapt en is vertrokken. Daarna zei de verdachte dat hij met haar moest praten. Hij wilde dat zij met hem zou gaan naar zijn woning in de woonwijk Buena Vista om daar met hem te praten. De verdachte reed voorop in zijn auto. Zij werd gedwongen om achter hem aan te rijden in zijn auto. Toen zij bij zijn woning aankwamen, stapte de verdachte uit en kwam hij bij haar staan. Hij pakte haar stevig bij zijn nek vast en trok haar met kracht uit de auto. Hij zei dat zij naar zijn woning moest lopen. Binnen vroeg hij haar waarom ze zulke dingen aan het doen was. Hij zei dat zij van hem is en dat zij samen een zijn. Zij heeft daarop gezegd dat zij naar huis wilde, maar dat wilde hij niet. Toen zij bij de deur van zijn appartement was om weg te gaan, duwde de verdachte haar met kracht op zijn bed. Zij viel met haar rug op zijn bed. De verdachte ging toen op haar zitten. Hij hield haar beide polsen met kracht met een hand vast. Hij klemde haar benen met kracht tussen zijn benen. Met zijn vrije hand, begon hij haar short uit te trekken. Hij heeft al haar kleren uitgetrokken. Zij probeerde tegen te stribbelen, maar het lukte haar niet om van hem los te komen. Hij zei dat zij moest ophouden met stribbelen. Nadat hij haar kleren had uitgetrokken, heeft hij zijn broek, onderbroek en uitgetrokken. Hierna had hij zijn stijve penis in haar vagina gestopt. Zij was machteloos ten opzichte van hem. Zij heeft gezegd dat ze het niet wilde. Hij was eerst op haar, daarna moest zij op hem gaan liggen en daarna kwam hij weer op haar liggen. Toen hij klaar was, zei hij dat onze relatie niet is afgelopen en dat hij veel van haar houdt. Zij heeft toen gezegd dat ze naar huis wilde. Zij is gaan douchen en heeft haar kleren aangetrokken. Daarna zag ze kans te vertrekken. Het vuurwapen dat de verdachte bij zich had was klein met een cilinder. 2. Een proces-verbaal van aangifte van 2 oktober 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 18 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 oktober 2024 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]: Op 27 september 2024 was ik samen met [slachtoffer 1] bij de “Dome”. Ik zat bij [slachtoffer 1]in de auto. Op een gegeven moment kwam er een auto naast ons staan. De man kwam naast [slachtoffer 1] staan en zei: “Ik heb je gezegd wat ik jullie zal doen als ik jullie samen vindt”. Ik kende die man niet. [slachtoffer 1] zei me dat ze iets met die man heeft gehad, maar dat de relatie voorbij was. Ik zag dat de man een vuurwapen tevoorschijn haalde. Hij liet mij bewust het wapen zien. Het was donker maar ik zag dat het zwart/grijs was. Hij hield het in zijn rechterhand. Ik was doodsbang. Dat komt ook omdat ik op 23 september 2024 met [slachtoffer 1] aan het wandelen was bij de Koridor toen zij door een man werd gebeld. Zij verstelde me de volgende dag dat die man heeft gedreigd dat hij ons zal afmaken als hij ons samen vindt. Daarom was ik zo bang toen ik de man met het wapen, een kleine revolver, zag. [slachtoffer 1] zei toen dat ik moest gaan. Omstreeks 0:00 uur belde zei me en zei ze dat ze achter die man aanreed. Ik heb tegen haar gezegd dat ik op haar zal wachten. Ik heb ook tegen haar gezegd dat ze moest bellen als er iets gebeurde. [slachtoffer 1] heeft mij niet gebeld. Ik bleef [slachtoffer 1] bellen maar kreeg geen contact met haar. Omstreeks 03.00 uur ‘s nachts belde [slachtoffer 1] mij. Ze zei dat de man wilde dat zij samen met hem naar zijn woning ging en dat [slachtoffer 1] achter hem aan is gereden. Bij de woning van de man aangekomen heeft hij de portier van haar auto opengemaakt en heeft hij haar bij haar nek vastgepakt. Ze zei dat de man haar naar de slaapkamer heeft gebracht, dat hij met haar heeft gesproken en dat hij haar kleren heeft uitgetrokken. Hierna had de man zijn kleren uitgetrokken. Ze zei dat de man seks met haar gedaan had tegen haar wil. 3. Een proces-verbaal van 12 maart 2025, opgemaakt door mr. P.M. Leijten, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 maart 2025 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]: Wat heeft [slachtoffer 1] u verteld? Getuige blijft lang stil, wordt emotioneel en begint te huilen. Ik vind het moeilijk omdat als ik wist dat er zoiets zou gaan gebeuren ik haar niet had verlaten. Zij heeft mij veel verteld. U vraagt me hoe haar toestand was. Ze was kapot. Ze heeft me veel verteld. We belden ongeveer 3 a 4 uur gebeld. 4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 25 april 2025. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Het klopt dat [slachtoffer 1] en ik een relatie hebben gehad. In de periode tussen juni en september verliep onze relatie moeizaam. We hadden problemen, maar er was nog wel contact. In september 2024 was onze relatie wel echt voorbij. Het klopt dat ik haar op 23 september 2024 heb gebeld. Zij nam de telefoon bijna nooit op. Ik dacht dat ik iets fout had gedaan. Daarom bleef ik haar bellen. Het klopt dat zij op 24 september 2024 een WhatsApp-bericht heeft gestuurd waarin ze zei dat wij klaar waren en dat zij in een WhatsAppbericht van 27 september 2024 heeft aangegeven dat ik haar met rust moest laten. Op 28 september 2024 reed ik in de auto van mijn moeder langs de parkeerplaats bij “De Dome”. Ik zag de auto van [slachtoffer 1] staan. Ik zag dat er een man bij haar in de auto zat. Ik heb toen mijn auto naast die van haar geparkeerd. Ik heb tegen die man gezegd dat hij moest vertrekken. Dat deed hij ook. Tegen haar zei ik dat ik steeds tegen haar heb gezegd dat ze het me moest verstellen als ze met een ander bezig was, omdat ik haar dan met rust zou laten. Ik heb daarna tegen haar gezegd dat ik met haar wilde praten. Ik heb haar gevraagd om met mij mee te gaan naar mijn woning. Ik heb haar gevraagd om achter me aan te rijden. Bij mij aangekomen heb ik haar gevraagd om naar binnen te gaan. Dat wilde ze aanvankelijk niet, waarop ik vroeg of ik haar dan moest dragen. In mijn appartement hebben we gepraat. Daarna zei ik: “Laten we het weer goed maken”. Daarop zoende ik haar. Dat wilde ze niet. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het bewezen wordt als volgt gekwalificeerd: Ten aanzien van feit 1 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Ten aanzien van feit 2 primair: verkrachting. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, dit onder de algemene voorwaarde en onder bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, behandeling door een psycholoog, het volgen van een agressietraining en het volgen van een SOVA-training. Ten slotte vordert zij een contactverbod met [slachtoffer 1]en [slachtoffer 2] en een locatieverbod op het adres van [slachtoffer 1]. De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd. Het Gerecht komt tot de volgende overwegingen en bevindingen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van zijn ex-vriendin en haar nieuwe vriend en aan verkrachting van zijn (ex-)vriendin. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van zijn ex-vriendin en haar nieuwe vriend. Daarnaast heeft hij een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van zijn ex-vriendin. De verdachte heeft de grenzen van het slachtoffer niet gerespecteerd en enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten hiervan zeer langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden. De door [slachtoffer 1]bij haar vordering tot schadevergoeding overgelegde slachtofferverklaring geeft daar blijk van. De gevolgen van het gebeurde duren voor het slachtoffer nog steeds voort. Zij is angstig en heeft aan het gebeurde langdurige psychische schade overgehouden. Dit blijkt ook wel uit de bij die vordering tot schadevergoeding overgelegde brief van haar psycholoog. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, alsook op de straffen die in vergelijkbare gevallen door het Hof en de Gerechten plegen te worden opgelegd. Daarbij kan acht worden geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt in het geval van verkrachting als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren gegeven. Het Gerecht heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 15 januari 2025. Hieruit volgt dat de verdachte moeilijkheden ervaart op het gebied van conflicthantering en agressieregulatie. De verdachte heeft een lage assertiviteit en verhoogde spanningsgevoeligheid, waardoor hij zich snel onder druk voelt staan en impulsief kan reageren in situaties waarin hij zich bedreigd voelt. Zijn sociale netwerk is beperkt, waardoor hij zich moeilijk kan uiten en mogelijke oplossingen kan bespreken. Gelet daarop acht de rapporteur reclasseringsbegeleiding, inhoudende een conflicthanteringstraining en het volgen van een behandeling bij een psycholoog noodzakelijk. Het Gerecht heeft ook kennis genomen van een psychiatrische rapportage van 30 oktober 2024 en een psychologische rapportage van 29 oktober 2024. Bij het psychiatrisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen gevonden voor een psychische stoornis, op grond waarvan de delicten, indien bewezen, hem verminderd zijn aan te rekenen. Mogelijk heeft hij in zijn persoonlijkheid, licht narcistische trekken met enige agressieregulatie problematiek, maar dat maakt hem niet minder toerekeningsvatbaar. De psychiater acht het volgen van een agressieregulatietraining bij de reclassering zinvol om toekomstige agressieve problemen te voorkomen. De psycholoog constateert evenmin aanwijzingen voor een psychische stoornis bij de verdachte. Zijn verhoogde spanningsgevoeligheid en beperkte sociale vaardigheden wijzen op kwetsbaarheden in het omgaan met stress en persoonlijke relaties, maar niet een stoornis. Hierdoor wordt de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar beschouwd. De kans op recidive wordt als matig ingeschat. Om het recidivegevaar te beperken en een gunstige ontwikkeling van onderzochte te bevorderen wordt het volgende geadviseerd: Het volgen van een sociale vaardigheidstraining Een Cognitieve Gedragstherapie Opbouw van een breder sociaal netwerk: Werkhervatting en behoud van structuur Reclasseringstoezicht biedt een juridisch kader waarin interventies en begeleiding voor ode verdachte kunnen worden gerealiseerd. Binnen dit kader kan de verdachte toegang krijgen tot psychologische hulp en trainingen. De psycholoog merkt daarbij nog op dat een langdurige gevangenisstraf een aantal positieve, beschermende factoren waarover de verdachte beschikt en die hem in staat stellen op een gezonde manier terug te keren in de maatschappij (zijn sterke familiebanden en werkverantwoordelijkheden) kan ondermijnen. Met een focus op re-integratie en begeleiding kan hij deze basis behouden en verder versterken, wat de kans op duurzaam positieve veranderingen vergroot. Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De verdachte heeft er ter terechtzitting in het geheel geen blijk van gegeven het strafbare van zijn handelen in te zien. Sterker nog, hij legt de schuld van hetgeen hem nu overkomt volledig neer bij zijn (ex-)vriendin. Dit baart het Gerecht zorgen. Het Gerecht ziet hierin aanleiding om aan de verdachte verplicht Reclasseringscontact op te leggen. Reeds daarom acht het Gerecht het aangewezen om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijk deel dient tevens als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Tot slot heeft het Gerecht acht geslagen op de strafkaart van de verdachte waarop slechts een voorwaardelijk sepot voor vernieling in 2017 staat. Het Gerecht zal, alles afwegende, de strafeis van de officier van justitie volgen. Schadevergoeding De benadeelde partij [slachtoffer 1]heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt Cg 6.325,-. De verdediging heeft de vordering betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1]als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 1:19, 1:20, 1:21,1:22, 1:78, 1:136, 2:197 en 2:255 van Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het Gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 42 (tweeënveertig maanden) maanden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht; bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten om dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt; als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat: de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg, ook als dat inhoudt het volgen van een SOVA-training, een Cognitieve Gedragstherapie of behandeling door een psycholoog, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt; de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1]en [slachtoffer 2], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. - de verdachte gedurende de proeftijd niet aanwezig zal zijn op de locatie [adres] te Curaçao, zijnde het woonadres van aangeefster, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 6.325,- (zesduizend driehonderdvijfentwintig gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 september 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1]gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken; legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1]de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 6.325,- (zesduizend driehonderdvijfentwintig gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 66 (zesenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2024 tot aan de dag van de voldoening. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. T.E. van der Spoel, bijgestaan door mr. J. Mulder, griffier, en is op 16 mei 2025 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. Proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 30 september 2024 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (Einddossier, pagina 1 e.v.).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.