Parketnummer: 500.00307/24 Uitspraak: 7 mei 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren [2002] te [land], wonende te Curaçao op [adres], thans alhier gedetineerd. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. van Zetten en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.O. Gomes, naar voren is gebracht. Tenlastelegging De verdachte wordt tenlastegelegd: dat hij op in of omstreeks de periode van 9 april 2024 tot en met 13 september 2024 te Curaçao, met [slachtoffer] (geboren [2010]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(
- en)heeft gepleegd, die bestond(
- en)uit of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, Een of meermalen zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of gehouden; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Gerecht deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Uit de verklaringen van de verdachte en het slachtoffer blijkt dat zij in de periode van 9 april 2024 tot en met 13 september 2024 in totaal drie keer seks met elkaar hebben gehad. De verdachte was op dat moment 22 jaar oud, het slachtoffer was net 14 jaar oud. Het Gerecht stelt voorop dat artikel 2:200 van het Wetboek van Strafrecht strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet in staat te zijn hun seksuele zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen, dan wel niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. De strafbepaling beschermt daarmee ook tegen de verleiding die (mede) vanuit de jeugdige zelf kan uitgaan. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden het ontuchtige karakter kan ontbreken aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en of er sprake is van een affectieve relatie. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. De vraag die beatwoord moet worden is of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard. In het onderhavige geval is het leeftijdsverschil tussen de verdachte en het slachtoffer acht jaar. Dat is niet gering te noemen. De verdachte en het slachtoffer bevonden zich daardoor in een hele andere levensfase. De verdachte woonde al enkele jaren zelfstandig en volgde een leer/werktraject bij de brandweer, terwijl het slachtoffer nog bij haar moeder woonde en naar school ging. Evenmin was in hun geval sprake van een affectieve relatie. De verdachte en het slachtoffer kenden elkaar vóór hun eerste ontmoeting alleen via Facebook en WhatsApp. Bij hun eerste ontmoeting heeft de verdachte zijn slachtoffer, via een korte tussenstop bij de Kentucky Fried Chicken, naar een parkeerplaats in Brievengat gebracht, waarna zij seks hadden in zijn auto. Ook bij de tweede en derde ontmoeting draaide het eigenlijk alleen maar om de seks. Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de seksuele handelingen die tussen de verdachte en het slachtoffer hebben plaatsgevonden in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Het Gerecht merkt deze handelingen daarom aan als ontuchtige handelingen. Bewezenverklaring Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat: dat hij in de periode van 9 april 2024 tot en met 13 september 2024 te Curaçao, met [slachtoffer], geboren [2010], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, in totaal drie keer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, telkens zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen 1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 april 2025. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik word [naam] genoemd. Ik heb [slachtoffer] drie keer ontmoet. Wij hebben elke keer seks gehad. De eerste keer was in april 2024, in mijn auto op de parkeerplaats bij de kerk in Brievengat. De laatste keer was in september 2024. Dat was bij mij thuis. Ik ben tijdens de seks telkens met mijn penis in haar vagina gegaan. 2. Een proces-verbaal van aangifte van 24 september 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 24 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 september 2024 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]: Gisteren (het Gerecht begrijpt: op 13 september 2024) was ik op school. Ik kreeg een bericht van een jongen genaamd [naam]. [Naam] vroeg of hij mij kon zien. Ik heb tegen [naam] gezegd dat dat eigenlijk niet kon omdat mijn moeder dat niet zou willen. [Naam] zei dat mijn moeder het niet hoefde te weten. [Naam] is mij toen op school komen ophalen. Wij zijn naar zijn woning gegaan. Daar zijn wij naar zijn slaapkamer gegaan. In zijn slaapkamer heeft [naam] mij aan mijn vagina en aan mijn billen betast. [naam] heeft mijn billen met zijn hand betast. Hij heeft mij gevingerd en ook heeft hij mijn vagina met zijn penis gepenetreerd. 3. Een proces-verbaal van aangifte van 7 november 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [naam] (pagina 33 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 november 2024 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]: Ik ken [naam] van voordat ik jarig was. Volgens mij heb ik in mei 2024 kennis met hem gemaakt op facebook. Ik ben drie keer door [naam] opgehaald. De eerste keer was op 9 april 2024. Ik had die dag een schoolsportdag bij Sentro Deportivo Korsou. Ik heb [naam] geappt dat ik transport naar huis nodig had. [Naam] is mij komen ophalen. Hij vroeg of ik kip van Kentucky Fried Chicken wilde. Hij heeft toen kip voor mij gekocht. Daarna ging hij bij de parkeerplaats van de kerk van Brievengat staan. Daar hebben wij seks gehad. De tweede keer heeft [Naam] mij opgehaald bij mijn vriendin/buurvrouw [naam vriendin/buurvrouw]. De derde keer was bij hem thuis. V: U houdt mij voor dat [naam vriendin/buurvrouw] heeft verklaard dat ik in de maand april 2024 bij haar thuis door [naam] ben opgehaald. Ik antwoord dat ik dat niet zeker weet. V: U houdt mij voor dat [naam vriendin/buurvrouw] heeft verklaard dat ik toen ik terug kwam aan haar heb verteld had dat [naam] en ik seks hebben gehad. A: Ja dat klopt. Ik heb tegen [naam] gezegd dat ik veertien jaar oud was. Ik was net veertien geworden toen wij begonnen te praten. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het bewezen wordt als volgt gekwalificeerd: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte: - zich gedurende de proeftijd houdt aan de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, - een behandeling volgt bij de psycholoog gericht op bevorderen van het emotioneel welzijn; een SOVA-training volgt; een cognitieve gedragstherapie en/of coaching gericht op vergroten weerbaarheid dan wel soortgelijke training/therapie volgt, indien de reclassering en/of psycholoog dat noodzakelijk acht. Ook heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een verbod wordt opgelegd om contact op te nemen met het slachtoffer. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde wordt toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, alsook op de straffen die in vergelijkbare gevallen door het Hof en de Gerechten plegen te worden opgelegd. In dit verband kan ook acht worden geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt in het geval van het seksueel binnendringen in het lichaam bij een kind van tussen de twaalf en zestien jaar als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren gegeven. Met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde wordt het volgende in aanmerking genomen. De destijds 22-jarige verdachte heeft zich in totaal drie keer schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, bestaande uit het binnendringen in het lichaam, met een toen 14-jarig meisje. Het slachtoffer bevond zich – gelet op haar leeftijd – in een kwetsbare fase van haar leven, waarin zij haar seksualiteit nog volop aan het ontdekken was. Niet voor niets is door de wetgever de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen uitdrukkelijk beschermd, onder meer op de grond dat zij op seksueel gebied nog niet volgroeid zijn en dat zij worden geacht niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Minderjarigen moeten kunnen opgroeien in een veilige omgeving en zich veilig kunnen ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Deze normale seksuele ontwikkeling is door het handelen van de verdachte verstoord, hetgeen voor de minderjarige ernstige gevolgen kan hebben. Dat daarvan in dit geval ook sprake is, valt af te leiden uit de bij de vordering tot schadevergoeding gevoegde toelichting (bijlage 3). Het Gerecht rekent dit de verdachte aan. De verdachte – hoewel zelf in zekere zin ook nog jong – had beter moeten weten. Het Gerecht heeft ook acht geslagen op de persoon van de verdachte. Vooropgesteld wordt dat de verdachte, een jongvolwassene, het strafbare feit direct heeft bekend en dat hij er blijk van heeft gegeven het strafbare van zijn handelen in te zien. Er is in deze zaak uitvoerig over de persoon van de verdachte gerapporteerd. Het Gerecht heeft kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsrapport van 9 april 2025, het psychologische onderzoek van 22 november 2024 en het psychiatrisch onderzoek van 3 februari 2025. Uit de inhoud van deze rapporten volgt dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is en dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. Zowel de reclassering als de psycholoog hebben zorgen over de ontwikkeling van de verdachte en adviseren reclasseringsbegeleiding. De reclassering adviseert het volgen van een SOVA-training gericht op het veranderen van disfunctionele denkpatronen en gedragingen en op het vergroten van de weerbaarheid. Daarnaast wordt een behandeling bij een psycholoog geadviseerd, gericht op het bevorderen van zijn emotioneel welzijn. De psycholoog constateert een problematische ontwikkeling bij de verdachte, die wordt gekarakteriseerd door emotionele verwaarlozing en gebrek aan steun in zijn jeugd. Om het recidivegevaar te beperken en om een gunstige ontwikkeling van de verdachte te bevorderen, wordt geadviseerd: een cognitieve gedragstherapie, gericht op het verbeteren van zijn emotionele expressie en het ontwikkelen van gezonde copingstrategieën. het verhogen van verdachtes zelfvertrouwen door middel van coaching of counseling, hetgeen hem minder vatbaar kan maken voor negatieve invloeden en waardoor hij beter in staat zal zijn om weloverwogen keuzes te maken, hetgeen het risico op impulsieve of destructieve gedragingen vermindert. een emotionele vaardigheidstraining, hetgeen de verdachte kan helpen om zijn emoties te herkennen, te begrijpen en op een effectieve manier te reguleren. De verdachte is, blijkens zijn strafkaart, niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de persoon van de verdachte acht het Gerecht het aangewezen om een deel van de op zich zelf passend geachte gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Het Gerecht zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die de reclassering en de psycholoog hebben geadviseerd. Het Gerecht ziet in de gevolgen die dit feit voor de toekomstige carrièremogelijkheden van de verdachte zal hebben, aanleiding tot de oplegging van een voorwaardelijk deel van iets langere duur dan door de officier van justitie gevorderd. Schadevergoeding De benadeelde partij [[wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [slachtoffer]], heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van NAf 7.500, De verdachte heeft de vordering niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2024. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd. De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil. De bedragen zijn gevorderd in NAf. Omdat dit vonnis wordt gewezen na de invoering van de Caribische gulden, zullen de toe te wijzen bedragen met Cg worden aangeduid. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 1:19, 1:20, 1:21, 1:78, 1:123 en 2:200 van Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het Gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 24 (vierentwintig) maanden; bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht. als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt; het volgen van een behandeling bij een psycholoog, gericht op het bevorderen van het emotionele welzijn van de verdachte; het volgen van een SOVA-training het volgen van een cognitieve gedragstherapie, gericht op het verbeteren van zijn emotionele expressie en het ontwikkelen van gezonde copingstrategieën, da wel een soortgelijke training/therapie indien de psycholoog of de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg dat nodig acht. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze –direct of indirect– contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van Cg 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd Caribische guldens), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 september 20204 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Caribische guldens), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 72 (tweeënzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. T.E. van der Spoel, bijgestaan door mr. J. Mulder, griffier, en is op 7 mei 2025 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. ECLI:NL:HR:2018:1884, ECLI:NL:PHR:2018:844 ECLI:NL:HR:2010:BK4794.