← Nederland

ECLI:NL:OGEAC:2025:301

Parketnummer : 500.00145/24 Uitspraak : 26 februari 2025 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], [adres 1](volgens eigen opgave), thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao. Onderzoek van de zaak Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2024, 11 december 2024, 13 december 2024, 16 december 2024, 18 december 2024 en op 5 februari 2025. De verdachte is, behalve op laatstgenoemde datum, telkens verschenen, telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.O. Gomes, advocaat in Curaçao. De verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2025 te verschijnen. De raadsvrouw van de verdachte is met voorafgaande kennisgeving niet op laatstgenoemde zitting aanwezig geweest. De officieren van justitie, mrs. D. van Zetten en H.J. Starrenburg (hierna: de officier van justitie), hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest. De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde. Voorts heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 medeplegen gekwalificeerde doodslag c.q. doodslag hij op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(

  1. s)opzettelijk meermalen (telkens) althans eenmaal promethazine en/of codeïne en/of MDMA en/of zoplicon en/of Molly en/of een slaappil en/of een of meer andere verdovende en/of drogerende middelen en/of pillen en/of slaapmiddelen toegevoegd aan de whisky en/of een (andere) drank van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] vastgehouden en/of met vuisten in het gezicht althans tegen het hoofd en/of (boven)lichaam geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer] verwurgd, althans uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals en/of nek van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of (met kracht) gedurende enige tijd de hals/nek van die [slachtoffer] met (een) arm(
  2. en)afgeklemd en/of een nekklem aangelegd en/of die [slachtoffer] met een injectie en/of een naald en/of een spuit promethazine en/of codeïne en/of MDMA en/of zoplicon en/of Molly en/of een of meer andere verdovende en/of drogerende middelen in de nek en/of hals en/of de/het schouder(blad) althans het lichaam geïnjecteerd en/of gestoken en/of geprikt en/of die [slachtoffer] van de trap af getrokken en/of gesleept en/of gedragen terwijl het hoofd van die [slachtoffer] (telkens) de traptrede(
  3. s)raakte en/of vervolgens die [slachtoffer] (achter)in zijn, althans een auto gelegd, te weten een [automerk/model] en/of met die [automerk/model] in de richting van [adres 2] gereden en/of bij [adres 2] die [slachtoffer] achter het stuur van die [automerk/model] getild en/of gezet en/of geduwd en/of aldaar die [automerk/model] met daarin het lichaam van die [slachtoffer] in zee geduwd en/of gereden en/of in zee laten rijden, ten gevolge van welk geweld en/of welke handelingen en/of de daardoor opgelopen verwondingen die [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten: een (poging tot) diefstal met geweld in vereniging en/of het medeplegen van afpersing en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(
  4. s)aan voormeld feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; (artikel 2:260 jo 2:259 jo 1:123 lid 1 sub a van het Wetboek van Strafrecht) Feit 2, diefstal met geweld in vereniging en/of medeplegen afpersing, de dood ten gevolge hebbend hij op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een) woning(
  5. en)gelegen op of aan [adres 3] en/of de [adres 4] en/of [adres 5] heeft/hebben weggenomen:  een (aantal) sleutel(
  6. s)en/of (een) telefoon(
  7. s)en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag in elk geval enig(
  8. e)goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(
  9. en)wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot afgifte van:  een (aantal) sleutel(
  10. s)en/of (een) telefoon(
  11. s)en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag, in elk geval enig(
  12. e)goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) bestond(
  13. en)uit het: promethazine en/of codeïne en/of MDMA en/of zoplicon en/of Molly en/of een slaappil en/of een of meer andere verdovende en/of drogerende middelen en/of pillen en/of slaapmiddelen toe te voegen aan de whisky en/of een (andere) drank van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] vasthouden en/of met vuisten in het gezicht althans tegen het hoofd en/of (boven)lichaam te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer] te verwurgen, althans uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals en/of nek van die [slachtoffer] uit te oefenen en/of (met kracht) gedurende enige tijd de nek/hals van die [slachtoffer] met (een) arm(
  14. en)af te klemmen en/of een nekklem aan te leggen en/of die [slachtoffer] met een injectie en/of een naald en/of een spuit promethazine en/of codeïne en/of MDMA en/of zoplicon en/of Molly en/of een of meer andere verdovende en/of drogerende middelen in de nek en/of de hals en/of de/het schouder(blad) althans het lichaam te ïnjecteren en/of te steken en/of te prikken en/of die [slachtoffer] van de trap af te trekken en/of te slepen en/of te dragen terwijl het hoofd van die [slachtoffer] (telkens) de traptrede(
  15. s)raakte en/of vervolgens die [slachtoffer] achterin zijn, althans een auto, te weten een [automerk/model] leggen en/of die [slachtoffer] achter het stuur van die auto, te tillen en/of te zetten en/of te duwen en/of met die [automerk/model] in de richting van [adres 2] te rijden en/of aldaar bij [adres 2] die [automerk/model] met daarin het lichaam van die [slachtoffer] in zee te duwen en/of te rijden en/of in zee laten rijden tengevolge van welk bovenomschreven feit die [slachtoffer] is overleden; (artikel 2:291 lid 1 jo 3 jo 2:294 jo 1:123 lid 1 sub a van het Wetboek van Strafrecht) Feit 3, wegmaken van lijk hij op of omstreeks 12 september 2018, althans in de maand september 2018, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk/lichaam, te weten het lichaam van de overleden [slachtoffer], heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  16. s)het lichaam van die [slachtoffer] in een auto, te weten een [automerk/model], getild en/of gezet en/of gestopt en/of die [automerk/model] in de richting van [adres 2] gereden en/of bij [adres 2] die [automerk/model] met daarin het lichaam van die [slachtoffer] in zee gereden en/of geduwd althans die [automerk/model] in zee heeft laten rijden en zich aldus van het lichaam van die [slachtoffer] ontdaan; (artikel 2:94 jo 1:123 lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht) Formele voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Bewezenverklaring Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 hij op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(
  17. s)opzettelijk meermalen (telkens) althans eenmaal promethazine en/of codeïne en/of MDMA en/of zoplicon en/of Molly en/of een slaappil en/of een of meer andere verdovende en/of drogerende middelen en/of pillen en/of slaapmiddelen toegevoegd aan de whisky en/of een (andere) drank van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] vastgehouden en/of met vuisten in het gezicht althans tegen het hoofd en/of (boven)lichaam geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer] gewurgd, althans uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals en/of nek van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of (met kracht) gedurende enige tijd de hals/nek van die [slachtoffer] met (een) arm(
  18. en)afgeklemd en/of een nekklem aangelegd en/of die [slachtoffer] met een injectie en/of een naald en/of een spuit promethazine en/of codeïne en/of MDMA en/of zoplicon en/of Molly en/of een of meer andere verdovende en/of drogerende middelen in de nek en/of hals en/of de/het schouder(blad) althans het lichaam geïnjecteerd en/of gestoken en/of geprikt en/of die [slachtoffer] van de trap af getrokken en/of gesleept en/of gedragen terwijl het hoofd van die [slachtoffer] (telkens) de traptrede(
  19. s)raakte en/of vervolgens die [slachtoffer] (achter)in zijn, althans een auto gelegd, te weten een [automerk/model] en/of met die [automerk/model] in de richting van [adres 2] gereden en/of bij [adres 2] die [slachtoffer] achter het stuur van die [automerk/model] getild en/of gezet en/of geduwd en/of aldaar die [automerk/model] met daarin het lichaam van die [slachtoffer] in zee geduwd en/of gereden en/of in zee laten rijden, ten gevolge van welk geweld en/of welke handelingen en/of de daardoor opgelopen verwondingen die [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten: een (poging tot) diefstal met geweld in vereniging en/of het medeplegen van afpersing en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(
  20. s)aan voormeld feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.; Feit 2 hij op of omstreeks 12 september 2018, althans in of omstreeks de maand september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een) woning(
  21. en)gelegen op of aan [adres 3] en/of de [adres 4] en/of [adres 5] heeft/hebben weggenomen:  een (aantal) sleutel(
  22. s)en/of (een) telefoon(
  23. s)en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag in elk geval enig(
  24. e)goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(
  25. en)wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot afgifte van:  een (aantal) sleutel(
  26. s)en/of (een) telefoon(
  27. s)en/of een auto, te weten een [automerk/model] en/of een geldbedrag, in elk geval enig(
  28. e)goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) bestond(
  29. en)uit het: promethazine en/of codeïne en/of MDMA en/of zoplicon en/of Molly en/of een slaappil en/of een of meer andere verdovende en/of drogerende middelen en/of pillen en/of slaapmiddelen toevoegen aan de whisky en/of een (andere) drank van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] vasthouden en/of met vuisten in het gezicht althans tegen het hoofd en/of (boven)lichaam te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer] te verwurgen, althans uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals en/of nek van die [slachtoffer] uitoefenen en/of (met kracht) gedurende enige tijd de nek/hals van die [slachtoffer] met (een) arm(
  30. en)af te klemmen en/of een nekklem aanleggen en/of die [slachtoffer] met een injectie en/of een naald en/of een spuit promethazine en/of codeïne en/of MDMA en/of zoplicon en/of Molly en/of een of meer andere verdovende en/of drogerende middelen in de nek en/of de hals en/of de/het schouder(blad) althans het lichaam injecteren en/of te steken en/of te prikken en/of die [slachtoffer] van de trap aftrekken en/of te slepen en/of te dragen terwijl het hoofd van die [slachtoffer] (telkens) de traptrede(
  31. s)raakte en/of vervolgens die [slachtoffer] achterin zijn, althans een auto, te weten een [automerk/model] leggen en/of die [slachtoffer] achter het stuur van die auto, te tillen en/of te zetten en/of te duwen en/of met die [automerk/model] in de richting van [adres 2] te rijden en/of aldaar bij [adres 2] die [automerk/model] met daarin het lichaam van die [slachtoffer] in zee te duwen en/of te rijden en/of in zee laten rijden ten gevolge van welk bovenomschreven feit die [slachtoffer] is overleden.; Feit 3 hij op of omstreeks 12 september 2018, althans in de maand september 2018, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk/lichaam, te weten het lichaam van de overleden [slachtoffer], heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  32. s)het lichaam van die [slachtoffer] in een auto, te weten een [automerk/model], getild en/of gezet en/of gestopt en/of die [automerk/model] in de richting van [adres 2] gereden en/of bij [adres 2] die [automerk/model] met daarin het lichaam van die [slachtoffer] in zee gereden en/of geduwd althans die [automerk/model] in zee heeft laten rijden en zich aldus van het lichaam van die [slachtoffer] ontdaan.; Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn omwille van de leesbaarheid in de bewezenverklaring (cursief) verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsmiddelen Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao. 1. Een informatierapport d.d. 16 september 2018 van het Bureau Infodesk van het Korps Politie Curaçao, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 1]. De verbalisant heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) Op 14 september 2018 omstreeks 14:00 uur verscheen bij het Wijkbureau Montagne een melder die later bleek te zijn: [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1964, wonende op het adres [adres 3]. [betrokkene 1] gaf te kennen dat zijn vriend, genaamd [slachtoffer], al sinds woensdag 12 september 2018 omstreeks 20:00 uur nergens meer te bekennen is. (…) (…) Op 15 september 2018 omstreeks 15:00 uur kwam aan de wacht de man genaamd [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1987, wonende op het adres [adres 6]. [betrokkene 2] verklaarde dat hij al twee dagen geen contact heeft met een vriend van hem genaamd [slachtoffer] (…) wonende te [adres 4]. Hij heeft geen familieleden in Curaçao. [slachtoffer] rijdt de auto van zijn baas: een [automerk/model] [kentekennummer] en hij verbleef vermoedelijk te [adres 3]. (…)” 2. Op 16 september 2018 hebben de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] naar aanleiding van de gemelde vermissing van [slachtoffer], een forensisch onderzoek verricht op het adres [adres 3]. Er werden in totaal 32 sporen veilig gesteld, waaronder leesbrillen, lege bierflessen, Monster drink, een lege fles Black Label, sigarettenpeuken en een Coca Cola fles. Op 27 juli 2023 werden de 32 sporendragers die op voormeld adres zijn veiliggesteld in twee verpakte dozen opgehaald bij LIRC te Zoetermeer. Op 10 augustus 2023 werden voormelde verpakte dozen overgedragen aan [verbalisant 4] van de Forensische Opsporing van de Eenheid Den Haag. 3. Op 10 augustus 2023 werden de 32 sporendragers die op het adres [adres 3] zijn veiliggesteld, door de verbalisant [verbalisant 4] opgeslagen bij de Forensische Opsporing van de Eenheid Den Haag. Deze sporendragers zijn voorzien van een uniek Spoor Identificatie Nummer (SIN). De verbalisant heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) De volgende sporen en sporendragers werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld: (…) Sporendragers (…) Goednummer : [goednummer] SIN : [SIN 1] Object : Fles Aantal/eenheid : 1 stuk (…) Merk/type : Black Label Land : Nederland Bijzonderheden : Spoor [nummer]: lege fles sterke drank op aanrecht in plastic zak. (…)” 4. De vloeistof afkomstig uit de whiskyfles [SIN 1] (SIN (van de NFI)[SIN 2]) is door dr. [dokter 1] van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht. [dokter 1] heeft in het NFI-rapport van 29 maart 2024 – voor zover van belang – het volgende gerapporteerd: “(…) In de vloeistof uit de whiskyfles [SIN 2] zijn de geneesmiddelen promethazine en codeïne aangetoond. Deze stoffen kunnen iemand drogeren of bedwelmen.” 5. Een [automerk/model] met daarin menselijke botten is in de bodem van de zee bij de Noordkust aangetroffen en uit de zee gehaald. De verbalisant [verbalisant 5] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “ (…) Op 5 juli 2019 werd een voertuig, een [automerk/model], door een duiker op de bodem van de zee aan de Noordkust ter hoogte van [adres 2] aangetroffen. (…) Het onderzoek in deze voortzettende werd op 17 juli 2019 (…) aangevangen om het voertuig uit het water te halen. Tijdens de werkzaamheden in de bodem van de zee, werd door een team van vier

(4)duikers een menselijk skelet in het voertuig gevonden. De botten werden in een jutezak gestopt en later aan de Technische recherche ter inbeslagname afgegeven. (…) Het voertuig werd, gezien de grootte en de wielen, herkend als een ‘[automerk/model]’. (...)” 6. De forensisch patholoog, dr. L. Althaus, heeft op 24 juli 2019 de veiliggestelde beenderen onderzocht en – voor zover van belang – het volgende in het forensisch autopsierapport opgenomen: “(…) CONCLUSION(S) (…) The findings are, so far, consistent with a ca. 50 years old, male person with a pre-mortem body length of ca. 174 cm. (…) CAUSE OF DEATH Unknown. MANNER OF DEATH Most probably non-natural. (…)” 7. Door het Team Forensische Opsporing Curaçao is het volgende botmateriaal ten behoeve van DNA-vergelijkend onderzoek veiliggesteld:Het linker femur van de sporen identiteitszegel SIN:[SIN 3]. 8. Een NFI-rapport van 6 februari 2020 van dr. [dokter 2] met de resultaten van een DNA-verwantschapsonderzoek naar voormeld botmateriaal. De deskundige heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) Onderzoeksmateriaal (…) Tabel 1. Ontvangen onderzoeksmateriaal uit 2020.01.14.297 (…) [SIN 4] Een referentiemonster wangslijmvlies van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1939), de biologische vader van de vermiste [slachtoffer]. (…) Tabel 2. Ontvangen onderzoeksmateriaal uit 2020.01.16.190 (…) [SIN 5]* Een referentiemonster bot veiliggesteld uit het femur [SIN 3]. (…) Interpretatie en conclusie Op basis van de resultaten van het DNA-verwantschapsonderzoek wordt geconcludeerd dat de ongeïdentificeerde man [SIN 5] de vermiste [slachtoffer] kan zijn. (…) De DNA-kenmerken van de drie Y-chromosomale loci in het DNA-profiel van de ongeïdentificeerde persoon [SIN 5] komen overeen met die in het DNA-profiel van [slachtoffer] [SIN 4] (de biologische vader van de vermiste [slachtoffer]). (…)” 9. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) werden middels “Opnemen Vertrouwelijke Communicatie” (hierna: OVC) gesprekken opgenomen die tussen [medeverdachte 1] en haar vriend op 30 augustus 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) Waar in de uitwerking [medeverdachte 1] staat, wordt de verdachte [medeverdachte 1] bedoeld. [vriend van medeverdachte 1] is de vriend van de verdachte [medeverdachte 1]. (…) [medeverdachte 1]: de man die ze zijn gaan gooien hmm. (…) [medeverdachte 1]: Achter, daar achter mijn huis zo. (…) [ vriend van medeverdachte 1]: Je bent daar toch niet bij betrokken? [medeverdachte 1]: Ik was toen dat gebeurde wel daar, weet je. (…) Ik was daar. Want het punt is (…) Ze waren op zoek naar iemand om naar de man toe te gaan. Want mogelijk had de man geld.(…)” 10. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 1] werden middels OVC gesprekken opgenomen die tussen [medeverdachte 1] en haar vriend op 31 augustus 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) Als in het proces-verbaal gesproken wordt over [medeverdachte 1], wordt hier de verdachte [medeverdachte 1] mee bedoeld (…). Met [vriend van medeverdachte 1] wordt de vriend van de verdachte [medeverdachte 1] bedoeld (…). (…) Onderstaande sessie start op 31 augustus 2023 om 08:50 uur en eindigt om 09:20 uur. (…) [medeverdachte 1] = E [ vriend van medeverdachte 1] = R (…) E: Anyway daarna wilden ze iets te drinken maken en aan hem komen geven/ mee nemen. (…) Daarna zeiden ze zo van ja, dat ze zouden vertrekken (…) E: (…) Ik bleef bij hem. Zij zijn vertrokken. (…) E: Ze waren vertrokken…maar de man was…echt…het leek alsof hij dronken of onder invloed van drugs was. Maar hij was niet…hij is niet gaan slapen. (…) E: Ik heb die meiden geappt na een half uur. Ik zei tegen hen: ‘kom mij halen, want deze man slaapt niet. (…) E: Toen ik bij de auto aankwam zat [medeverdachte 2] in de auto want…Ze hadden een [automerk/model]. Ik zei tegen haar…want toen ik bij de auto aankwam zijn die gozers en de andere meid uit de auto gestapt. Zie liepen naar het huis toe. (…) E: Ik zei tegen [medeverdachte 2]: “wat gaan ze doen?” (…) Ze zei: “Ja, ze gaan die man “hode” daarbinnen. (Opmerking tolk: “Hode” is iets of iemand iets slechts aandoen) (…) E: Na een poosje is [medeverdachte 2] gekomen. Ze zei tegen mij: “ja, ze hebben met die man gevochten (…)” 11. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 1] werden middels OVC gesprekken opgenomen die tussen [medeverdachte 1] en de (mede)verdachte [medeverdachte 2] op 2 september 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) Onderstaande sessie start op 2 september 2023 om 10:39 uur tot en met 11:29 uur. Het betreft een conversatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] welke in beide woningen middels de OVC is opgenomen. (…) [medeverdachte 1] = [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] = [medeverdachte 2] (…) F: (…) ze wilden het ding van die man halen/zoeken/hebben. En ik zag duidelijk dat die man zoals hij was niet in slaap zou vallen. Die man bleef praten praten praten (…) F: Ja. Ik kwam jou in de auto tegen. En die gasten en die meid waren aan het lopen (…) J: Ja, inderdaad…Je wist niet van het ding. Toen je ingestapt was, heb ik jou gezegd wat ze gingen doen. F: Ja, klopt.(…)” 12. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 1] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 12 september 2023 tussen [medeverdachte 1] en NNV2 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) Onderstaande sessie start op 12 september 2023 om 09:39 uur en eindigt omstreeks 09:53 uur. (…) [medeverdachte 1]: (…) Dus hij deed de deur voor me open, dus ik stapte, tap, uit, stapte in de auto denkende dat het klaar was zodat iedereen weggaat, kwam ik, ik kwam de kerels en het andere meisje gewoon om de hoek tegen. Ze gingen daar naar binnen. Ik vroeg aan hen wat ze gingen doen. Ze zeiden ze gaan op zoek naar geld en zo. (…)” 13. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 1 september 2023 tussen [medeverdachte 2] en NN-man in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “Onderstaand gesprek betreft een gesprek tussen de verdachte (…) [medeverdachte 2] en een NN-man die door [medeverdachte 2] [betrokkene 3] wordt genoemd. Mogelijk betreft het hier (…) de (ex)partner van [medeverdachte 2]. (…) Onderstaande sessie start op 1 september 2023 om 17:42 uur en eindigt omstreeks 17:57 uur. (…) E = [medeverdachte 2] N = NN-man (…) E: We gingen rotzooien met een gast ‘makamba’ (= Hollander) in [adres 3] (…) we zouden hem beroven (…) we waren met z’n vijven (…) E: (…) het ging fout. Nee, we hebben zijn sleutels en alle klote dingen gepakt om naar zijn andere huis te gaan (…) we kwamen daar wel aan, maar de sleutels maakten niet open…de mensen bleven boos/kwaad (…) ze dachten/bedoelden dat ze de man in elkaar zouden slaan, zodat de man zou praten … dat hij zou, dat hij zou zeggen waar de kluis was, want eigenlijk was de kluis in het huis, dat wisten we al maar euh…(…) E: (…) maar we konden de sleutels niet vinden (…) hoe dan ook een meisje/meid waar ik goed mee was, zij werkte bij het [bedrijf], die man wilde niet praten, dus zij gaf die man gewoon een injectie. (…) E: Wij vochten met het lichaam en gingen naar [adres 2]. (…) E: We hebben de auto, het lichaam en alle klote dingen de zee ingeduwd. (…) E: Ja, maar ik was erbij. Ik heb gezegd ‘kom laten we dan maar naar [adres 2] gaan’. Ik kwam met het idee om naar [adres 2] te gaan. (…)” 14. Op 1 september 2023 tot en met 2 september 2023 vonden er tussen de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de volgende Whatsapp-gesprekken plaats die door de verbalisant [verbalisant 8] – voor zover van belang – als volgt zijn gerelateerd: “(…) Datum en tijdstip Verzender Origineel bericht Vertaling (…) 2023-09-01 10:26 [medeverdachte 2] Pero e iPhone tami mes a zwaai e na laman Maar de iPhone heb ik zelf in de zee gegooid (…) 2023-09-01 10:37 [medeverdachte 2] Anto ta [verdachte] ku [medeverdachte 3] a sali kune En [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn met hem naar buiten gegaan/hebben hem meegenomen 2023-09-01 10:37 [medeverdachte 2] Nos tabata ku [medeverdachte 4] Wij waren met [medeverdachte 4] (…) 2023-09-01 10:38 [medeverdachte 2] Ora nos a yega [adres 2] tmb hombu tbt lila lila kaba Toen wij bij [adres 2] aankwamen was die man al helemaal “paars” (liep die man al helemaal blauw aan) 2023-09-01 10:38 [medeverdachte 2] [medeverdachte 4] a dal e hombu overdosis [medeverdachte 4] heeft die man een overdosis “geslagen” (letterlijk. Vrij vertaald: toegediend) (…) (…)” 15. Op 30 augustus 2023 vonden er tussen de verdachte [medeverdachte 2] en ‘[betrokkene 4]’ de volgende Snapchat-gesprekken plaats. Het gesprek vond plaats nadat de uitzending van RTL Boulevard een item over de vermissing van [slachtoffer] had uitgezonden. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) Afkomstig van Aan Bericht Vertaling Datum en tijdstip (…) [medeverdachte 2] [betrokkene 4] Ta e a bin ku e plan Hij/zij kwam met het plan 30-8-2023 16:58:09 (…) [medeverdachte 2] [betrokkene 4] E ta traha na [bedrijf] Zij werkt bij de [bedrijf] 30-8-2023 16:58:21 (…) [medeverdachte 2] [betrokkene 4] Nn a lastre hombu baha trapi kune Ze hebben die man van de trap (het Gerecht begrijpt: afgesleept (van de trap afgetrokken) 30-8-2023 17:03:00 [medeverdachte 2] [betrokkene 4] E hombu su kabes a keda dal riba kada un trapi Het hoofd van die man bleef tegen elke trede slaan/bonken 30-8-2023 17:03-29 (…) (…) 16. Op 30 augustus 2023 vonden er tussen de verdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 4] ( [betrokkene 4] ) de volgende Whatsapp-gesprekken plaats, die door de verbalisant M.M.F. Ket als volgt zijn gerelateerd: “(…) Het gesprek vond plaats nadat de uitzending van RTL Boulevard een item over de vermissing van Michel [slachtoffer] had uitgezonden. (…) Afkomstig van Aan Bericht Vertaling Datum en tijd (…) [medeverdachte 2] [betrokkene 4] 12019204-2731879-1695016641330.jpg (Foto van de verdachte [medeverdachte 4]) 30-8-2023 18:15:00 [betrokkene 4] [medeverdachte 2] E tbt sa? Wist zij/hij het? 30-8-2023 18:15:06 [medeverdachte 2] [betrokkene 4] Un te a stel overdosis Zij heeft toch overdosis geregeld (klaargemaakt) 30-8-2023 18:15:19 (…) (…)” 17. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 2] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 28 mei 2024 tussen [medeverdachte 2] en Jurnalis Altagrcia Borgschot ([betrokkene 5]) in de woning van [medeverdachte 2] zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) [medeverdachte 2] = E [betrokkene 5] = N (…) N: Wie is gegaan? Ben jij gegaan? E: De andere mensen en ik zijn naar [adres 2] gegaan. (…)” 18. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 2] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 29 mei 2024 tussen [medeverdachte 2] en NN-man in de woning van [medeverdachte 2] zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 8] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) 00:03:38 [medeverdachte 2]: (…) Terwijl de kluis (ntv) [adres 6]. (…) Weet je tegenover Napa (fon) op Curaçao…Wanneer je die straat inrijdt…nou, die man had (ntv)…in dat huis (ntv). (…) slaappil. Die meid werkt vanzelf bij [bedrijf]. Ze heeft het vloeibaar gemaakt (…). (…) Ze heeft hem drugs gegeven. Ze heeft mollie gebruikt. (…) [medeverdachte 2]: Die meid heeft gezegd dat we geld in het huis zouden vinden. Wij hebben geen moer gevonden. (…) 00:06:12 [medeverdachte 2]: (…) Zij zijn…naar binnen gestapt…(ntv)…Ze begonnen hem te slaan…ze hebben hem geslagen…geslagen…geslagen…(ntv)…waar de man was (ntv) helemaal onder het bloed…gooiden hen met z’n drieën omver (…) ze sloegen de man een prik in zijn “garganta” (nek/hals) (…) Geen eens tien seconden…Toen de man begon te snurken….(ntv)… (…) “nan a bah’é for di e trapi” (ze lieten hem van de trap zakken)…Dam! Dam! Dam! (…) [medeverdachte 2]: (…) drie keer (ntv)…ze heeft mijn nicht thuis afgezet. (…) In plaats dat ik ook thuis uitstap ben ik naar [adres 2] gereden met hen. (…)” 19. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 2] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 30 mei 2024 tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 5] ([betrokkene 5]) in de woning van [medeverdachte 2] zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) E: Die meid werkte bij de [bedrijf]…[medeverdachte 4]. (…) E: (…) Ze zei tegen ons om naar het huis van die man in [adres 3] te gaan. Dus, toen liet ze mij weten dat het een semi-seks-pay was. En vanuit daar zou zij naar het huis van die man gaan in [adres 6]. (…) E: …om in de kluis te gaan. Toen we aankwamen moest de beveiliging onze id’s en onze dingen nemen. (…) E: De auto kwam toen net naar buiten. Die man toeterde en gaf de beveiliging aan: “Laat ze komen!” Ze hebben geen id’s genomen. We zijn naar binnen gegaan. (…) E: (…) De mannen begonnen drank in te schenken en zo. (ntv) Ze hebben spul in de drank van die man gegooid. Ze hebben “mol/mollie” (fon) in de drank van die man gegooid. (…) E: Het was zo, de man moest gedrogeerd worden om zo snel mogelijk bij de kluis te kunnen komen. (…) E: (…) Ze hebben mollie in zijn drank gestopt. Ze hebben er slaappil in gestopt zodat hij ging slapen. Niets! (…) E: (…) ze waren allemaal op het geld af (…) E: Die man reageerde nergens op. Hij was dronken, maar hij was goed bij. Geen enkele drugs had toen nog reactie op hem. (…) Toen zeiden wij: “Nou laten we naar huis gaan.” Maar die man zat nog steeds op [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]). Die meid zei tegen [medeverdachte 1], blijf jij maar, wij nemen alle sleutels mee en gaan naar het huis in [adres 6]. (…) We waren toen met z’n vieren vertrokken en gingen naar het huis in [adres 6]. (…) E: (…) we kwamen aan in [adres 6], geen enkele sleutel past. (…) De auto die de meid had, had ze net gehuurd, geld uitgegeven, dit gedaan, dat gedaan. Dus (…) ze moest haar geld weer eruit halen (…) 00:05:44 Ze zei: “E kos aki ta bira atrako o asesinato” (Dit wordt een overval of een moord) (…) E: Die meid, die meid die bij [bedrijf] werkte (…) E: (…) Ze wist al dat de man een kluis had in [adres 6]. In ieder geval, ik begon [medeverdachte 1] te appen. (…) Ik zei tegen haar: “Ik zeg je zo meteen wanneer we er zijn.” (…) E: Toen we daar aankwamen, Ja….[medeverdachte 1]…Ik zei tegen haar: “We zijn er. Kom naar buiten.” (…) We zaten alleen met z’n tweeën in de auto (…) [medeverdachte 1] zei tegen mij: “Wat gaat er gebeuren?” Ik zei tegen haar: “Ze gaan de man slaan om hem te laten (ntv) (…) E: Eigenlijk ben ik gekomen met de ‘tips di [adres 2]’ (tip over [adres 2]). Want er was niets anders wat ik kon doen. Om die man daar niet te vinden…er was niets anders. (…) Ik heb besloten om uit te stappen…want ik wilde de dingen beter zien. Ik kwam net aanlopen met de zaklamp die fel op hen scheen. (…) Ze waren hem aan het slaan, slaan, slaan [betrokkene 5]. (…) Ze vroegen die man naar de sleutel, vroegen die man naar de sleutel…Die man vocht met ze….Die man vocht met ze… (…) E: Die man vocht met ze, Dam! Ze sloegen de man op het hoofd. (ntv) Die meid sloeg die man een prik hier. Luister [betrokkene 5]….[betrokkene 5], minder dan 10 minuten (…) E: De man sliep…(…) Ze zeiden dat ze hem maar samen zouden dragen. Doordat de man zwaar was, konden ze hem niet dragen. Ze moesten hem slepen. (…) E: (…) Ze sleepten hem naar buiten. (…) En naarmate ze de trap afgingen deed het hoofd van de man tok (fon)…tok (fon)…(ntv)…iets wat ik gezien heb, [betrokkene 5]. (…) E: (…) Ze sloegen hem alleen zodat hij zou praten. (…) E: (…) ze sloeg die man een prik (ntv) hebben hem achter in zijn pick-up gestopt. (…) E: (…) In ieder geval zei [medeverdachte 1] tegen ons om haar thuis af te zetten: “Zet mij thuis af!” Die meid (ntv) heeft toen met (ntv) gebeld: “We zijn bijna bij [adres 2], maar we moeten de meid afzetten.” [betrokkene 5], nogmaals, in plaats dat ik samen met [medeverdachte 1] uitstap, deed ik weer nieuwsgierig en ben toch naar [adres 2] gegaan met ze. Toen kwamen we aan bij [adres 2]. (…) ik heb eigenlijk de telefoon van de Julianabrug gegooid. Toen we de brug opreden. (…) Toen we aankwamen bij [adres 2] zei ik hen: “Pon’é bou di stür pa e kos keda manera ta depressief e tabata anto ela mata” (Zet hem achter het stuur, zodat het zou lijken dat hij depressief was en doodde) (…)” 20. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 2] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 30 mei 2024 tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] in de woning van [medeverdachte 2] zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 8] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd: “(…) E: (…) op geen enkel moment was het opzettelijk (letterlijk. Vrij vertaald: de opzet) om die man te doden (…) A: Maar het opzettelijke (letterlijk. Vrij vertaald: de opzet) was wel om dingen van hem af te pakken. E: Ja. (…)” 21. De (mede)verdachte [medeverdachte 1] werd op 3 juni 2024 omstreeks 14:14 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) In 2018, september, had ik een vriendin, zij is [medeverdachte 2] (…). We zaten samen in de klas en ze zei: ‘er is een poolparty’. Ze vroeg mij om mee te gaan.(…) ik denk rond 20:00 uur vroeg [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) mij weer of ik meega naar de poolparty. (…) ik ging mee. Ze kwamen ons ophalen, (…) We gingen naar de meneer. (…) We waren met z’n vijven. (…) ik zag ze drank inschenken voor de meneer. (…) Toen zeiden ze dat ze dingen zouden gaan kopen en toen bleef ik met die meneer. (…) Toen vroeg [medeverdachte 2] aan mij, via de app, is die meneer gaan slapen. Ik zei nee, kom mij halen (…) Na een tijdje kwamen ze mij halen. Hij is met mij naar beneden gegaan, ongeveer drie treden naar beneden (…) Het duurde wel voordat hij de deur openmaakte, hij was niet stabiel, hij wankelde. (…) Ik zag drie mensen staan (…). (…) Ik stapte in de auto. [medeverdachte 2] was in de auto en ik ging zitten. (…) [medeverdachte 2] zei, ik ga kijken. Het duurde heel lang. (…) daarna kwam ze terug. En toen vertelde zij aan mij dat die man dood was gegaan. (…) Ik bleef in de auto zitten, zij bleef bij mij in de auto, na een tijdje kwam het andere meisje en ze was agressief. (…) V: Je zei eerder dat het meisje [medeverdachte 4] agressief was, hoe ging dat? A: Ze gooide de deur van de auto hard dicht en zei: shit, shit, shit!!! (…)” 22. De (mede)verdachte [medeverdachte 1] werd op 5 juni 2024 omstreeks 10:52 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Is er door anderen wel wat gedronken daar? A: Ik zag hen drank voor die meneer inschenken. De 2 mannen en [medeverdachte 4]. Die waren daar mee bezig (…) A: (…) Toen ik wegging kwam ik hun tegen bij het zwembad (…) V: Hoeveel zijn hun? A: 3 V: En wie waren dat? A: De 2 mannen en de zuster. (…)” 23. De (mede)verdachte [medeverdachte 2] werd op 12 juni 2024 omstreeks 09:41 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Hoe gingen jullie naar de woning van [slachtoffer]? A: Met [verdachte] en [medeverdachte 3]. We waren met z’n vieren in de auto. [medeverdachte 4] was er nog niet bij. (…) V: Hoe kwamen jullie binnen bij [adres 3]? A: Via de security kwamen we binnen. [slachtoffer] kwam net aanrijden en zei tegen de security laat hun doorgaan. Toen zijn we doorgereden (…) V: Hoe ging dat nu met iets door het drankje doen? Wie van de twee mannen deed dit? A: (…) de ene keer deed [medeverdachte 3] het en de andere keer [verdachte] (…) V: Wat werd er door de drank gegooid? A: (…) er was Molly en een slaappil. (…) V: Wat was de bedoeling van het drogeren? A: [medeverdachte 4] wilde dat hij in slaap zou vallen en dat zij naar het andere huis in [adres 6] zou gaan. (…) V: Waar bleef [medeverdachte 1] achter? A: [medeverdachte 4] had haar gezegd om te blijven. (…) V: Wat moest [medeverdachte 1] doen bij de man in de woning toen jullie weggingen? A: (…) Ik heb haar toen gezegd (…) dat we onderweg waren terug naar de woning. Toen ze uitstapten bij Kust Batterij zijn ze vreemd uitgestapt en zij ze alle drie uitgestapt. Ik vroeg wat is er gaande, ze zeiden je zal wel zien.(…) A: Daarvoor zijn we naar [adres 6] gegaan. We gingen eerst naar een andere huis van [slachtoffer] in [adres 6]. Als je via Napa aan de Caracasbaaiweg erin rijdt, daar in de buurt. (…) M: Via Google maps werd op aanwijzen van de verdachte [medeverdachte 2] door de [adres 4] gelopen en werd het pand waar het slachtoffer een woning in had door de verdachte herkend. (…) V: Hoe kwamen jullie aan de sleutels? A: Volgens mij had [medeverdachte 4] die binnen gepakt. Ik had sleutels daarbinnen gezien bij de woning te [adres 3]. (…) A: We waren met z’n vieren. V: Hoe wisten jullie van het bestaan van deze woning? A: [medeverdachte 4] is daar naartoe gereden (…) V: De vorige keer had jij het over een Rolex, hoe wist je dat? A: [medeverdachte 4] had gezegd dat er een Rolex daar was en geld in een kluis. (…) V: Wie zijn idee was dit om naar de andere woning te gaan? A: (…) [medeverdachte 4] kwam ons zeggen dat [medeverdachte 1] zou achterblijven en dat wij zouden gaan. V: Wie had de sleutels in zijn handen bij die andere woning in [adres 6]? A: [medeverdachte 4] is uitgestapt. (…) A: Volgens mij [verdachte] en [medeverdachte 3] ook. (…) A: Ik bleef in de auto. (…) V: Waar waren de sleutels in de auto? A: Volgens mij had [medeverdachte 4] die op een moment in haar handen en later zag ik ze in de tussenruimte bij de handrem. (…) V: Daarna zijn jullie naar de woning van [medeverdachte 4] gegaan. Wat gingen jullie daar doen? A: Ze zijn allemaal uitgestapt en volgens mij zijn ze iets gaan pakken. (…) A: (…) Daarna heeft ze gezegd dat ze een overdosis is gaan pakken of zoiets. (…) V: Wat is er besproken toen jullie terugreden naar [adres 3]? A: Zij vroegen mij om aan [medeverdachte 1] te vragen of de man al sliep. (…) V: Waren de anderen nog steeds kwaad toen ze aankwamen bij de woning in [adres 3]? A: Ja, ik geloof van wel. (…) A: Ze zijn heel snel uitgestapt. (…) V: Wie stapten uit de auto? A: [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. (…) V: Waar liepen ze naartoe? A: Ze zijn teruggegaan richting de ingang van het huis. (…) V: Wat gebeurde er toen? A: Ik heb [medeverdachte 1] een app gestuurd, we zijn aangekomen kom naar buiten. (…) A: [medeverdachte 1] is toen gekomen. Toen zei [medeverdachte 1] tegen mij dat ze zijn begonnen te vechten met de man. (…) en toen ben ik uitgestapt. Ik zei tegen haar ik ga kijken wat er gaande is. (…) A: [medeverdachte 1] bleef in de auto zitten. V: Wat gebeurde er binnen, wat zag je, wie deed wat? A: Terwijl ik er naartoe liep, zag ik [verdachte] [slachtoffer] met een vuist slaan tegen zijn hoofd. (…) [medeverdachte 3] stond daar, ik kwam aan en ik stond in de deuropening. Toen injecteerde [medeverdachte 4] [slachtoffer]. (…) V: Hoe ging het slaan op zijn hoofd? A: Een keer hard op de zijkant van het hoofd tegen de slaap. De andere arm zat rond de nek van [slachtoffer]. [verdachte] heeft hem geslagen aan de kant waar niet met de injectie geprikt is, [medeverdachte 4] had hem geprikt aan de andere kant. V: Wat gebeurde er nadat de prik gezet werd? A: Binnen tien seconden was er geen reactie meer van [slachtoffer], toen is hij gevallen. (…) Toen droegen [medeverdachte 3] en [verdachte] [slachtoffer]. (…) V: Waar ontstond de vechtpartij? A: Binnen in de woning, in de keuken. (…) V: We hebben het gehad over de vechtpartij, de injectie, wat gebeurde er toen? A: (…) [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben [slachtoffer] gedragen naar de auto. Terwijl ze aan het lopen waren met hem en de trap naar beneden gingen, bonkte het hoofd van [slachtoffer] op de trap. Op elke trede van de trap. (…) V: Wie heeft het lichaam van [slachtoffer] in de auto getild? A: [verdachte] en [medeverdachte 3]. (…) V: Waar is [slachtoffer] in de auto gelegd? A: Achterin. (…) A: Ze hadden me gevraagd of ik een plek wist en toen heb ik gezegd [adres 2]. (…) V: Hoe zijn jullie naar [adres 2] gegaan? A: We zijn de brug over gegaan en zijn gesplitst. We hebben [medeverdachte 1] thuisgebracht en ik had eigenlijk moeten uitstappen, maar ik was heel nieuwsgierig dus ben ik meegegaan. (…) V: Wat zag je toen je aankwam rijden bij [adres 2]? A: De pick-up stond er. De jongens waren al uitgestapt. [medeverdachte 4] stapte ook uit. Ze hebben [slachtoffer] uitgehaald en [medeverdachte 4] heeft geholpen om [slachtoffer] op de bestuurderstoel te zetten. (…) V: Wie waren er allemaal op [adres 2]? A: Ik, [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [verdachte]. (…) V: Wat deed jij? A: Ik bleef kijken. Ik heb ook mijn telefoonlicht aangezet om te kunnen kijken. (…) V: Hoe kwam de auto uiteindelijk in het water terecht? A: Ze hebben het in neutraal gezet en een beetje geduwd. (…) O: (…) wij hebben in jouw telefoon een chatgesprek gevonden waarin jij zegt: “Maar ik heb zijn iPhone zelf in zee gegooid”. V: Leg dit eens uit. A: [medeverdachte 4] had me de telefoon van [slachtoffer] gegeven toen we op de Julianabrug reden. [medeverdachte 4] had me gevraagd om de telefoon weg te gooien. Ik heb toen de telefoon in het water weggegooid, vanaf de Julianabrug. (…)” 24. De verdachte werd op 6 juni 2024 omstreeks 12:43 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Je zegt dat je het hele verhaal wil vertellen vanaf het begin. A: (…) Ik kan mij wel herinneren dat [medeverdachte 4] tegen mij had gezegd dat zij een oudere meneer had die bereid was te betalen voor seks en dat hij een trio wilde hebben. (…) V: Hoe zijn jullie gegaan? A: We zijn met de auto gegaan. De man stond buiten op ons te wachten. Hij was naar de portier gegaan om te zeggen dat wij zouden komen. (…) V: Wie gingen er weg? A: Ik, [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. V: Waar gingen jullie heen? A: Het huis van [medeverdachte 4]. (…) V: Wie heeft de slaappil erin gedaan? A: Volgens mij was het [medeverdachte 4]. (…) V: In welke drank ging die slaappil? A: Black Label. V: Dronk de meneer er ook van? A: Ja. (…)” 25. De verdachte werd op 12 juni 2024 omstreeks 10:45 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Wie kwam er op het idee over de afspraak met [slachtoffer]? A: [medeverdachte 4]. (…) V: Wist iedereen van tevoren wat jullie gingen doen op [adres 3]? A: Ja. V: Wat wist iedereen toen jullie gingen naar [adres 3]. Kun je dat vertellen? A: Het begon ermee dat [medeverdachte 4] zei dat ze de man in slaap zou brengen. Op dat moment zouden we kunnen zien wat we allemaal konden meenemen. (…) V: Wie heeft drogerende spullen meegenomen? A: [medeverdachte 4]. (…) V: Jullie komen aan bij de woning op [adres 3]. Dan is er een poolparty. Vertel, wat gebeurt er in en rond het zwembad? (…) A: De meneer kwam ons ophalen bij de poort. We zijn naar het huis gegaan. We zijn naar binnen gegaan. (…) V: Je bent toch naar een ander huis gegaan in [adres 6]? A: Het huis van die meneer? We zijn daar langs gegaan inderdaad. (…) V: Waarom gingen jullie naar de andere woning? A: (…) [medeverdachte 4] had gezegd dat daar een kluis was. (…) V: Je zegt dat je terugkomt bij [adres 3]. Jij stapt uit, wat doe je dan? (…) A: (…) [medeverdachte 3] was uitgestapt. Ik ging achter hem aan. (…) Daar was die man in opstand gegaan. Hij ging rebelleren tegen [medeverdachte 3]. (…) Ik ben hem gaan wurgen van achteren. (…) Daarna is [medeverdachte 4] gekomen. (…) en gaf hem toen een injectie. (…) V: Je vertelde dat [medeverdachte 4] de meneer prikte. Hoelang duurde het toen dat het leven uit het lichaam van die meneer ging? A: (…) Ik ben weggegaan en na een tijdje teruggekomen. (…) V: Waarom ging je weg? A: Ik ben toen de woning in gegaan om geld te gaan zoeken. Ik en [medeverdachte 3] zochten samen naar geld. (…) V: Wie hielpen hem om naar de auto te dragen? A: Ik maakte de deur van de pick-up open. Dat was de achterdeur (…). V: Waar lag meneer precies? A: De meneer lag achter de stoel. Daar waar je normaal met je voeten zit. (…) V: [medeverdachte 1] stapte uit, en toen? A: We zijn naar [adres 2] gegaan. [medeverdachte 4] is mij en [medeverdachte 3] weer gaan helpen. We hebben de meneer van achteren eruit gehaald. V: Hoe ging dat dan? A: We hebben hem opgetild. (…) V: Dan zit hij daar, achter het stuur? A: De stoel was achteruit gehaald zodat er genoeg ruimte was om de meneer in de bestuurdersstoel te zetten. (…) V: En toen, wie deed wat? A: (…) De auto stond in Drive. Ik deed de voet van de meneer op het gaspedaal. (…)” 26. De (mede)verdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) werd op 11 juni 2024 omstreeks 10:35 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Eerder heb je verteld dat er een vechtpartij ontstond. Wie zijn er betrokken geweest bij de vechtpartij? A: [verdachte], [medeverdachte 4] en ik. V: Wat heb jij tijdens die vechtpartij gedaan? A: Ik heb geprobeerd om die man tegen te houden. Ik heb hem met mijn handen vastgehouden want [verdachte] kon hem niet in zijn eentje aan. V: Jij komt aan bij die woning en ziet dat [verdachte] aan het vechten is en dat hij de man niet aankan. Neem ons mee in jou verhaal. A: Ze waren aan het vechten met die meneer. Ik ben gaan helpen omdat ze aan mij vroegen om te helpen. Wij waren met zijn drieën aan het vechten. Toen heeft [verdachte] de man gewurgd en heeft [medeverdachte 4] hem gestoken. (…) V: Dus jij hebt hem vastgehouden zodat [verdachte] hem kon wurgen/ A: Nee, ik heb geholpen om de man te laten praten. Ik hield de man vast zodat de man niet weg kon gaan. V: (…) Jullie stormden de woning binnen en toen? A: (…) Toen ben ik gaan helpen omdat de man los wilde. [verdachte] sloeg de man in elkaar. Toen wij aankwamen zijn wij beiden naar binnen gestormd en zijn zij gaan vechten met de man. V: Jij ook? A: Ja, ik ben ook mee gaan doen omdat ze dat tegen mij zeiden. Ik hield de man vast. [verdachte] was de man aan het slaan. Jij houdt de man vast. Omdat de man zo sterk was, liet ik de man los, toen heeft [verdachte] de man gewurgd en heeft [medeverdachte 4] de man de injectie gegeven. Jullie hebben gevraagd wie de drogerende middelen had meegenomen? [medeverdachte 4] had die meegenomen. V: Wie heeft de drogerende middelen in het drankje gedaan? A: Dat heeft [medeverdachte 4] gedaan. (…) V: Jij hebt het over het plan. Hoe is dat ontstaan? A: (…) Op de dag zelf. In de middag werd ik benaderd dat er een poolparty was. Daarna heb ik gehoord dat er een plan was van een overval. V: Wanneer op die dag? A: Dat was voordat er begonnen was met het pakken van de sleutels en zo. (…) V: (…) Wat hebben jullie gedaan nadat jullie het appartement hadden verlaten? A: Wij zijn teruggegaan naar [adres 7], naar de woning van [medeverdachte 4]. Daar had ze allerlei spulletjes, naalden en pilletjes gehaald. (…) (…) A: [medeverdachte 4] is uitgestapt, de woning ingegaan, weer teruggekomen en in de auto gestapt. (…) V: Dus jullie rijden weg bij de [adres 7]. [medeverdachte 4] heeft de injectienaald gepakt (…) Maar [verdachte] is boos. [medeverdachte 4] haalt een injectienaald en jij vraagt niet wat er gaat gebeuren? A: Iedereen was boos (…).” 27. De (mede)verdachte [medeverdachte 3] werd op 11 juni 2024 omstreeks 15:26 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: Je hebt verklaard dat [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 1] zei dat zij met de man bezig moest zijn. [medeverdachte 4] ging samen met [verdachte] de woning in en jij was met [medeverdachte 2] in de pool. Hoe wisten jullie wat jullie moesten doen? A: [medeverdachte 4] heeft de taken verdeeld. Zij heeft iedereen instructies gegeven. (…) V: Kan je ons stap voor stap meenemen? A: Wij kwamen aan bij de gate van [adres 3] en die man kwam ons tegemoet. Wij reden naar het huis achter die meneer aan. Net voordat wij uit de auto stapten, vertelde [medeverdachte 4] wat wij allemaal moesten gaan doen. [medeverdachte 1] moest de man bezighouden. [medeverdachte 4] en [verdachte] moesten samen zijn en ik en [medeverdachte 2] moesten ook samen zijn. (…) V: Je zei dat het plan daarvoor nog niet duidelijk was. Wat was er wel duidelijk? A: Dat er een poolparty was. Het plan om iemand te beroven werd mij daar pas duidelijk. (…) V: (…) wat moesten jullie doen? A: (…) Toen wij aankwamen bij de woning wisten wij pas dat wij de man wilden beroven. [medeverdachte 1] moest de man bezighouden, zodat [medeverdachte 4] en [verdachte] in de woning hun ding konden doen, konden gaan stelen. Ik was samen met [medeverdachte 2] in het zwembad. V: Is er ook besproken wat het entertainen in moest houden, wat [medeverdachte 1] moest gaan doen? A: Nee, ze moest die man gewoon vermaken. V: Jij en [medeverdachte 2] moesten in het zwembad blijven, waarom? A: Om die man in de gaten te houden en de man af te leiden. Het afleiden was volgens het plan echt de taak van [medeverdachte 1]. Maar omdat [medeverdachte 1] zo zenuwachtig was, zijn we haar gaan helpen. We hebben toen ook de man afgeleid. We hebben met hem gepraat en zo, en konden hem in de gaten houden. (…) V: Je hebt eerder verteld dat je aan kon geven waar het appartement ligt waar jullie naartoe zijn gegaan. Hoe heet de straat? (…) A: Het is de [adres 4]. (…) V: Vertel eens over het drogeren. Wie heeft dat in het drankje van [slachtoffer] gedaan? A: [medeverdachte 4] had de pil meegenomen en in het drankje van [slachtoffer] gedaan. V: Jij wordt [medeverdachte 3] genoemd toch door anderen? A: Ja, dat klopt. V: Je hebt al verklaard over dat jullie in gevecht gingen met [slachtoffer]. Wat was jouw rol geweest bij het gevecht? A: Het idee was dat ik de man zou vasthouden zodat [verdachte] de man kon slaan. [verdachte] wilde op deze manier informatie van de man. V: Waar sloeg [verdachte] hem? A: Hij sloeg hem overal. Hij sloeg hem op zijn bovenlichaam, ook op zijn hoofd. V: Wat wilde [verdachte] dan weten van de man? A: (…) waar de kluis was. (…) V: Op welke manier sloeg [verdachte] [slachtoffer]? A: Met zijn vuist. V: Hoe vaak sloeg hij [slachtoffer]? A: Tussen de 10 en 20 keer. (…) V: [verdachte] vertelt dat hij tijdens het wurgen van [slachtoffer] achterover is gevallen met [slachtoffer] en dat jij boven op hun bent gedoken. A: (…) Toen [verdachte] de man aan het wurgen was, heeft [medeverdachte 4] de man gestoken met de injectie. V: [slachtoffer]’s gezicht was flink, bebloed, wat kan je daarover vertellen? A: Hij had klappen in zijn gezicht gehad en daardoor was hij gaan bloeden. (…) A: [verdachte] hield hem in de wurggreep vast. [medeverdachte 4] liep om de man heen en stak hem in zijn schouder. (…) A: De naald zat erin, ze drukte de vloeistof leeg en haalde de spuit er weer uit. (…) V: Wat gebeurt er met [slachtoffer] toen de spuit eruit was? A: [verdachte] hield de man in een wurggreep tot de man niet meer bewoog. V: Hoe lang duurde het voordat de man niet meer bewoog? A: Dat duurde 10 tot 15 seconden. (…) V: Jullie hebben [slachtoffer] in de auto gelegd. Wie hebben dat allemaal gedaan? A: Ik, [medeverdachte 4] en [verdachte]. (…) A: Wij hebben het lichaam naar de auto gesleept en in de auto gelegd. (…) V: Dan komen jullie bij de pick-up aan. Via welke kant gaat [slachtoffer] in de auto? A: Via de linker (achter)deur van de pick-up. (…) A: [verdachte] deed de auto open met de afstandsbediening en deed daarna de deur open. (…) A: [slachtoffer] lag op de grond. (…) A: Toen heeft [medeverdachte 4] gezegd dat ik en [verdachte] mee moesten in de pick-up. (…) A: Wij zijn vertrokken met de pick-up. (…) V: Waar stond iedereen, wat deed iedereen? A: Wij parkeerden de pick-up voordat wij bij de afgrond kwamen. (…) Wij hebben de man voorin gezet en [verdachte] heeft de auto in Drive gezet en toen reed de auto langzaam de klif af. (…) V: Hebben jullie nog iets gedaan? A: (…) Vervolgens zijn wij in de [automerk/model] gestapt. V: Wie zat waar in de [automerk/model]? A: [medeverdachte 4] en [verdachte] zaten voorin (…) A: [medeverdachte 2] en ik zaten achter in de auto. (…)” 28. De (mede)verdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) werd op 5 juni 2024 omstreeks 09:40 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard: “(…) V: (…) Waar werkte je daarvoor? A: (…) Ik werkte privé, (…) [bedrijf] (…). V: Was het op voorhand de bedoeling dat jullie seks zouden hebben en [verdachte] iets zou pakken? A: Ja, de vrouwen zouden zorgen voor seks en de party, de afleiding. De mannen zouden dan de gelegenheid hebben om iets te stelen. V: Wie wisten van deze afspraak? A: Ik, [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Wij wisten eigenlijk allemaal wat we zouden gaan doen. De vrouwen zorgden dat [slachtoffer] bezet zou zijn en de mannen konden dan iets stelen. (…) A: (…) Toen ik aankwam was [verdachte] op de grond en had [verdachte] hem, [slachtoffer], bij zijn keel beet. Ik had het spuitje al in mijn hand. (…) ging het spuitje in de achterkant van zijn schouder. (…)” 29. De verdachte heeft ter terechtzitting van 11 december 2024 het volgende verklaard: “(…) Op een gegeven moment gingen we met z’n vijven naar [adres 3]. (…) [slachtoffer] was daar bij de portier om ons binnen te laten. Het aanvankelijke plan was dat iedereen seks met iemand zou hebben en door [slachtoffer] betaald zou krijgen. [medeverdachte 4] zei dat [slachtoffer] gedrogeerd zou moeten worden zodat wij rond konden kijken om spullen te pakken. (…) [medeverdachte 4] had het over slaappillen en zo. (…) Het plan om de man te laten slapen en hem te bestelen werd in de auto besproken. Na alles wat zij geprobeerd heeft om de meneer in slaap te laten vallen, is het haar niet gelukt. (…) [medeverdachte 4] zei dat de kluis die wij nodig hadden zich daar te [adres 3] niet bevond. Toen [slachtoffer] met [medeverdachte 1] ging, zijn wij ([medeverdachte 4], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en
  1. ik)in de auto gestapt en naar de woning te [adres 4] gegaan. We hadden voor het huis waar [slachtoffer] woonde gestaan. [medeverdachte 4] zei dat de kluis daar lag. Toen we naar Kustbatterij zijn gegaan, ging [medeverdachte 4] naar binnen. [medeverdachte 3] en ik gingen bij de deur staan om te vragen wat zij daar ging doen. Vervolgens zijn wij terug gegaan naar [adres 3]. Toen we terugkwamen (…) ontstond er een worsteling tussen de meneer en [medeverdachte 3]. Ik sprong van achteren op hem. (…) Op het moment dat de meneer was gevallen en ik samen met hem viel, had [medeverdachte 4] hem een injectie toegediend. (…) Zodra de naald geïnjecteerd werd, drukte zij de vloeistof in. (…) Ik denk dat toen wij naar Kustbatterij zijn gegaan, zij de injectienaald had gehaald. (…) Toen [medeverdachte 4] zei dat hij niet meer reageerde, dacht iedereen van wat doen we? (…) [medeverdachte 2] kwam met het plan om naar [adres 2] te gaan. [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en ik hebben de meneer gedragen om hem naar de pick-up te brengen. (…) Misschien bonkte zijn hoofd tegen de traptreden. Toen hij in de pick-up lag, reden we langs de portier, richting Ser’i Domi naar de Julianabrug. (…) We bleven doorrijden naar [adres 2]. [medeverdachte 4] ging [medeverdachte 1] thuis brengen. Vervolgens kwam zij samen met [medeverdachte 2] naar [adres 2]. (…) We hadden de meneer van de achterbank gehaald en hem op de bestuurdersstoel gezet. Vervolgens hebben wij zijn veiligheidsgordel omgedaan. Dit deden we op aanwijzing van [medeverdachte 4], die wilde dat het op zelfmoord zou lijken. (…) [medeverdachte 3] deed de handrem los. Toen reed de auto het water in. (…) De rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was om seks met de meneer te hebben om hem af te leiden. (…) [slachtoffer] moest slapen voordat we rondliepen. [medeverdachte 4] maakte de dranken. [slachtoffer] dronk Black (whiskey). Ik weet niet of er iets in de drank is gezet. [medeverdachte 4] zou daarvoor zorgdragen. (…) Mijn rol was om zodra de meneer slaapt, op zoek te gaan naar spullen. (…) Toen [medeverdachte 4] zag dat de meneer niet ging slapen, zijn wij weggegaan. Tegen [slachtoffer] werd gezegd dat we weggingen. De buit zou tussen ons vijven worden verdeeld. [medeverdachte 4] had in de auto gezegd dat alles wat we mee zouden nemen, tussen ons vijven zou worden verdeeld. Dat zei ze toen we vanuit [adres 3] naar de woning te [adres 4] gingen. (…)” Bewijsoverwegingen De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte die in 2018 slechts 16 jaar oud was, een liefdesrelatie met de toen 27-jarige verdachte [medeverdachte 4] had. Het plan van de verdachte [medeverdachte 4] was om het slachtoffer te drogeren zodat zij hem konden bestelen. Het slachtoffer was niet in slaap gevallen, ze hebben niets uit de woning te [adres 3] weggenomen en de woning te [adres 4] zijn ze niet binnengegaan, daar [medeverdachte 4] niet over de sleutels van deze woning beschikte. Toen ze vervolgens naar de woning van de verdachte [medeverdachte 4] zijn gereden, was de verdachte [medeverdachte 4] alleen naar binnen gegaan. Op de vraag van de verdachte aan de verdachte [medeverdachte 4] van wat zij is gaan doen, kreeg hij als antwoord: “rustig”. Vervolgens reden ze terug naar [adres 3]. Eenmaal te [adres 3] kreeg de verdachte [medeverdachte 3] ruzie met het slachtoffer, waarbij de verdachte de verdachte [medeverdachte 3] te hulp schoot en het slachtoffer in een wurggreep had vastgehouden zodat het slachtoffer de verdachte [medeverdachte 3] met rust zou laten. Echter vielen de verdachte en het slachtoffer op de grond: de verdachte lag op de grond en het slachtoffer lag op hem. De verdachte kon het slachtoffer derhalve niet overmeesteren; het slachtoffer vocht terug. Vervolgens kwam de verdachte [medeverdachte 4] plotseling aan en gaf het slachtoffer een (dodelijke) injectie in diens nek. Het slachtoffer werd daar meteen slap van. Iedereen raakte in paniek nadat de verdachte [medeverdachte 4] geconstateerd had dat het slachtoffer was overleden. De verdachte [medeverdachte 2] is dan met het idee gekomen om het lichaam van het slachtoffer naar [adres 2] te brengen, wat zij uiteindelijk ook hebben gedaan. De raadsvrouw benadrukt dat de verdachte niet wist dat de verdachte [medeverdachte 4] een injectie aan het slachtoffer zou toedienen; onderweg naar [adres 3] werd er niets over een spuitje gesproken. Ook de inhoud van het spuitje was voor de verdachte onbekend. Daar kan de verdachte niet verantwoordelijk voor worden gesteld. De doodsoorzaak die op grond van het forensisch rapport niet kan worden vastgesteld, blijkt ook niet uit het toedoen van de verdachte. Naast de verdachte hebben ook de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verklaard dat het slachtoffer na door de verdachte [medeverdachte 4] te zijn geïnjecteerd slap werd en levenloos op de grond viel. Met andere woorden heeft de verdachte [medeverdachte 4] het slachtoffer om het leven gebracht. Ook al zou de verdachte [medeverdachte 4] niet de dodelijke injectie aan het slachtoffer hebben toegediend – quod non – dan geldt dat er zijdens de verdachte geen sprake was geweest van opzet op de dood van het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke zin. Het wurgen door de verdachte van het slachtoffer zou nimmer tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. De verdachte die toen 16 jaar oud en kort van gestalte was, had het 53-jarige slachtoffer dat veel groter en sterker was nooit dodelijk hebben kunnen wurgen of slaan. Het is de verdachte [medeverdachte 4] die voor de dood van het slachtoffer verantwoordelijk moet worden gesteld. Van een gezamenlijke uitvoering is er derhalve geen sprake. Daarmee kan ook het medeplegen niet worden bewezen verklaard. De verdachte was niet op de hoogte van de intenties van de verdachte [medeverdachte 4] en had daaraan aldus geen actieve bijdrage kunnen leveren. De omstandigheid dat de verdachte zich inliet met een diefstal betekent niet dat hij diende te begrijpen dat daarbij dodelijk geweld zou worden gebruikt. Er is aldus onvoldoende verband tussen het opzet van de verdachte (de diefstal) en de doodslag wat het gronddelict in deze zaak is, aldus nog steeds de raadsvrouw. Het Gerecht overweegt als volgt. Algemeen Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is het volgende buiten redelijke twijfel komen vast te staan. Het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) werd zowel op 14 als 15 september 2018 als vermist aangemeld. Hij zou op 12 september 2018 samen met de pick-up, een [automerk/model], voorzien van het kenteken [kentekennummer] (hierna: het voertuig), spoorloos zijn verdwenen, en zou ten tijde van de vermissing in de woning te [adres 3] hebben verbleven. Tijdens de op 16 september 2018 in de woning te [adres 3] gedane forensische opsporing zijn 32 sporen, waaronder een lege fles whisky (Black Label) veiliggesteld. In de (resterende) vloeistof uit die fles whisky zijn de drogerende of bedwelmende geneesmiddelen promethazine en codeïne aangetoond. Op 5 juli 2019 werd een voertuig op de bodem van de zee aan de Noordkust ter hoogte van [adres 2] aangetroffen. Dit voertuig bleek de vermiste [automerk/model] te zijn. Het voertuig werd op 17 juli 2019 uit de zee gehaald. In het voertuig werden botresten aangetroffen, die na DNA-onderzoek van het slachtoffer bleken te zijn. Op 12 september 2018 heeft een ontmoeting tussen de verdachte en het slachtoffer op [adres 3] plaatsgevonden, waarbij het (aanvankelijk) om een seks-poolparty ging. Daarbij waren aanwezig de verdachte en de (mede)verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]. Volgens de verklaringen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kwam de verdachte [medeverdachte 4] met het plan om het slachtoffer te beroven en had zij dat plan pas toen ze op [adres 3] waren aan hen meegedeeld. Iedereen kreeg een taak toebedeeld. De meiden moesten het slachtoffer met seks afleiden, zodat de mannen het slachtoffer konden bestelen. Hiervoor moest het slachtoffer worden gedrogeerd, zodat hij in slaap zou vallen en zij hem konden bestelen. Er is slaappil en/of molly aan de drank van het slachtoffer toegevoegd. Aan de whisky werden promethazine en codeïne toegevoegd. Op een gegeven moment is de verdachte ter uitvoering van het berovingsplan samen met de verdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] met de in de woning te [adres 3] weggenomen sleutels naar de woning van het slachtoffer aan de [adres 4] vertrokken. Dit met het doel om bij een volgens de verdachte [medeverdachte 4] daar aanwezige kluis te komen. De door hen meegenomen sleutels pasten niet. In de tussentijd is de verdachte [medeverdachte 1] alleen met het slachtoffer achtergebleven. Zij onderhield telefonisch contact met de verdachte [medeverdachte 2] om door te geven of het slachtoffer al dan niet in slaap was gevallen. Voormelde poging om het huis binnen te dringen, wekte grote boosheid bij de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [medeverdachte 4] toen heeft gezegd: “Dit wordt een overval of een moord.” Hierna gingen ze naar het huis van de verdachte [medeverdachte 4]. Daar had de verdachte [medeverdachte 4] naalden en pilletjes c.q. nog meer drogerende middelen gehaald. Vervolgens reden ze terug naar de woning te [adres 3]. Bij terugkomst te [adres 3] ging de verdachte [medeverdachte 1] bij de verdachte [medeverdachte 2] in de auto zitten. De verdachte ging samen met de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] het huis binnen. Het slachtoffer werd door de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] aangevallen en overmeesterd. Er ontstond een gevecht. Tijdens het gevecht werd het slachtoffer door zowel de verdachte als de verdachte [medeverdachte 3] gewurgd en door de verdachte geslagen. Volgens ook de verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] die op een gegeven moment van dichtbij is gaan kijken, had de verdachte [medeverdachte 4] het slachtoffer met een stof geïnjecteerd waarna het slachtoffer daar slap van werd. De verdachte [medeverdachte 2] heeft het idee opgeworpen om naar [adres 2] te gaan. Het lichaam van het slachtoffer werd door de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] gezamenlijk naar het voertuig gedragen c.q. versleept en achterin geplaatst. Vervolgens zijn de verdachte en de verdachte [medeverdachte 3] in het voertuig naar [adres 2] gereden. De verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn samen met de verdachte [medeverdachte 4] in haar huurauto vertrokken. Onderweg naar [adres 2] zijn zij over de Julianabrug gereden. De verdachte [medeverdachte 2] heeft de telefoon van het slachtoffer vanaf de Julianabrug in zee geworpen. Vervolgens werd de verdachte [medeverdachte 1] thuis gebracht. De verdachte [medeverdachte 4] is samen met de verdachte [medeverdachte 2] naar [adres 2] gereden, waar zij zich bij de verdachte en de verdachte [medeverdachte 3] hadden aangesloten. Bij [adres 2] werd het slachtoffer op de bestuurdersstoel van het voertuig geplaatst. Vervolgens werd het voertuig in ‘Drive’-stand gezet en is het de zee ingereden. Diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende (feit 2) Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit overweegt het Gerecht dat het wettig en overtuigend bewezen kan worden, voor zover het ziet op de diefstal van een aantal sleutels, een telefoon en het voertuig. Uit de bewijsmiddelen leidt het Gerecht af dat er sprake was van twee afzonderlijke diefstalmomenten, waarbij telkens geweld tegen het slachtoffer werd gebruikt. Het eerste diefstalmoment betreft het wegnemen van de sleutels van het slachtoffer, ter uitvoering van het plan om op zoek te gaan naar een kluis in het door het slachtoffer bewoonde appartement aan de [adres 4] en zich de inhoud daarvan wederrechtelijk toe te eigenen. Daarvoor werd het slachtoffer via zijn drank gedrogeerd. Hierbij hebben de verdachte en de andere verdachten onmiskenbaar getracht het slachtoffer in een staat van bewusteloosheid of onmacht te brengen, hetgeen ingevolge artikel 1:199 van het Wetboek van Strafrecht gelijkgesteld wordt met het plegen van geweld. Het wegnemen van de sleutels was een essentieel middel om toegang te verkrijgen tot de kluis en de daarin beweerdelijk aanwezige waardevolle goederen. Dit handelen vormt een voltooid strafbaar feit, ongeacht het feit dat het beoogde doel – toegang tot de kluis en het stelen van de inhoud daarvan – niet is gerealiseerd. Het tweede diefstalmoment deed zich voor bij de terugkomst van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] te [adres 3], waarbij zij het slachtoffer hadden mishandeld teneinde informatie over de kluis te verkrijgen. Tijdens en/of direct na deze mishandeling hebben zij wederrechtelijk de telefoon en het voertuig van het slachtoffer weggenomen. Deze cumulatieve gedragingen, gekenmerkt door geweld en wederrechtelijke toe-eigening, duiden op diefstal met geweld. Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde strafverzwarende gevolg van het handelen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], te weten: het overlijden van het slachtoffer, is niet vereist dat sprake is van opzet van de verdachte op dat gevolg. Bij het strafverzwarende gevolg als bedoeld in artikel 2:291, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat het immers om een geobjectiveerd bestanddeel, dat aan de opzeteis is onttrokken. Wel is vereist dat het gevolg redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. Voor die toerekening dient in dit geval naast een causaal verband sprake te zijn van enige mate van voorzienbaarheid. Doodsoorzaak Het Gerecht ziet zich gesteld voor de vraag wat de doodsoorzaak van het slachtoffer is. De officier van justitie komt tot de tussenconclusie dat de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] het slachtoffer hebben geslagen, gewurgd en geïnjecteerd, waardoor het slachtoffer opzettelijk van het leven is beroofd (zie pagina 13 requisitoir). Dat het slachtoffer – daardoor – is overleden, onderbouwt de officier van justitie als volgt: ‘Wat duidelijk is geworden is dat na de tweede geweldsepisode [slachtoffer] is overleden. [slachtoffer] is overleden nadat [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 3] de woning zijn binnengestormd, nadat zij onverrichte zaken terugkeerden naar [adres 3]. [medeverdachte 2] kwam niet veel later erbij staan met de zaklamp die, zoals zij zelf zegt, fel op hen scheen. [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 3] verklaren alle vier dat [slachtoffer] meermalen is geslagen, verwurgd en daarna met een spuit is geïnjecteerd. In deze spuit zou molly zitten, nadat hij al reeds andere middelen toegediend had gekregen. Alle vier hebben verklaard dat na het verwurgen en injecteren, [slachtoffer] niet meer in leven was. [medeverdachte 4] heeft gevoeld voor een hartslag, maar constateerde dat [slachtoffer] die niet meer had en dus was overleden. [slachtoffer] hapte eerst nog naar lucht en stopte toen met ademhalen. Later, bij [adres 2], heeft [verdachte] ook gevoeld of [slachtoffer] nog hartslag had. Dat was niet het geval. [medeverdachte 2] verklaarde dat [slachtoffer] paars was aangelopen. Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zij bij [adres 2], nadat ze het licht van haar telefoon heeft aangezet, zag dat zijn gezicht groot en opgezwollen was en ze hoorde zeggen dat [slachtoffer] heel zwaar geworden was.’ (requisitoir pagina 11 en 12). Uit de conclusies van de forensisch patholoog blijkt echter dat de doodsoorzaak van het slachtoffer niet kan worden vastgesteld. Dit brengt met zich dat het, in tegenstelling tot het standpunt van de officier van justitie, niet (zonder meer) wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het slachtoffer als gevolg van het drogeren, het fysieke geweld door de verdachte en de verdachte [medeverdachte 3] en/of de door de verdachte [medeverdachte 4] toegediende injectie is komen te overlijden. Immers, zulks is door een medisch deskundige niet vastgesteld. Dat het slachtoffer kennelijk in de beleving van de verdachten bij aankomst op [adres 2] al was overleden, brengt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Op grond van de geldende wet- en regelgeving is een geneeskundige bevoegd om het overlijden van een persoon vast te stellen. Het Gerecht overweegt in dit verband dat geen van de verdachten beschikt over medische bevoegdheid of deskundigheid om op medisch verantwoorde wijze de dood vast te stellen. Bovendien impliceert de subjectieve en niet-gekwalificeerde waarneming van de verdachten niet dat er sprake was van een medische of feitelijke doodstoestand op dat moment. Hoewel het in de omstandigheden van het geval wellicht minder waarschijnlijk is, is het in theorie en in de praktijk mogelijk dat het slachtoffer, terwijl hij in kennelijke staat van bewusteloosheid verkeerde, nog wel in leven was voordat hij in het voertuig te water werd gelaten. Indien er veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat het slachtoffer klinisch gezien nog in leven was toen men bij [adres 2] aankwam, kan het echter niet anders zijn dan dat hij in ieder geval uiteindelijk om het leven is gekomen op het moment dat hij in de [automerk/model] in de zee terecht is gekomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het Gerecht van oordeel dat de dood van het slachtoffer onmiskenbaar is toe te rekenen aan de gedragingen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], ook indien met de officier van justitie zou worden geconcludeerd dat het slachtoffer al vóór het te water gaan was overleden. Het behoeft immers geen betoog dat het drogeren en met fors geweld mishandelen van een persoon, en het lichaam van het reeds overleden, zo niet, in kennelijke staat van bewusteloosheid verkerende slachtoffer in een voertuig plaatsen en het vervolgens te zee laten van dit voertuig een situatie creëert waarin het overlijden van het slachtoffer naar objectieve maatstaven voorzienbaar en onvermijdelijk is. Het gedrag van de verdachte en voornoemde medeverdachten, vormt daarmee een directe en causale schakel met diens overlijden. Voor de verdachte [medeverdachte 2] geldt bovendien dat zij zich niet heeft gedistantieerd ten tijde van het drogeren, slaan, wurgen en injecteren van het slachtoffer; sterker nog, zij is degene die met het idee kwam om (het volgens haar dode) lichaam van het slachtoffer in de zee bij [adres 2] te gooien, waarbij zij ook aanwezig was. Bijna een jaar later is het desbetreffende voertuig met daarin de beenderen van het slachtoffer uit de zee gehaald. Gezien het voorgaande acht het Gerecht bewezen dat de gewelddadige dood van het slachtoffer aan de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kan worden toegerekend. Gekwalificeerde doodslag (feit 1) Door de verdediging is betwist dat sprake is van gekwalificeerde doodslag, nu de verdachte geen opzet had op de dood van het slachtoffer. Hij wist niet dat de verdachte [medeverdachte 4] een dodelijke injectie aan het slachtoffer zou toedienen, waaraan hij geen actieve bijdrage heeft geleverd. Het is de verdachte [medeverdachte 4] die daarom verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer. Er is dan ook onvoldoende verband tussen het opzet van de verdachte (diefstal) en de doodslag, wat het gronddelict is, aldus nog steeds de raadsvrouw. Nu al eerder is overwogen dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van het op hem door de verdachte en de andere verdachten uitgeoefende geweld, is sprake van doodslag. De aan de verdachte toe te rekenen massale gewelduitoefening is immers naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het Gerecht bewezen acht dat de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] willens en wetens en dus opzettelijk hebben gehandeld. Met betrekking tot de vraag of de bewezenverklaarde doodslag onder de strafverzwarende omstandigheden heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2:260 van het Wetboek van Strafrecht, overweegt het Gerecht als volgt. De kern van deze strafbaarstelling bestaat uit een doodslag die in een onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft: het andere feit, ook wel aangeduid als oorsprongsfeit, in dit geval: diefstal met geweld (de dood ten gevolge hebbende) moet de doodslag in zo’n mate vergezellen of van nabij volgen of daaraan voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het (bijkomende) oogmerk van de verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijker maken van – of kort gezegd straffeloosheid verzekeren voor – dat andere (oorsprongs-)feit. Het Gerecht kan aan het handelen van de verdachte en de andere verdachten geen andere conclusie verbinden dan dat de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met het doden van het slachtoffer het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk hebben gehad de diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat nadat het slachtoffer, in ieder geval in de beleving van de verdachten was overleden, de verdachte samen met de verdachte [medeverdachte 3] in de woning op zoek gingen naar spullen om te stelen. Vast staat dat de verdachten het voertuig en de telefoon van het slachtoffer hebben meegenomen. Dat zij onderweg naar [adres 2] de telefoon vanaf de brug in de zee hebben gegooid en het voertuig hebben gebruikt om het lichaam van het slachtoffer daarin te water te laten, doet aan de diefstal met geweld en het daaraan voorgaande handelen niets af. Medeplegen Met betrekking tot het medeplegen is het Gerecht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte op nauwe en bewuste wijze heeft samengewerkt met de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]. Hoewel uit het dossier niet duidelijk blijkt dat de verdachten van tevoren concrete afspraken hebben gemaakt en van een gezamenlijk plan van aanpak niet is gebleken, zijn zij wel samen naar de woning van het slachtoffer gegaan en hebben zij allen – voor wat betreft hun aandeel in het geheel – een actieve bijdrage geleverd door gezamenlijk en gelijktijdig uitvoeringshandelingen te verrichten, waarbij de uitvoeringshandelingen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] uiteindelijk hebben geleid tot de dood van het slachtoffer. Het bewijs van medeplegen is in de onderhavige zaak tegen de verdachte hiermee geleverd. Conclusie ten aanzien van feit 1 en feit 2 Het Gerecht acht op grond van het handelen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zoals dat hiervoor is beschreven de onder 1 tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag op het slachtoffer en de onder 2 tenlastegelegde diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende dan ook wettig en overtuigend bewezen. Wegmaken lijk (feit 3) Met de officier van justitie en de raadsvrouw is het Gerecht van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in nauwe en bewuste samenwerking het lichaam van het reeds overleden, zo niet, in kennelijke staat van bewusteloosheid verkerende slachtoffer in het voertuig hebben geplaatst en dit voertuig in zee hebben laten rijden. Als reeds overwogen staat medisch gezien niet vast dat het slachtoffer reeds was overleden op het moment dat men te [adres 2] aankwam. Dat op dat moment sprake was van een “lijk” als zodanig, kan derhalve niet worden vastgesteld. Hoe het ook zij: met hun handelen hebben de verdachte en de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] het – in ieder geval in hun beleving – lijk en, indien het slachtoffer op dat moment nog in leven was, het lichaam van het slachtoffer weggemaakt en daarmee uitvoering gegeven aan hun intentie dat het lijk van het slachtoffer dat op dat moment, indien nog in leven, hoe dan ook om het leven zou komen, nooit meer zou worden gevonden, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. De verweren worden verworpen. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in de artikelen 2:259 en 2:260 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd: Medeplegen van doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijker te maken. Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:288 juncto artikel 2:289 juncto artikel 2:291 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:94 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd: Medeplegen van het wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Oplegging van straf De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – gelet op de ernst van het feit en de persoonlijkheid van de verdachte – de verdachte volgens het volwassenenstrafrecht moet worden veroordeeld. Het gaat om dusdanig schokkend en ernstige feiten, waarbij de rol van de verdachte groot is. Hij had een initiërende rol bij de toepassing van geweld op het slachtoffer en had daarbij het meeste geweld gebruikt. Voorts was de verdachte bij aanvang van de vervolging al ouder dan 18 jaar. Het accent van het jeugdstrafrecht, gelet op het volwassen leven dat hij leidt en ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leidde, is thans niet meer zinvol. Er zijn tevens aanwijzingen dat de verdachte bezig was met de handel in verdovende middelen. Ook was hij kort na de onderhavige feiten gedetineerd geweest voor een overval en vuurwapenbezit. De verdachte lijkt bewust te hebben gekozen voor het criminele pad. Ook zijn berekenende houding geeft zijn pro-criminele houding weer. Gelet op het voorgaande sluit de officier van justitie zich aan bij hetgeen de psychiater over de verdachte heeft geadviseerd inhoudende dat de verdachte inmiddels meerderjarig is en pedagogisch niet beïnvloedbaar lijkt te zijn. De raadsvrouw onder verwijzing naar het rapport van de psycholoog bepleit dat ten aanzien van de verdachte het jeugdstrafrecht zal worden toegepast. Het Gerecht overweegt als volgt. Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het Gerecht stelt voorop dat ten aanzien van de verdachte in beginsel het jeugdstrafrecht voor toepassing in aanmerking komt, omdat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten een 16-jarige jeugdige was. Uit artikel 1:158 van het Wetboek van Strafrecht volgt, dat van voormeld uitgangspunt kan worden afgeweken indien de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van de dader alsmede de omstandigheden waaronder het feit is begaan nopen tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Aldus hebben voormelde omstandigheden die kunnen maken dat van het uitgangspunt van toepassing van het minderjarigenstrafrecht kan worden afgeweken als cumulatief te gelden. In de onderhavige zaak is onmiskenbaar sprake van zeer ernstige strafbare feiten. Het behoeft geen betoog dat de ernst van bedoelde feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan, alsmede de gevolgen daarvan verschrikkelijk zijn. De verdachte is samen met de andere verdachten in de woning waar het slachtoffer verbleef gegaan, hebben het slachtoffer misleid, gedrogeerd, mishandeld en beroofd, niet alleen van zijn goederen, maar ook van zijn leven. Iemand doden is een onomkeerbare daad. Het biedt geen ruimte voor herstel en dieper ingrijpen in het leven van een ander is niet mogelijk. Het Gerecht rekent de verdachte niet alleen aan dat hij en de andere verdachten het slachtoffer hebben beroofd en hem op gruwelijke wijze om het leven hebben gebracht en zich hebben ontdaan van zijn lichaam, maar ook dat zij hebben afgesproken om dit hele gebeuren stil te houden. Hiermee heeft de verdachte de grote onzekerheid en zorg waarin de familie van het slachtoffer verkeerde onnodig lang laten voortduren. De ouders van het slachtoffer hebben tot aan hun overlijden in diep verdriet moeten leven, gekweld door het feit dat de daders niet zijn achterhaald. Ook hebben de verdwijning/dood en de manier waarop het slachtoffer om het leven is gebracht tot grote beroering in de samenleving geleid. Het Gerecht neemt dit alles de verdachte zeer kwalijk. Naast de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, heeft het Gerecht bij zijn oordeel te betrekken wat over de persoonlijkheid van de verdachte is gebleken. Deze persoonlijkheid in ogenschouw nemend is er onvoldoende grond om af te wijken van wat het Gerecht tot uitgangspunt heeft te nemen, namelijk berechting van de verdachte op grond van de regels van het minderjarigenstrafrecht. In het bijzonder heeft het Gerecht daarbij acht geslagen op het navolgende. De psychiater [psychiater] heeft in zijn rapport van 9 december 2024 onder voorbehoud gerapporteerd over de persoonlijkheid van de verdachte, daarbij overwegende dat het moeilijk is om uitspraken te doen over zijn persoonlijkheidstoestand ten tijde van het delict, gezien het tijdsverloop van 6 jaar. In zijn rapport heeft hij uiteengezet dat er bij de verdachte geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische stoornis en dat hij volledig toerekeningsvatbaar is. Ten aanzien van de recidivekans acht de psychiater het moeilijk hier een eenduidig oordeel over te geven, maar merkt op dat de verdachte na het onderhavige feit nog tweemaal in aanraking is gekomen met justitie. Wel stelt hij vast dat de verdachte na zijn laatste vrijlating in januari 2024 werk had gevonden en richting het goede pad leek te gaan. De psychiater laat de vraag welk strafrecht moet worden toegepast aan het oordeel van het Gerecht over, maar overweegt dat de verdachte ten tijde van het delict minderjarig was en dat hij destijds zonder meer volgens het jeugdstrafrecht zou zijn berecht. Nu de verdachte inmiddels meerderjarig is, een volwassen leven leidt met werk en een kind, acht hij begeleiding door de jeugdreclassering gericht op scholing en pedagogische beïnvloeding niet langer zinvol. De psychologen [psychologen] hebben in hun rapport van 23 juli 2024 uiteengezet dat er bij de verdachte, ondanks zijn benedengemiddelde intelligentie, geen aanwijzingen zijn voor een specifieke psychische stoornis. De verdachte wordt als volledig toerekeningsvatbaar beoordeeld. De recidivekans wordt door hen als matig geschat. Ten aanzien van de toepasselijkheid van het strafrecht geven de psychologen aan dat er sterke argumenten zijn om te concluderen dat het meerderjarigenstrafrecht niet passend is. Zij baseren dit op de ontwikkeling van de verdachte en de omstandigheden ten tijde van het delict. De verdachte was op dat moment 16 jaar oud, een leeftijd waarop het brein en de emotionele vaardigheden van een individu nog in een kritieke ontwikkelingsfase verkeren. Jongeren van deze leeftijd bevinden zich in een fase van belangrijke neurologische en emotionele ontwikkeling. De prefrontale cortex, die verantwoordelijk is voor impulscontrole, risicobeoordeling en het nemen van weloverwogen beslissingen, is nog niet volledig ontwikkeld. Dit verklaart deels zijn neiging tot impulsieve beslissingen en beperkt risicobewustzijn, eigenschappen die in lijn zijn met adolescenten van deze leeftijd. Daarnaast heeft de verdachte een IQ-score van 76, wat duidt op cognitieve beperkingen die zijn vermogen beïnvloeden om complexe situaties te begrijpen en gepast te reageren op stress en beslissingsprocessen. Het meerderjarigenstrafrecht, dat vaak is gericht op strengere straffen en verantwoordelijkheidsnormen, houdt mogelijk onvoldoende rekening met deze cognitieve beperkingen. Het jeugdstrafrecht daarentegen biedt programma's en interventies die beter aansluiten bij de ontwikkelingsfase van jongeren met dergelijke beperkingen, zodat een adequate begeleiding en ondersteuning in zijn rehabilitatie mogelijk is. Bovendien vertoont de verdachte volgens de psychologen nog steeds eigenschappen en gedragskenmerken die wijzen op onvolgroeide emotionele en cognitieve functies, hetgeen bevestigt dat het jeugdstrafrecht een passend kader biedt. In wat over de persoonlijkheid van de verdachte is gebleken, ziet het Gerecht geen grond om af te wijken van het uitgangspunt dat het sanctiestelsel voor minderjarigen wordt toegepast. De psychologen hebben gerapporteerd dat de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte ten tijde van het delict nog niet was volgroeid en dat hij nog steeds eigenschappen en gedragskenmerken vertoont die wijzen op onvolgroeide emotionele en cognitieve functies. Dat de verdachte thans een volwassen leven leidt, acht het Gerecht onvoldoende doorslaggevend. Zoals eerder overwogen, moeten de omstandigheden die afwijking van het uitgangspunt rechtvaardigen cumulatief worden beschouwd. In het onderhavige geval kan de persoonlijkheidstoestand van de verdachte ten tijde van het delict, mede gelet op het tijdsverloop, niet met alle zekerheid worden vastgesteld. Dit brengt mee dat het Gerecht geen aanleiding ziet om af te wijken van het uitgangspunt dat het minderjarigenstrafrecht van toepassing is. Het Gerecht heeft tevens acht geslagen op de documentatie van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Er is derhalve geen indicatie dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan dusdanige strafbare feiten of dat er een zodanig recidiverisico bestaat dat toepassing van het meerderjarigenstrafrecht geboden is. Dat de verdachte zich zou inlaten met het slikken van bolletjes en met de handel in verdovende middelen, leidt niet tot een ander oordeel, nu de verdachte niet strafrechtelijk is vervolgd ter zake van die vermeende feiten. Het Gerecht houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze blijken uit het rapport van de reclassering van 5 december 2024. Het Gerecht overweegt dat gekwalificeerde doodslag een ernstig strafbaar feit betreft, waarop ingevolge artikel 2:260 van het Wetboek van Strafrecht levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren is gesteld. Op grond van artikel 1:165, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafrecht, kan aan jeugdigen die ten tijde van het plegen van het strafbare feit de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, maar nog niet de leeftijd van 18 jaar, een maximale jeugddetentie van 4 jaren worden opgelegd. Dit geldt in gevallen waarin het gepleegde feit is bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal 24 jaar dan wel levenslange gevangenisstraf. Nu het onderhavige feit onder de strafbepaling van artikel 2:260 van het Wetboek van Strafrecht valt en de verdachte ten tijde van het delict 16 jaar oud was, kan – gelet op de ernst van het bewezenverklaarde – naar het oordeel van het Gerecht niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een vrijheidsbenemende jeugddetentie van maximale duur. Echter, teneinde de interventie van de reclassering, zoals door de psychologen is geadviseerd, mogelijk te maken en de verdachte te begeleiden en te ondersteunen bij zijn herintegratie in de samenleving, zal een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd. Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een jeugddetentie voor de duur van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:21, 1:133, 1:158, 1:165, 1:180, 1:181 en 1:182 en 1:189 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het Gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de 48 (achtenveertig) maanden; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht; bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd; als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte een reclasseringsprogramma volgt waarbij hij wordt begeleid en ondersteund bij zijn herintegratie in de maatschappij, ook als dat inhoudt dat de verdachte therapieën en trainingen gericht op gedragsveranderingen moet volgen. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, griffier, en op 26 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao. Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(
  2. en)in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Divisie Georganiseerde Criminaliteit) d.d. 7 oktober 2024, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 202409280833.EIND en de onderzoeksnaam “SHUT”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 1381 en het Forensisch dossier Cactus 21 van de Politie Den Haag (Dienst Regionale Recherche, Afdeling Specialistische Ondersteuning, Team Forensische Opsporing) d.d. 13 november 2024, geregistreerd onder het zaaknummer 2022277347, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 148. Informatie rapport d.d. 16 september 2018, dossierpagina’s 69-76. Proces-verbaal verzamelen van sporen in verband met een vermiste persoon d.d. 12 juli 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-129, dossierpagina’s 118 – 121. Proces-verbaal ontvangst inbeslaggenomen goederen [adres 3] Curaçao en overdracht aan FO d.d. 15 augustus 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-029, dossierpagina’s 122 – 125. Proces-verbaal bevindingen overdracht sporen [adres 3] Willemstad d.d. 12 augustus 2023, geregistreerd onder proces-verbaalnummer PL1500-2022277347-3, dossierpagina’s 61-67, afkomstig van het Forensisch dossier Cactus 21. Schriftelijk bescheid, te weten: een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 29 maart 2024, geregistreerd onder zaaknummer 2020.01.14.297, dossierpagina’s 143-148, afkomstig van het Forensisch dossier Cactus 21. Proces-verbaal van bevinding en verrichting d.d. 25 september 2019, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2019.09.225.0957.AMB, dossierpagina’s 66A-67. Schriftelijk bescheid, te weten: een forensisch rapport d.d. 24 juli 2019, dossierpagina’s 135 – 141. Proces-verbaal verzamelen DNA-spoormateriaal ten behoeve van DNA vergelijkend onderzoek d.d. 3 december 2019, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 293/2019, dossierpagina’s 147 – 148. Schriftelijk bescheid, te weten: een NFI-rapport inzake een DNA-verwantschapsonderzoek d.d. 6 februari 2020, dossierpagina’s 149 – 151. Proces-verbaal OVC uitwerking 30-08-2023 [adres] te Rotterdam d.d. 6 september 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-039, dossierpagina’s 298 – 300. Proces-verbaal OVC uitwerking 31 augustus 2023 woning [adres] te Rotterdam d.d. 2 oktober 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-055, dossierpagina’s 301 – 307. Proces-verbaal OVC uitwerking 2 september 2023 [adres] te Rotterdam d.d. 30 oktober 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-049, dossierpagina’s 318 – 330 Proces-verbaal OVC uitwerking 12 september 2023, woning [medeverdachte 1], [adres] te Rotterdam d.d. 30 oktober 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-063, dossierpagina’s 331 – 336. Proces-verbaal OVC uitwerking 1 september 2023, woning [medeverdachte 2], [adres] te Zwijndrecht d.d. 20 november 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-094, dossierpagina’s 362 - 368. Proces-verbaal PvB chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afkomstig uit Dump telefoon [medeverdachte 1] d.d. 18 oktober 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-078, dossierpagina’s 431 – 446. Proces-verbaal gesprek [medeverdachte 2] met [betrokkene 4] via Snapchat d.d. 29 oktober 2023, geregistreerd onder documentcode AMB-090, dossierpagina’s 498 – 506. Proces-verbaal Whatsapp chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en *8812/S.A.K. Eisden d.d. 25 april 2024, geregistreerd onder documentcode AMB-103, dossierpagina’s 507-527. Proces-verbaal OVC 28 mei 2024/ [adres] te Zwijndrecht d.d. 23 juli 2024, geregistreerd onder documentcode AMB-165, dossierpagina’s 1190 – 1207. Proces-verbaal OVC 29 mei 2024/ [adres] te Zwijndrecht d.d. 23 juli 2024, geregistreerd onder documentcode AMB-177, dossierpagina’s 1208 – 1215. Proces-verbaal van bevindingen OVC 30 mei 2024 gesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 5] d.d. 22 juli 2024, geregistreerd onder documentcode AMB-168, dossierpagina’s 1216 – 1239. Proces-verbaal van bevindingen OVC 30 mei 2024 gesprek tussen [medeverdachte 2] en haar partner [betrokkene 3] d.d. 17 juli 2024, geregistreerd onder documentcode AMB-169, dossierpagina’s 1242 – 1252. Proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juni 2024, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 202406031400 VH1, dossierpagina’s 830 – 845. Proces verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 5 juni 2024, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 202406051030.VH-02, dossierpagina’s 846 – 860. Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 11 juni 2024, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 2024061209:22.VH-02, dossierpagina’s 921 - 942. Proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 juni 2024, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 202406061200.VH03, dossierpagina’s 1072 – 1082. Proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 12 juni 2024, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 202406121045.VH04, dossierpagina’s 1084 – 1094. Proces-verbaal 3e verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 11 juni 2024, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2024060111035.VH03, dossierpagina’s 1146 – 1157. Proces-verbaal 4e verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 11 juni 2024, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 2024060111526.VH04, dossierpagina’s 1158 – 1168. Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 juni 2024, geregistreerd onder het proces-verbaalnummer 202406050936.VH2, dossierpagina’s 976 – 990. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 11 december 2024, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.