GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202404712 Vonnis in kort geding van 21 januari 2025 in de zaak van [Eiser], wonend in [woonplaats], eiser, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. J.H. Scheidelaar, tegen [Gedaagde], wonend in [woonplaats], gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1Het procesverloop 1.
- Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 17 december 2024, de mondelinge behandeling van 7 januari 2025, de eiswijziging en pleitnotities van [eiser]. 1.
- Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
- Partijen zij gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Inmiddels zijn zij gescheiden. De echtscheidingsbeschikking is op 30 januari 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.
- Bij beschikking van het Hof van 3 juli 2018 is bepaald dat [eiser] een bijdrage van NAf 250 per maand in de kosten van het levensonderhoud van [gedaagde] dient te betalen, ingaande 30 januari
- 2.
- Bij vonnis in kort geding van 17 mei 2021 is [eiser] veroordeeld om, naast voormelde alimentatie, NAf 800 per maand aan [gedaagde] te betalen tot de huwelijksgoederengemeenschap is verdeeld, maar maximaal voor de duur van twaalf maanden, bij wijze van voorschot op de verdeling van de gemeenschap. 2.
- Bij vonnis van 14 februari 2022 is de verdeling van de ontbonden gemeenschap vastgesteld en is [eiser] veroordeeld wegens overbedeling aan [gedaagde] te betalen een bedrag van NAf 32.289, te voldoen in maandelijkse termijnen van NAf 1.076, met ingang van de maand maart
- 3De vordering en de standpunten van partijen 3.
- [ eiser] vordert, na wijziging van eis, primair dat het gerecht [gedaagde] niet ontvankelijk verklaart in haar vordering en subsidiair dat het gerecht [gedaagde] beveelt de executie te staken en gestaakt te houden en het gelegde beslag onmiddellijk op te heffen binnen twee uur na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAf 1.000 per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van NAf 10.000, dat [gedaagde] nalaat aan het bevel te voldoen. 3.
- [ eiser] doet ter onderbouwing van zijn primaire vordering een beroep op verjaring van de vordering in verband waarmee het beslag is gelegd, omdat het gaat om de executie van een vonnis van 3 juli
- Hij stelt ter onderbouwing van zijn subsidiaire vordering dat [gedaagde] misbruik maakt van haar bevoegdheid en het beslag vexatoir is, omdat zij weet dat zij niets meer van [eiser] tegoed heeft. [gedaagde] heeft aan al zijn betalingsverplichtingen voldaan, ook aan de alimentatieverplichting en hij stelt verder dat het beslag bijzonder bezwarend is omdat hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van zijn pensioen en in een financiële crisissituatie verkeert. 3.
- [ gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat voor zover relevant, bij de beoordeling wordt betrokken. 4De beoordeling 4.
- [ eiser] heeft ter zitting zijn eis aangevuld met een beroep op verjaring, reden waarom [gedaagde] volgens hem niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Op de vraag waarom hij niet bij het instellen van zijn vordering meteen een beroep op verjaring heeft gedaan, heeft hij geen steekhoudend antwoord gegeven. [gedaagde], procederend zonder rechtsbijstand, heeft zich hierop niet kunnen voorbereiden. In het midden kan blijven, evenwel, of aan deze vordering voorbij moet worden gegaan in verband met strijdigheid van de goede procesorde, omdat het beroep op verjaring niet kan slagen, gelet op het bepaalde in artikel 3:324 lid 3 Burgerlijk Wetboek. De bevoegdheid tot executie van een rechterlijke uitspraak verjaart vijf jaar voor wat betreft ingevolge die uitspraak per jaar of kortere termijn moet worden betaald. Nu het hier gaat om een periodieke betaling van NAf 250 en het executoriaal beslag is gelegd op de vordering van de betaling vanaf april 2022 tot en met december 2024 (en verder), is van verjaring geen sprake. 4.
- Het gerecht overweegt dat, wanneer er beslag is gelegd op basis van een vonnis, een vordering tot opheffing van dat beslag kan worden toegewezen wanneer het vonnis berust op een feitelijke of juridische misslag. Simpel gezegd wanneer er dus een fout is gemaakt. Ook wanneer er zich na het vonnis omstandigheden hebben voorgedaan of aan het licht zijn gekomen waardoor er aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand ontstaat kan het beslag worden opgeheven. 4.
- [ gedaagde] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat zij in verband met haar recht op alimentatie geen aanvulling op het AOV en geen bonus ontvangt. Daarmee is haar (financiële) belang bij het beslag in beginsel gegeven. 4.
- Ter motivering van zijn verweer dat hij geen achterstand heeft in de betaling van de alimentatie van NAf 250 per maand, heeft [eiser] bankafschriften uit 2022, 2023, en 2024 overgelegd, waaruit maandelijkse betalingen aan [gedaagde] blijken van NAf 1.050 (april 2022) en NAf 1.078,12 (mei 2022 tot en met juni 2024) en NAf 1.081,30 (juli tot en met augustus 2024) per maand, alle onder vermelding van ‘alimentatie’, zodat er een fout is of moet zijn gemaakt. 4.
- [ gedaagde] heeft er ter zitting echter op gewezen dat die maandelijkse betalingen niet zien op de alimentatie maar op de afbetaling in dertig maandtermijnen van de NAf 32.000, waartoe [eiser] is veroordeeld in het vonnis van 14 februari
- Hij heeft de alimentatie van NAf 250, die hij daarnaast diende te betalen, niet voldaan. Daarop ziet het gelegde beslag. 4.
- Gelet op deze toelichting is er naar het oordeel van het gerecht geen sprake van een juridische of feitelijke misslag en faalt het betoog van [eiser]. Zijn stelling dat [gedaagde] geen recht meer zou hebben op alimentatie is door [eiser] niet onderbouwd en valt, zonder enige toelichting, die niet is gegeven, ook niet in te zien. [eiser] wijst er daarnaast weliswaar op dat in het vonnis van 14 februari 2022 alle schulden zijn verrekend, maar de vordering in verband waarmee beslag is gelegd, ziet op de met ingang van april 2022 ontstane achterstand in de betaling van de alimentatie. Het feit dat [eiser] zelf de betalingen (bijna) alle heeft gekenmerkt als ‘alimentatie’ alsmede het feit dat de afbetalingsmaandtermijn van NAf 1.076,12 ongeveer even hoog is als (NAf 800 + NAf 250=) NAf 1.050 -het bedrag dat [eiser] tijdelijk bij wijze van voorschot op de boedelverdeling, vermeerderd met de alimentatie, diende te betalen- kan voor onduidelijkheid hebben gezorgd. Dit doet echter niet af aan de juistheid van de vordering van [gedaagde]. 4.
- [ eiser] stelt dat hij in een financiële noodtoestand is komen te verkeren als gevolg van het beslag, maar dit heeft hij niet onderbouwd en blijkt ook nergens uit. 4.
- De conclusie is dat de vordering tot opheffing van het beslag moet worden afgewezen. 4.
- Omdat [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [gedaagde] worden begroot op nihil. 5De beslissing in kort geding Het gerecht: 5.
- wijst de vordering af; 5.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot op heden voor [gedaagde] op nihil worden gesteld. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.