GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN Zaaknummer: EJ 2015/232 Datum: 30 maart 2016 Beschikkingnr. BESCHIKKING in de zaak van: [verzoeker] wonende te Sint Maarten, [verzoeker], gemachtigde: de heer E.I. Maduro, tegen: de naamloze vennootschap [verweerster] gevestigd te Sint Maarten, [verweerster], gemachtigde: mr. C.J. Koster. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerster]. 1Het verloop van de procedure 1.
- Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken: verzoekschrift met producties, verweerschrift met producties, brief van 30 november 2015 van de heer Maduro met producties, pleitnota van de heer Maduro, pleitnota van mr. C.J. Koster. 1.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016 nadat deze met instemming van partijen was uitgesteld op 2 december
- Partijen zijn verschenen. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden. 1.
- Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het Gerecht partijen verzocht per mail de hierna te vermelden kwestie van de vakantiedagen nader toe te lichten. Partijen hebben dat gedaan door middel van aktes en e-mails d.d. 22 en 26 februari
- Deze aktes en e-mails maken deel uit van het procesdossier. De mondelinge behandeling is voortgezet op 16 maart
- Gemachtigden en mevrouw [A] namens [verweerster] zijn toen verschenen. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden. 1.
- De beschikking is bepaald op heden. 2De feiten 2.
- [ verzoeker], geboren op 10 juni 1962, is met ingang van 9 oktober 2005 als schilder in loondienst getreden van [verweerster] voor onbepaalde tijd. Hij verdiende laatstelijk Naf. 1.299,46 bruto per maand en werkte 6 dagen in de week. 2.
- Bij brief van 1 juni 2015 is [verzoeker] op staande voet ontslagen: “Dear Mr. [verzoeker], By means of this letter we regret to inform you that employment has been ended with immediate effect. On Saturday May 30th, 2015 you were found to be in possession of company goods while leaving the property at the end of your shift without authorization to do so. This comes in conflict with company policy and as such your services are no longer required. However we appreciate the service that you have rendered to the company during your time here. (…)” 2.
- [ verzoeker] heeft de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen. 3Het verzoek Het verzoek van [verzoeker] luidt dat het Gerecht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: “
- [verzoeker] gratis admissie te willen verlenen,
- [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen: a. cq te vergoeden 23 ¾ niet-genoten vakantiedagen; b. een bedrag gelijk aan drie maanden opzegloon; c. cessantie-uitkering gelijk aan 10 weken brutolonen; d. een vergoeding naar billijkheid ten bedrage van Naf. 90.000,-- bruto, danwel een door U. E.A. in goede justitie te bepalen schadevergoedingsbedrag. e. dit alles te vermeerderen met 15% vertragingsrente ex artikel 7A:1614q BW en de wettelijke rente vanaf de dag van hunner verschuldigdheid tot en met de dag der algehele voldoening.
- [verweerster] te veroordelen in de kosten van dit geding.” 4Het verweer [verweerster] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn vorderingen, althans dat deze aan hem worden ontzegd en, subsidiair, dat deze worden gematigd tot nihil dan wel tot een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten en de wettelijke rente daarover, zulks bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis. 5De beoordeling 5.
- Ter zitting heeft de rechter [verzoeker] ondervraagd over de feiten die hebben geleid tot het ontslag op staande voet. Kort en zakelijk weergegeven heeft hij het volgende verklaard. Enige dagen voor het ontslag kwam hij in het trappenhuis een hotelgast tegen die op weg was om te gaan uitchecken. Deze hotelgast gaf hem een fles rum cadeau. Hij vertelde erbij dat hij die fles van het hotel had gekocht. Dat was een fles die door het hotel aan de gasten op hun kamer ter beschikking wordt gesteld. [verzoeker] accepteerde deze fles maar voelde zich er daarna een beetje ongemakkelijk onder. Vandaar dat hij toen de fles enige dagen in het trappenhuis heeft laten staan totdat een schoonmaker zei dat hij deze moest weghalen. Dat heeft hij toen gedaan en diezelfde dag is hij met die fles in zijn tas aan het einde van zijn dienst naar buiten gelopen. Hij heeft de tas leeggehaald op verzoek van de beveiliging en toen kwam de fles er uit. De beveiliging heeft de fles in beslag genomen en heeft dit gerapporteerd aan het management. 5.
- Kort en zakelijk weergegeven stelt [verweerster] dat [verzoeker] door de beveiliging is betrapt nadat hij langs de controle was geglipt. [verzoeker] gedroeg zich schichtig en weigerde mee te werken aan het doorzoeken van zijn tas. Uit het surveillancerapport van de beveiliging van die dag: “At 14.57 hrs I was at the bag search when I checked [verzoeker] who finished working and was passing by the bag search I found one bottle of Jumbie Coconut Splash Rum in his bag without a material export pass when i ask him where he got it he told me that he took it up from inside and what is the problem I took the bottle of (…) Rum away from him and informed [B] immediately” 5.
- Op 1 juni 2015 is [verzoeker] ondervraagd door [verweerster] en hij heeft toen (in grote lijnen) verklaard wat hij ook op de zitting heeft verteld. [verweerster] vindt het verhaal van [verzoeker] ongeloofwaardig omdat hij niet weet wie de gast was, niet kon vertellen hoe hij eruit zag en ook niet wist op welke kamer hij verbleef. Namens [verweerster] is ter zitting bevestigd dat iedere werknemer, ook managers, bij vertrek een controle van de tassen ondergaan. Dat is algemeen bekend en daarop geldt geen uitzondering. 5.
- [ verzoeker] voert onder andere aan dat het hem niet bekend is dat er sprake is van “company policy” om goederen vanuit het hotel mee naar huis te nemen. [verweerster] betwist dat en wijst er op dat er zeer regelmatig aandacht wordt besteed aan dit beleid; vandaar ook de controle van de tassen bij einde dienst. Zij legt verder een passage uit het handboek en een speciaal voor dit soort gelegenheden gebruikt formulier over. 5.
- Het Gerecht overweegt het volgende. Uit de eigen verklaring van [verzoeker] volgt dat hij niet goed wist hoe te handelen met deze, volgens hem, gift van de hotelgast. Hij verklaart immers dat hij zich er ongemakkelijk bij voelde en dat hij de fles drie dagen in het trappenhuis heeft laten staan. Pas toen de schoonmaker zei dat de fles moest worden opgeruimd heeft hij de fles in zijn tas gestopt. Het Gerecht begrijpt niet goed om welke reden [verzoeker] dit cadeau van de hotelgast aan hem niet heeft gemeld bij zijn superieur. Hij had om raad kunnen vragen, de fles bij hem kunnen inleveren of toestemming hebben gekregen de fles te behouden. Anders dan [verzoeker] meent is het niet doorslaggevend dat [verweerster] niet kan aantonen dat hij van de “company policy” op de hoogte was. Het Gerecht is van oordeel dat dit een kwestie van gezond verstand is zodat dit van een ervaren hotelmedewerker mag worden verwacht. Het gaat er niet zo zeer om dat sprake is van verduistering, maar, inderdaad zoals in de ontslagbrief is vermeld, dat er sprake is van het in bezit hebben van goederen, die naar het zich laat aanzien, van het hotel zijn, zonder toestemming. Niet van belang is dus dat de fles mogelijk niet meer in eigendom aan het hotel toebehoorde, zoals [verzoeker] stelt. Het gaat erom dat [verweerster] erop moet kunnen vertrouwen dat haar medewerkers zorgvuldig omgaan met haar (mogelijke) eigendommen en met giften van hotelgasten. Daarvoor is vereist dat medewerkers een en ander melden aan hun superieur, een en ander nog daargelaten dat het verhaal van [verzoeker] omtrent de hotelgast en de gift niet verifieerbaar is. Het Gerecht kan niet uitsluiten dat [verzoeker] op een andere wijze aan deze fles rum is gekomen, hetgeen het belang van tijdige melding aan een superieur onderschrijft. 5.
- [ verzoeker] wijst er op dat het ontslag op staande voet voor zijn gezin en hem ingrijpende gevolgen heeft, met name op financieel gebied (loonderving, geen ziektekostendekking, pensioenschade) zodat het ontslag te ernstig is in vergelijking met het belang van [verweerster]. Het Gerecht onderschrijft dat [verzoeker] flinke nadelige gevolgen van het ontslag zal kunnen ondervinden, maar is niettemin van oordeel dat deze gevolgen onvoldoende gewicht in de schaal kunnen leggen om het ontslag op staande voet als nietig te beoordelen. Door het handelen van [verzoeker] is er een vertrouwensbreuk ontstaan die maakt dat van [verweerster] niet langer kan worden gevergd het dienstverband te continueren en de oorzaak hiervan is [verzoeker] zelf, zoals omschreven in de vorige alinea, zulks tegen de achtergrond dat [verzoeker] in 2011, 2013 en 2015 schriftelijke waarschuwingen (waaronder tot twee keer toe schorsing zonder behoud van loon voor 2 dagen heeft gekregen) en in 2015 een negatieve beoordeling heeft gekregen. 5.
- Dit betekent dat de vorderingen, verband houdende met het ontslag op staande voet, worden afgewezen. 5.
- Resteert de vordering tot betaling van 23 ¾ niet genoten vakantiedagen. [verweerster] stelt, kort en zakelijk weergegeven het volgende. De wettelijke regeling is dat een werknemer met een zesdaagse werkweek tenminste 15 vakantiedagen per jaar opbouwt (artikel 2 lid 1 Vakantieregeling 1949). Per 2 dienstjaren geeft [verweerster] een extra vakantiedag tot een maximum van 21 dagen totaal. Over het gehele dienstverband bezien heeft [verzoeker] 152,75 vakantiedagen opgebouwd. Daarvan heeft hij er 142 genoten, hetgeen blijkt uit de door [verweerster] in het geding gebrachte Vacation Forms. Aldus resteren er 10 dagen van 8 uur en die heeft [verweerster] bij de eindafrekening meegeteld en uitbetaald. Er resteert dan nog 0,75 vakantiedag en die wil [verweerster] nog uitbetalen. [verzoeker] bestrijdt dit: [verzoeker] heeft recht op 21 vakantiedagen per jaar. [verzoeker] baseert dit op de stelling dat hij per gewerkt jaar een extra vakantiedag opbouwt en dat blijkt ook uit de Vacation Forms die door [verweerster] in het geding zijn gebracht. 5.
- Betreffende de vordering vakantiedagen is de mondelinge behandeling heropend. Dat heeft helaas niet de gewenste duidelijkheid gebracht. Uit de Vacation Forms zijn aanwijzingen te putten voor het gelijk van [verweerster] maar ook voor het gelijk van [verzoeker]. De leesbaarheid van deze Forms is slecht; deze zijn handgeschreven met doorhalingen. Een door [verweerster] opgesteld en door [verzoeker] ondertekend overzicht van vakantiedagen per jaar of een inzichtelijke vermelding op de maandelijkse salarisstrook van het saldo vakantiedagen ontbreekt. Het Gerecht overweegt dat het primair aan de werkgever is om een deugdelijke administratie daarover te voeren. Dat is ook door de wetgever zo bepaald: zie artikel 14 Landsverordening houdende bepalingen inzake verplichte vakantieregeling. Nu [verweerster] dat kennelijk niet heeft gedaan zal het Gerecht uitgaan van het gelijk van [verzoeker] en het door hem gevorderde aantal dagen toewijzen. De verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW wordt niet toegewezen omdat dit volgens de tekst van deze bepaling niet mogelijk is (niet in geld vastgesteld loon). De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 juni 2015 tot de dag van algehele voldoening. 5.
- Het Gerecht ziet aanleiding te bepalen dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden. 6De beslissing Het Gerecht: verleent aan [verzoeker] gratis admissie, veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] te betalen 23 3/4e vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juni 2015 tot de dag van algehele bepaling, verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening houden, wijst af het meer of anders gevorderde. Deze beschikking is gegeven op 30 maart 2016 door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, in tegenwoordigheid van de griffier.