Landsverordening administratieve rechtspraak Uitspraak: 22 oktober 2018 Zaaknummer: Lar 41/2018 Uitspraaknr: HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK In het geding van: [klager] wonende op Sint Maarten, klager, gemachtigde: mr. G. Hatzmann en: DE MINISTER VAN JUSTITIE verweerder, gemachtigde: mr. J. Vogepoel 1Aanduiding bestreden beschikking De beschikking van verweerder van 5 april 2018, waarbij het verzoek van klager om een verklaring omtrent gedrag is afgewezen. 2Procesverloop Namens klager is op 19 april 2018 ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een pro- forma klaagschrift ingediend ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Op 28 mei 2018 zijn de gronden aangevuld. Op 28 juni 2018 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 september
- Klager is in persoon verschenen, bijgestaan bij gemachtigde voornoemd. Verweerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen (bij dienstbrief van 23 augustus 2018 alsmede door verspreiding van een zittingsrol) niet verschenen. Uitspraak is bepaald op heden. 3Feiten en standpunten In 2017 is klager geschorst uit zijn functie als directeur van het Huis van Bewaring [HvB] omdat hij verdachte werd in een strafzaak. Klager heeft op 24 januari 2018 een verzoek ingediend om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te verkrijgen. Bij vonnis van 2 of 21 februari 2018 heeft het Gerecht klager veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens het schenden van zijn ambtsgeheim. Hij heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Klager is begonnen met het oprichten van een bouw- en beveiligingsbedrijf. Bij beschikking van 5 april 2018 heeft verweerder het verzoek tot verkrijging van een VOG afgewezen, op de grond dat klager is veroordeeld bij vonnis van 21 februari
- 3.1 Klager meent dat zijn verzoek ten onrechte is afgewezen. Niet blijkt dat uit zijn veroordeling zou voortvloeien dat klager zich met zijn op te richten bedrijf zou gaan bezighouden met zaken die het daglicht niet kunnen verdragen. Verweerder maakt het zo voor klager onmogelijk om een nieuwe start te maken. Dit belang van klager weegt zwaarder dan het eventuele risico, zo dat risico er al is, voor de samenleving. 3.2 Verweerder stelt dat de gevraagde VOG terecht is geweigerd. Verweerder heeft daarbij gewezen op de veroordeling van klager ter zake omkoping en schending ambtsgeheim. Deze veroordeling acht verweerder niet te verenigen met het doel waarvoor de VOG is gevraagd. 4Beoordeling 4.1 Volgens artikel 15, derde lid, van de Landsverordening, houdt een verklaring omtrent het gedrag niet anders in dan dat de minister uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon. 4.2 Het doel waarvoor klager de VOG heeft gevraagd betreft het starten van een eigen bouw- en beveiligingsbedrijf. Met het betoog van klager dat hij zich met dat bedrijf niet gaat bezighouden met zaken die het daglicht niet kunnen verdragen, miskent klager dat bij een aanvraag van een VOG niet ter beoordeling ligt of de aanvrager zal recidiveren. Ter beoordeling is veeleer of het gepleegde feit op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van het werk waarvoor de verklaring wordt gevraagd, zou verhinderen omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. De VOG heeft naar de samenleving een functie, omdat zo derden, bijvoorbeeld opdrachtgevers, kunnen weten of zij met een betrouwbare ondernemer in zee gaan. In het licht van dit beoordelingskader heeft verweerder, naar het oordeel van het Gerecht, kunnen oordelen dat het doel waarvoor klager de VOG heeft gevraagd in de weg staat aan verlening daarvan. 4.3 Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding. 5De beslissing Het Gerecht in eerste aanleg: - Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 22 oktober
- Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.