Beschikking van 20 juni 2018 Zaaknummer: EJ 2018/161 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN Beschikking inzake [de werknemer], wonende te Sint Maarten, verzoekster, hierna: de werknemer, gemachtigde: dhr. R.E. Duncan tegen de naamloze vennootschap [de werkgever], gevestigd te Sint Maarten, verweerster, hierna: de werkgever, gemachtigde: mr. J. Veen 1. Het verloop van de procedure 1.1. Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken: verzoekschrift met producties van de werknemer d.d. 5 april 2018, verweerschrift met producties van de werkgever, pleitnota namens de werknemer, pleitnota namens de werkgever. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. De werknemer en haar gemachtigde zijn verschenen. Namens de werkgever is haar CEO ……… verschenen, met haar gemachtigde. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd. 1.3. De uitspraak is vandaag. Ook wordt uitspraak gedaan in procedures die 7 andere werknemers tegen de werkgever zijn begonnen. 2. De vaststaande feiten 2.1. De werknemer is op 1 maart 1996 in dienst van de werkgever getreden. Haar arbeidsovereenkomst is nu voor onbepaalde tijd. Haar meest recente salaris bedraagt NAf 3.180,00 bruto per maand. Zij is Cashier. 2.2. De werkgever exploiteert een groothandel in scheepsbenodigdheden voor de pleziervaart op Sint Maarten en op andere Caribische eilanden. 2.3. Op 6 september 2017 heeft Orkaan Irma grote verwoestingen veroorzaakt op Sint Maarten. Ook de werkgever is hierdoor getroffen. 2.4. Bij memo van 22 september 2017 aan haar personeel (onderwerp: Continuity of Budget Marine) deelt de werkgever onder andere het volgende mede: “In order to ensure the company’s survival and to avoid (mass) dismissals, the working hours of employees and their commensurate salary will have to be adjusted so that they will be working for three days a week instead of five days a week and pay will be adjusted to suit. (…) Management commits to return to full working hours as soon as revenues return to our budgeted revenue numbers, or sooner, if feasible and responsible from a continuity perspective. (…) In conclusion: we are forced to take this temporary measure due the exceptional circumstances we are in. In our decision making, we have taken continuity of the company, and by that, job security for all of the employees on the long term as starting point. We strongly intend to get through this without any (forced) dismissals. (…)” 2.5. De vakbond heeft namens de werknemer aan de werkgever te kennen gegeven hiermee niet in te stemmen. 2.6. De werkgever heeft op 19 december 2017 de Labour Office verzocht om ontslagtoestemming wegens bedrijfseconomische redenen voor 8 medewerkers, waaronder de werknemer. 2.7. De werknemers hebben geen kopie van het verzoek van de werkgever aan het Labour Office gehad. Zij hebben op de Labour Office een verklaring ondertekend dat zij het niet eens zijn met de aanvraag van de werkgever. Toen werd hun medegedeeld dat ze nog zouden worden gehoord. Dat is niet gebeurd. 2.8. Bij beslissing van 6 maart 2018 van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van SZW is aan de werkgever toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met 8 werknemers, waaronder de eiser in deze zaak, op te zeggen. De motivering luidt als volgt: “that the employer submitted sufficient evidence to support the request for termination of the labour agreements with said employees; that the employer has sufficiently proven its case with respect to the submitted evidence and the nature of the dismissal request; that the appointment of the Dismissal Advisory Committee (DAC), is an imperative ground in the dismissal procedure, as described in AB 2013 GT. No. 750 article 3, but that the appointment of the DAC is outside the immediate authoritative control of the SG VSA; that the SG VSA must render a decision on Dismissal cases, within the legal timeframe as prescribed in Article 4 sub 3/Article 5 sub 3 in AB 2013 GT. No. 750, nevertheless this being 6 weeks from the date of application, or maximum 12 weeks based on an approved extension by way of a MB (Ministerial Administrative Decision), if applicable; that the DAC has not been appointed and therefore is unable to render an advice to the SG VSA in keeping with article 14 of the LBHAM AB 2016 no. 17, and that the SG VSA, in absence of an advice from the DAC, must move to seek the advice from the Department of Labor Affairs, in keeping with article 15 of the LBHAM AB 2016 no. 17.” 2.9. Verderop in de beslissing staat het volgende: “With notice that: When putting into effect the granted permission, one must take into consideration that one must give notice of the termination of the labour agreement in accordance with the provisions in effect for giving notice. When putting into effect the granted permission, one must take into consideration that severance must be granted in accordance with the Severance Ordinance (AB 2013 GT no. 529). Non-compliance with the abovementioned condition shall result in the termination of the labour agreement being considered to have been effectuated without permission, implying that the employer is guilty of, among other things, a punishable act. The employer (company) must pay the back wages of September – December 2017, if this decision was taken unilaterally, and in the event that this was not already rectified.” 2.10. Bij brief van 8 maart 2018 heeft de werkgever vervolgens de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 23 april 2018. In deze brief komt de volgende passage voor: “We have calculated your severance pay as Gross Naf 11.925,06 said amount will be subjected to governmental taxes and social premiums” De werkgever heeft aan de werknemer een bedrag uitbetaald. 3De vorderingen en het verweer 3.1. De werknemer verzoekt het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, de volgende beslissingen te nemen: Primair: “de beëindiging van de arbeidsovereenkomst nietig te verklaren en [de werkgever] te veroordelen tot doorbetaling van (het juiste) loon vanaf de laatste betaaldag, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd; [de werkgever] te veroordelen om, tegen kwijting, aan [de werknemer] te betalen het juiste bedrag van de ten onrechte ingehouden loon over de periode september 2017 t/m april 2018, vermeerderd met de boete wegens vertraging en de wettelijke rente; Subsidiair: [de werkgever] te veroordelen om de dienstbetrekking met [de werknemer] te herstellen en de nodige voorzieningen te treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking; [de werkgever] te veroordelen om, tegen kwijting, aan verzoeker te betalen een bedrag op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans een door uw gerecht naar billijkheid te bepalen bedrag, als schadevergoeding wegens de kennelijk onredelijke beëindiging van der partijen arbeidsovereenkomst; Primair en subsidiair: [de werkgever] voorts ook te veroordelen om, tegen kwijting, aan [de werknemer] te betalen de buitengerechtelijke kosten vastgesteld op een door uw gerecht naar billijkheid te bepalen bedrag [de werkgever] in de proceskosten en de wettelijke rente vanaf heden te veroordelen.” 3.2. De werkgever verzoekt het Gerecht om de vorderingen van de werknemer af te wijzen en de werknemer te veroordelen in de proceskosten. 3.3. Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil. 4De beoordeling De nietigheid van de opzegging 4.1. De werknemer stelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst vanwege de volgende redenen nietig is: in strijd met de wet is de werknemer niet gehoord en is er geen advies van de wettelijk voorgeschreven ontslagcommissie afgewacht terwijl de beslissing niet behoorlijk inhoudelijk is gemotiveerd. Zijn advocaat heeft geen gelegenheid gekregen om de werknemer bij te staan. de opzegging is in strijd met artikel 7A:1615 sub 1 onder b BW. De werknemer is ruim 11 jaar in dienst en dus moet er een opzegtermijn van 3 maanden in acht worden genomen in plaats van 4 weken zoals nu is gebeurd; dit is tevens strijdig met de voorwaarden van de ontslagvergunning terwijl de werkgever evenmin, zoals ook door de Secretaris-Generaal als voorwaarde is opgelegd, het volledige salaris aan de werknemer heeft uitbetaald. Dat geldt ook voor de cessantia; die is te laag vastgesteld. Zie artikel 4 lid 1 van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten (hierna: LBA). 4.2. De werkgever voert aan dat de opzegging rechtsgeldig is. Artikel 4 lid 3 LBA schrijft voor dat de Secretaris-Generaal binnen zes weken na ontvangst van het verzoek moet beslissen. Daaruit blijkt dat, advies van ontslagcommissie of niet, de Secretaris-Generaal geen keuze heeft; er moet een beslissing worden genomen. Zij verwijst verder naar artikel 15 lid 1 van het Landsbesluit Procedure beëindiging arbeidsovereenkomsten waarin staat dat, als er geen advies van de ontslagcommissie is, de Secretaris-Generaal zich kan laten adviseren door het hoofd van de Dienst Arbeidszaken. Er is geen sprake van schending van het principe van hoor en wederhoor; de werknemer is wel degelijk gehoord. Evenmin is een verkeerde opzegtermijn in acht genomen; zie artikel 7A:1615i lid 3 BW waarin een verkorting van de opzegtermijn is vermeld als er een ontslagvergunning is afgegeven. Het salaris over september 2017 – december 2017 is wel uitbetaald aan de werknemer, zoals in de ontslagvergunning voorgeschreven. 4.3. Het Gerecht overweegt het volgende. Als aan een van voorwaarden van de ontslagvergunning niet is voldaan leidt dat volgens artikel 4 lid 1 in verband met artikel 6 LBA tot een nietige opzegging. De werknemer stelt dat het salaris over september 2017 – december 2017 niet is betaald. De werkgever stelt dat dit wel het geval is. Op de door de werkgever in het geding gebrachte loonstrook d.d. 27 april 2018 volgt niet dat dit salarisdeel door de werkgever is betaald. Er is namelijk geen verwijzing naar deze post te vinden. Reeds bij verzoekschrift heeft de werknemer aan de orde gesteld dat zij geen betaling heeft ontvangen. Uit de salarisstrook volgt dus dat deze stelling klopt. De werkgever volstaat uitsluitend met een verwijzing naar haar gebruikelijke verwerkingswijze van de salarissen. Gelet op artikel 7A:1614pa BW, dat op de werkgever de verplichting legt om op inzichtelijke wijze haar salarisbetaling te verantwoorden, oordeelt het Gerecht dat de werkgever met deze betwisting niet kan volstaan. Het Gerecht zal de werkgever in de gelegenheid stellen hierover een akte in te dienen waarin moet worden uitgelegd wat zij nu al dan niet aan achterstallig salaris over deze periode heeft uitbetaald en hoe dit is uitgerekend, met uitleg over de inhouding loonbelasting. 4.4. Dan de uitbetaalde cessantia. Het Gerecht heeft geen loonstrook aangetroffen met daarop de cessantia. Hetzelfde geldt als in de vorige alinea, laatste volzin is overwogen. Het Gerecht kan nu dus nog niet vaststellen of de voorwaarden aan de ontslagvergunning over betaling salaris en cessantia al dan niet zijn geschonden. 4.5. Nu de gehanteerde opzegtermijn. Op 8 maart 2018 is opgezegd tegen 23 april 2018. Dat komt neer op een opzegtermijn van een maand. Naar het oordeel van het Gerecht klopt dit niet. De werknemer is meer dan 20 jaar in dienst. Op grond van artikel 7A:1615i BW moet er dan 4 maanden opzegtermijn in acht worden genomen, doch met een korting vanwege artikel 7A:1615i BW in combinatie met artikel 4 lid 3 LBA. Kort gezegd: de duur van de procedure om toestemming te krijgen voor opzegging mag worden afgetrokken van de opzegtermijn zolang er maar minimaal een maand opzegtermijn in acht wordt genomen. Vier maanden min 6 weken is niet 1,5 maand zoals de werkgever in acht heeft genomen. Dat moet dus een opzegtermijn van 12 weken zijn. Voor zover de werkgever stelt dat haar berekening ermee te maken heeft dat zij al op 6 oktober 2017 het verzoek bij het Labor Office heeft ingediend, dat zij geen reactie heeft gekregen en daarom maar op 19 december 2017 het verzoek nog een keer heeft ingediend, overweegt het Gerecht dat dit niet opgaat. Het Gerecht houdt namelijk vast aan de datum die door de Secretaris-Generaal op de ontslagvergunning is genoteerd, te weten 19 december 2017 omdat er geen rechtsgrond is daarover anders te denken. Deze voorwaarde van de ontslagtoestemming heeft de werkgever dus geschonden. Op zich terecht stelt de werknemer dat dan dus de opzegging nietig is. Omdat deze zaak deel uitmaakt van in totaal 8 zaken, waarin de feiten soms weer net even wat anders liggen, houdt het Gerecht op dit punt ieder oordeel aan. Het Gerecht wil namelijk in alle zaken gelijktijdig eindvonnis wijzen, behoudens één zaak waarin de werknemer voor bepaalde tijd in dienst is en dus geen ontslagtoestemming nodig is (EJ 2018/162). 4.6. Tot slot de procedure om ontslagtoestemming te verkrijgen. Onder 2.7. heeft het Gerecht al vastgesteld, op grond van de stukken maar ook door de werknemer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.