GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN Zaaknummer: SXM201900661- EJ 160/2019 Beschikking d.d. 2 oktober 2019 inzake de besloten vennootschap (werkgever)., gevestigd in Sint Maarten, verzoekster, gemachtigde: de heer Edwin I. Maduro, tegen (werknemer), wonende te Sint Maarten, verweerster, gemachtigde: mr. J. Snow. Partijen zullen hierna ‘(werkgever)’ en ‘(werknemer)’ worden genoemd. 1Het procesverloop 1.1. ( werkgever) heeft op 26 juni 2019 een verzoekschrift met producties ter griffie van het Gerecht ingediend. Bij brief van 10 september 2019 heeft de gemachtigde van (werknemer) producties in het geding gebracht. Het verzoek is behandeld op 11 september 2019. Partijen zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd. De gemachtigden hebben aan de hand van pleitnotities de zaak bepleit. (werkgever) heeft ter zitting een incidentele conclusie tot voeging overgelegd. 1.2. Beschikking is bepaald op heden. 2De feiten Ten aanzien van de feiten verwijst het Gerecht naar de beschikking van 23 juli 2019 van het Gerecht. Het Gerecht verwijst naar deze uitgebreide vaststelling van feiten, partijen welbekend, en deze vaststelling dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd (vergelijk productie 1 van (werknemer), overgelegd bij brief van 10 september 2019). 3Het verzoek 3.1. ( werkgever) verzoekt dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad (
- i)voor recht verklaart dat er tussen (werkgever) en (werknemer) geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en (
- ii)het beslag van 12 juni 2019 opheft en (iii) (werknemer) in de proceskosten veroordeelt. 3.2. Aan de vordering legt (werkgever) ten grondslag dat tussen partijen nimmer een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. (werknemer) heeft dan ook geen recht op loon en is niet gerechtigd om ten laste van (werkgever) beslag ter inning van loon te leggen. 3.3. ( werknemer) verweert zich tegen de vordering. (werknemer) wijst op de vaststelling van 23 november 2018 waaruit volgt dat (werkgever) zich heeft gebonden om het loon aan (werknemer) door te betalen. Bij beschikking van 23 juli 2019 heeft het Gerecht het ontbindingsverzoek van (werkgever) tegen (werknemer) afgewezen. 4De beoordeling 4.1. De incidentele conclusie tot voeging zal het Gerecht niet kunnen toelaten: in een verzoekschriftprocedure kan een dergelijke conclusie niet worden genomen. Het Gerecht wijst op de bepaling van artikel 429j Rv. Hierin is afdeling 16 ‘voeging en tussenkomst’ van titel 2 van boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van overeenkomstige toepassing verklaard. 4.2. Het Gerecht stelt vast dat blijkens een proces-verbaal van 23 november 2018 van het Gerecht (werkgever) zich jegens (werknemer) heeft gebonden het loon, inclusief het commissiegedeelte dat bij kort geding vonnis van 28 september 2018 is toegewezen, door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd. Verder stelt het Gerecht vast dat bij beschikking van 23 juli 2019 van het Gerecht het tegen (werknemer) ingediende ontbindingsverzoek is afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat nadien de arbeidsovereenkomst is geëindigd. 4.3. Uit het voorgaande volgt dan ook dat tussen partijen nog steeds een arbeidsovereenkomst bestaat en dat (werkgever) gehouden is het loon e.d. aan (werknemer) door te betalen. De verzoeken van (werkgever) dienen dan ook te worden afgewezen. 4.4. Als de in het ongelijk gestelde partij zal (werkgever) in de kosten van dit geding worden veroordeeld die tot op heden kunnen worden begroot op NAf. 1.500,00 aan salaris gemachtigde. 5De beslissing Het Gerecht: 5.1. wijst af het verzoek; 5.2. veroordeelt (werkgever) in de proceskosten aan de zijde van (werknemer) thans begroot op NAf. 1.500,00; 5.3. verklaart de beschikking voor zover het betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. C.T.M. Luijks, rechter, en op 2 oktober 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.