Uitspraakdatum: 7 januari 2019 Zaaknummer :SXM201800577- Lar 45/2018 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK In het geding van: (eiser), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, eiser, gemachtigde: mr. R.M. STOMP, tegen DE MINISTER VAN JUSTITIE, verweerder, gemachtigde: mr. A.O. MULLER, 1Aanduiding bestreden beschikking De beschikkingen van verweerder van 3 mei 2018 inhoudende een bevel tot verwijdering van eiser uit Sint Maarten en een bevel tot inbewaringstelling van eiser ter fine van zijn verwijdering, alsmede zijn ongewenstverklaring. 2Procesverloop Namens eiser is op 2 mei 2018 ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een beroepschrift ingesteld ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Op 3 december 2018 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Partijen zijn uitgenodigd voor de mondelinge behandeling ter zitting van 3 december
- De gemachtigde van eiser heeft verzocht de zaak af te doen op de stukken, hetgeen het Gerecht opvat als een mededeling dat hij niet ter zitting zal verschijnen. Uitspraak is bepaald op heden. 3Beoordeling In deze zaak is ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Uitspraak op dat verzoek is gedaan op 9 mei
- In deze uitspraak is het verzoek afgewezen. Het Gerecht stelt vast dat het beroep is gericht tegen de in de aanhef genoemde beschikkingen. Het beroep is dus niet gericht tegen het nadien genomen besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf om humanitaire redenen. De gronden die eiser in zijn beroepschrift aanvoert tegen de beschikkingen, zijn, op het verzoek om schadevergoeding na, gelijk aan wat hij in het verzoekschrift om een voorlopige voorziening heeft aangevoerd. Deze gronden zijn uitgebreid gemotiveerd afgewezen in de genoemde uitspraak op het verzoek. Na die uitspraak heeft eiser zijn gronden niet aangevuld. Evenmin heeft hij anderszins betoogd dat hij zich niet kan vinden in de in die uitspraak gegeven overwegingen. Het Gerecht ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak op het verzoek, die bij partijen bekend is, is gedaan. Het Gerecht neemt dat oordeel over en beschouwt het als hier ingelast. Voor wat betreft het verzoek om schadevergoeding wegens de ondergane bewaring overweegt het Gerecht dat uit de overwegingen in de op het verzoek gegeven uitspraak volgt dat de bewaring rechtmatig was. Er is daarom geen reden voor toekenning van schadevergoeding. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. 4De beslissing Het Gerecht: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M Giesen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 7 januari
- Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.