← Nederland

ECLI:NL:OGEAM:2019:81

Uitspraakdatum: 26 april 2019 Zaaknummer: SXM201801545 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK In het geding van: [eiser], wonende te Sint Maarten, eiser, gemachtigde: mr. R.M. STOMP, tegen DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN ST. MAARTEN, gevestigd te Sint Maarten, verweerder, gemachtigde: mr. A.O. MULLER, 1Aanduiding bestreden beschikking De beschikkingen van verweerder van 25 november 2018 inhoudende een bevel tot bewaring en een bevel tot verwijdering van eiser uit Sint Maarten. 2Het verloop van de procedure Met een op 10 december 2018 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend beroepschrift (met producties) heeft eiser tegen voormelde beschikkingen beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Op 8 april 2019 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 april

  1. Eiser is niet verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde voornoemd. Uitspraak is bepaald op heden. 3De beoordeling 3.1 Voor wat de feiten in deze zaak betreft, verwijst het Gerecht naar de feiten opgenomen in de beslissing van het Gerecht van 14 december 2018 op het verzoek van eiser (toen: verzoeker) om een voorlopige voorziening. 3.2 Eiser heeft naar voren gebracht dat hij al lange tijd in Sint Maarten woont, deel uitmakend van het gezin van zijn moeder. De veroordeling die eiser op zijn naam heeft staan, betekent niet dat hij verwijderd zou moeten worden. Eiser stelt dat verwijdering in strijd komt met het op grond van artikel 8 van het EVRM te beschermen gezinsleven en wijst er op dat hij tot voor kort rechtmatig verblijf had in Sint Maarten. In Jamaica heeft eiser niemand bij wie hij veilig kan verblijven. Eiser heeft een vijf jaar oud kind in Sint Maarten en hij heeft er een vaste verblijfplaats. Hij is, kortom, volledig geïntegreerd in de samenleving van Sint Maarten. Al met al had verweerder niet in redelijkheid tot de bestreden besluiten kunnen komen. Voor wat de bewaring betreft wijst eiser er op dat de cellen daarvoor ongeschikt zijn omdat het er vies en heet is. De bewaring is disproportioneel. 3.3 Verweerder wijst er op dat eiser inmiddels uit Sint Maarten is verwijderd. Verweerder meent voorts dat de bestreden beschikkingen op goede gronden zijn genomen. Eiser had geen verblijfstitel meer in Sint Maarten, de aanvraag om verlenging ervan is afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar heeft geen schorsende werking. De beslissing om eiser in vreemdelingenbewaring te plaatsen is terecht geweest, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, gelet op zijn strafrechtelijke veroordeling. Verweerder stelt tot slot dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep, nu eiser al is verwijderd en hij gelet op zijn strafblad voorlopig niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking zal komen. 3.4 Het Gerecht overweegt als volgt. In deze procedure is de vraag aan de orde of verweerder op goede gronden heeft kunnen besluiten om eiser in vreemdelingenbewaring te nemen en hem uit te zetten. Vast staat dat eiser inmiddels uit Sint Maarten is verwijderd. Dat roept de vraag op of eiser nog belang heeft bij deze procedure. Uit de stukken die eiser(s gemachtigde) heeft ingediend blijkt niet dat hij nog belang heeft bij deze procedure. Eiser noch zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen, zodat ook ter zitting niet van een belang bij het beroep is gebleken. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding. Volledigheidshalve wijst het Gerecht er op dat het betoog van eiser er in hoofdzaak toe strekt dat hij verblijf zou moeten krijgen in Sint Maarten. Dit betoog betekent niet dat eiser toch belang heeft bij deze procedure. Deze procedure gaat immers niet over een beslissing over het verblijf van eiser, maar over de vraag of hij op goede gronden in vreemdelingenbewaring is gezet met uitzetting als doel. 4De beslissing Het Gerecht: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 26 april
  2. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.