← Nederland

ECLI:NL:OGEAM:2021:158

Parketnummer: 820.00001/21 Uitspraak: 23 december 2021 Tegenspraak Vonnis van dit gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [naam], geboren op [datum] 1963 in Sint Maarten, adres: [adres] in Sint Maarten. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2021, 18 en 20 mei 2021, 27, 28 en 29 september 2021, 15 en 16 november 2021 en 23 december 2021. Het gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Bloem naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 30 augustus 2018 te Sint Maarten, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet als ambtenaar, te weten als hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer (Infrastructure Management), werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), een gift en/of belofte (en/of dienst) heeft aangenomen van [medeverdachte 1] en/of [getuige 1]en/of [medeverdachte 3] en/of (telkens) voor zichzelf en/of zijn echtgenote [naam] en/of zijn zoon [naam] althans (een) ander(en), een gift en/of belofte (en/of dienst) heeft gevraagd aan [medeverdachte 1 ] en/of [getuige 1] en/of [medeverdachte 3], zijnde die gift(

  1. en)en/of belofte(
  2. n)(en/of dienst(en)): een geldbedrag van USD 5.000,-; en/of een geldbedrag van USD 22.700,-; en/of (het aangaan van) een (dienstverlenings-)overeenkomst met het bedrijf van [naam] en/of met [echtgenote] en/of (een) geldbedrag(
  3. en)van in totaal (ongeveer) ANG 233.496,91; en/of (het aangaan van) een arbeidsovereenkomst met [zoon] en/of (een) geldbedrag(
  4. en)van in totaal (ongeveer) ANG 128.832,09; en/of (een) geldbedrag(
  5. en)van in totaal (ongeveer) NAF 188.800,-, althans een maandelijks geldbedrag (ongeveer) variërend van USD 6.000,- tot USD 7.000,-, althans, een of meer gift(
  6. en)en/of beloft(
  7. en)(en/of dienst(en)), (telkens) wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze/die (gift(
  8. en)en/of belofte(
  9. s)(en/of dienst(en)) hem, verdachte en/of (een) ander(
  10. en)en/of zijn mededaders werd(
  11. en)gedaan, verleend en/of werd(
  12. en)aangeboden, teneinde hem, verdachte, (zelf) te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en/of ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, al dan niet in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening was gedaan en/of nagelaten, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
  13. s)(telkens): anders dan om zakelijke redenen en/of niet alleen vanwege zakelijke redenen het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017) gegund aan [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1]en/of zijn invloed ofwel gezag aangewend en/of positief geadviseerd middels een intern toewijzingsadvies (Internal Awarding Advice) om te bewerkstelligen dat aan [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] dat contract werd gegund; en/of nog geheime en/of (nog) niet openbare en/of concurrentiegevoelige (overheids)informatie aan [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] verstrekt en/of voor hem/hen het (
  14. de)benodigde (aanbestedings)document(
  15. en)opgesteld en/of hem/hen geadviseerd en/of geassisteerd bij het opstellen van (een) (aanbestedings)document(en), benodigd voor het verkrijgen van het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017; en/of een relatie aangegaan en/of onderhouden tussen hem, verdachte, en/of zijn mededader(
  16. s)enerzijds en [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] anderzijds, al dan niet via een derde, ten einde (aldus) gunning van (een) toekomstige (verlenging van een) beheerscontract(
  17. en)mogelijk te maken; en/of ervoor gezorgd en/of zich ervoor ingespannen en/of zijn invloed ofwel zijn gezag aangewend dat de genoegzame naleving van geldende (veiligheids-) procedures en verplichtingen die voor [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] voortvloeiden uit het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017) en overige relevante regelgeving niet (volledig) zouden worden gehandhaafd of dat anderszins (volledige) nakoming daarvan zou worden afgedwongen. subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 augustus 2018 te Sint Maarten, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in zijn hoedanigheid als ambtenaar, te weten als hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer (Infrastructure Management), werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), opzettelijk met misbruik van zijn functie en/of positie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor zichzelf en/of zijn echtgenote [naam] en/of zijn zoon [naam] althans (een) ander(
  18. en)te verkrijgen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s): anders dan om zakelijke redenen en/of niet alleen vanwege zakelijke redenen het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017) gegund aan [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] en/of zijn invloed aangewend en/of positief geadviseerd middels een intern toewijzingsadvies (Internal Awarding Advice) om te bewerkstelligen dat aan [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] dat contract werd gegund; en/of nog geheime en/of (nog) niet openbare en/of concurrentiegevoelige (overheids)informatie aan [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] verstrekt en/of voor hem/hen het (
  19. de)benodigde (aanbestedings)document(
  20. en)opgesteld en/of hem/hen geadviseerd en/of geassisteerd bij het opstellen van (een) (aanbestedings)document(en), benodigd voor het verkrijgen van het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017; en/of een relatie aangegaan en/of onderhouden tussen hem, verdachte, en/of zijn mededader(
  21. s)enerzijds en [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] anderzijds, al dan niet via een derde, ten einde (aldus) gunning van (een) toekomstige (verlenging van een) beheerscontract(
  22. en)mogelijk te maken; en/of ervoor gezorgd en/of zich er voor ingespannen voor en/of zijn invloed aangewend om de genoegzame naleving van geldende (veiligheids-) procedures en verplichtingen die voor [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] voortvloeiden uit het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017) en overige relevante regelgeving niet (volledig) zouden worden gehandhaafd of dat anderszins (volledige) nakoming daarvan zou worden afgedwongen, in elk geval (telkens) iets heeft gedaan en/of nagelaten iets te doen teneinde enig voordeel voor zichzelf en/of zijn echtgenote[naam] en/of zijn zoon [naam] althans (een) ander(
  23. en)te verkrijgen, welk voordeel bestond uit gift(
  24. en)en/of belofte(
  25. n)en/of dienst(
  26. en)van [medeverdachte 1] en/of [getuige 1] en/of [medeverdachte 3], zijnde die git(
  27. en)en/of belofte(
  28. n)en/of dienst(en): een geldbedrag van USD 5.000,-; en/of een geldbedrag van USD 22.700,-; en/of (het aangaan van) een (dienstverlenings-)overeenkomst met het bedrijf van [naam] /of met de echtgenote van verdachte [naam] en/of (een) geldbedrag(
  29. en)van in totaal (ongeveer) ANG 233.496,91; en/of (het aangaan van) een arbeidsovereenkomst met [zoon] en/of (een) geldbedrag(
  30. en)van in totaal (ongeveer) ANG 128.832,09; en/of (een) geldbedrag(
  31. en)van in totaal (ongeveer) NAF 188.800,-, althans een maandelijks geldbedrag (ongeveer) variërend van USD 6.000,- tot USD 7.000,-. 2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 31 december 2017 te Sint Maarten, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in zijn hoedanigheid als ambtenaar, te weten als hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer (Infrastructure Management), werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), opzettelijk met misbruik van zijn functie en/of positie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor zichzelf en/of zijn echtgenote [naam] en/of zijn zoon [naam] althans een of meer familielid/leden, te verkrijgen, namelijk heeft hij (anders dan om zakelijke redenen en/of niet alleen vanwege zakelijke redenen), terwijl de aanleg van het parkeerterrein op Kim Sha Beach (op een stuk grond samengesteld uit de percelen kadastraal bekend als [kadastrale aanduidingen] reeds was gestart danwel dat reeds tot de aanleg van het parkeerterrein was besloten en/of de bestemming van het betreffende stuk grond door de overheid was vastgesteld (telkens): het herlocatieverzoek van het bedrijf S&Y Enterprises N.V. (van Mullet Bay Beach) naar Kim Sha Beach) goedgekeurd en/of er voor gezorgd en/of voor laten zorgen dat dit herlocatieverzoek werd goedgekeurd en/of een of meer ander(
  32. en)benaderd om op deze wijze de behandeling/afwikkeling van dit verzoek te bespoedigen, althans op enigerlei wijze betrokkenheid gehad bij de behandeling/afwikkeling van dit herlocatieverzoek en/of er voor gezorgd en/of er voor laten zorgen en/of zich er voor ingespannen dat het bedrijf S & Y Enterprises N.V. een bouwvergunning en/of een huurcontract verkreeg op het perceel grond met kadastrale kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] , gelegen te kim Sha Beach, in elk geval (telkens) iets heeft gedaan en/of nagelaten iets te doen teneinde enig voordeel voor zichzelf en/of zijn echtgenote [naam] en/of zijn zoon [naam] ), althans een of meer familielid/leden, te verkrijgen, namelijk goedkeuring van voornoemd herlocatieverzoek en het afgeven van voornoemde bouwvergunning terwijl dit in strijd was met de voorgenomen bestemming van het perceel. 3. hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 te Sint Maarten, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een factuur/purchase order, te weten: een factuur van Sheriff Security Force N.V. (d.d. 8 mei 2013) ten bedrage van USD 546 (D-070, pagina 1) en/of een factuur (bedoeld als specificatie of estimate) van Sheriff Security Force N.V. (d.d. 23 mei 2013) ten bedrage van USD 9.427,25 (D-071, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 131318 (d.d. 7 juni 2013) ten bedrage van USD 9.973,25 (D-070, pagina 2); en/of een factuur van I and B Maintenance Service N.V. (d.d. 21 september 2013) ten bedrage van USD 29.100 (D-167, pagina 4); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10489 (d.d. 23 september 2013) ten bedrage van USD 29.100 (D-203, pagina 2); en/of een factuur van I and B Maintenance Service N.V. (d.d. 11 juni 2014) ten bedrage van USD 6.720 (D-206, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 0031 (d.d. 16 juni 2014) ten bedrage van USD 6.720 (D-206, pagina 2); en/of en factuur van I and B Maintenance Service N.V. (d.d. 22 oktober 2013) ten bedrage van USD 16.766 (D-203, pagina 3); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 0966 (d.d. 11 november 2013) ten bedrage van USD 5.126 (D-203, pagina 4); en/of een factuur van Darius N.V. (d.d. 3 juli 2013) ten bedrage van USD 2.640 (DOC-195), pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10457 (d.d. 8 juni 2013) ten bedrage van USD 2.640 (D-195, pagina 2); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10475 (d.d. 14 augustus 2013) ten bedrage van USD 8.940 (D-193, pagina 3); en/of een factuur van Darius N.V. (d.d. 8 september 2013) ten bedrage van USD 1.120 (DOC-194, pagina 1); en/of en factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 132483 (d.d. 10 september 2013) ten bedrage van USD 1.120 (D-192, pagina 2); en/of een factuur van Office World (d.d. 1 maart 2014) ten bedrage van USD 1.813,84 (D-239, pagina 1); en/of PO 5553 (d.d. 24 februari 2014) ten bedrage van USD 964 (D-239, pagina 4); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5554 (d.d. 24 februari 2014) ten bedrage van USD 900 (D-239, pagina 2); en/of een factuur van Studiomart (d.d. 1 juni 2014) ten bedrage van USD 790 (D-234, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 141307 (d.d. 29 augustus 2014) ten bedrage van USD 790 (D-234, pagina 2); en/of een factuur van Caines Construction & Maintenance Services (d.d. 13 januari 2014) ten bedrage van USD 2.200 (D-215, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 14002 (d.d. 6 januari 2014) ten bedrage van USD 2.200 (D-215, pagina 2); en/of een factuur van Caines Construction & Maintenance Services (d.d. 18 maart 2014) ten bedrage van USD 1.959,55 (D-214, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5585 (d.d. 9 april 2014) ten bedrage van USD 1.959,55 (D-214, pagina 2); en/of een factuur van Caribbean Embroidery (d.d. 17 maart 2014) ten bedrage van USD 615 (D-219, pagina 3); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5567 (d.d. 18 maart 2014) ten bedrage van USD 615 (D-201, pagina 2); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130213 (d.d. 14 juni 2014) ten bedrage van NAF 44.657,68 (D-165, pagina 2 en 3); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130365 (d.d. 9 oktober 2013) ten bedrage van NAF 105.113,53 (D-167, pagina 1 en 2); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140164 (d.d. 28 maart 2014) ten bedrage van NAF 39.659,90 (D-168, pagina 1 en 2); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140181 (d.d. 10 april 2014) ten bedrage van NAF 40.852,14 (D-169, pagina 1 en 2); en/of en verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140282 (d.d. 20 juni 2014) ten bedrage van NAF 35.293,84 (D-171, pagina 1 en 2); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130365 (d.d. 9 oktober 2013 ten bedrage van NAF 105.113,53 (D-278, pagina 1 en 2), zijnde (telkens) (een) geschrift(
  33. en)waaruit enig recht en/of enige verbintenis en/of enige bevrijding van schuld kan ontstaan en/of dat bestemd was / die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel is/kon ontstaan voor het bedrijf Windward Roads B.V. en/of het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, milieu & Infrastructuur (VROMI), althans het Land Sint Maarten, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  34. s)(telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) in/op genoemde factuur/purchase order vermeld dat – zakelijk weergegeven -: de factuur was bestemd voor Windward Roads B.V. en/of de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht/verleend en/of goederen zijn geleverd voor en/of op verzoek van het bedrijf Windward Roads B.V., terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten en/of goederen niet voor en/of op verzoek van dat bedrijf zijn verricht/verleend of geleverd; en/of de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht door het bedrijf Windward Roads B.V., terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet door dat bedrijf zijn verricht; en/of de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht in het kader van een bepaald project (en derhalve zijn geboekt onder een stelpost), terwijl de op de factuur vermelde werkzaamheden of diensten niet in het kader van dit project/deze stelpost zijn verricht. 4. dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 te Sint Maarten, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift, te weten: een factuur van Sheriff Security Force N.V. (d.d. 8 mei 2013) ten bedrage van USD 546 (D-070, pagina 1) en/of een factuur (bedoeld als specificatie of estimate) van Sheriff Security Force N.V. (d.d. 23 mei 2013) ten bedrage van USD 9.427,25 (D-071, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 131318 (d.d. 7 juni 2013) ten bedrage van USD 9.973,25 (D-070, pagina 2); en/of 2. een factuur van I and B Maintenance Service N.V. (d.d. 21 september 2013) ten bedrage van USD 29.100 (D-167, pagina 4); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10489 (d.d. 23 september 2013) ten bedrage van USD 29.100 (D-203, pagina 2); en/of een factuur van I and B Maintenance Service N.V. (d.d. 11 juni 2014) ten bedrage van USD 6.720 (D-206, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 0031 (d.d. 16 juni 2014) ten bedrage van USD 6.720 (D-206, pagina 2); en/of en factuur van I and B Maintenance Service N.V. (d.d. 22 oktober 2013) ten bedrage van USD 16.766 (D-203, pagina 3); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 0966 (d.d. 11 november 2013) ten bedrage van USD 5.126 (D-203, pagina 4); en/of 3. een factuur van Darius N.V. (d.d. 3 juli 2013) ten bedrage van USD 2.640 (DOC-195), pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10457 (d.d. 8 juni 2013) ten bedrage van USD 2.640 (D-195, pagina 2); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10475 (d.d. 14 augustus 2013) ten bedrage van USD 8.940 (D-193, pagina 3); en/of een factuur van Darius N.V. (d.d. 8 september 2013) ten bedrage van USD 1.120 (DOC-194, pagina 1); en/of en factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 132483 (d.d. 10 september 2013) ten bedrage van USD 1.120 (D-192, pagina 2); en/of 4. een factuur van Office World (d.d. 1 maart 2014) ten bedrage van USD 1.813,84 (D-239, pagina 1); en/of PO 5553 (d.d. 24 februari 2014) ten bedrage van USD 964 (D-239, pagina 4); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5554 (d.d. 24 februari 2014) ten bedrage van USD 900 (D-239, pagina 2); en/of 5. een factuur van Studiomart (d.d. 1 juni 2014) ten bedrage van USD 790 (D-234, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 141307 (d.d. 29 augustus 2014) ten bedrage van USD 790 (D-234, pagina 2); en/of 6. een factuur van Caines Construction & Maintenance Services (d.d. 13 januari 2014) ten bedrage van USD 2.200 (D-215, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 14002 (d.d. 6 januari 2014) ten bedrage van USD 2.200 (D-215, pagina 2); en/of een factuur van Caines Construction & Maintenance Services (d.d. 18 maart 2014) ten bedrage van USD 1.959,55 (D-214, pagina 1); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5585 (d.d. 9 april 2014) ten bedrage van USD 1.959,55 (D-214, pagina 2); en/of 7. een factuur van Caribbean Embroidery (d.d. 17 maart 2014) ten bedrage van USD 615 (D-219, pagina 3); en/of een factuur/purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5567 (d.d. 18 maart 2014) ten bedrage van USD 615 (D-201, pagina 2); en/of 8. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130213 (d.d. 14 juni 2014) ten bedrage van NNAF 44.657,68 (D-165, pagina 2 en 3); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130365 (d.d. 9 oktober 2013) ten bedrage van NAF 105.113,53 (D-167, pagina 1 en 2); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140164 (d.d. 28 maart 2014) ten bedrage van NAF 39.659,90 (D-168, pagina 1 en 2); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140181 (d.d. 10 april 2014) ten bedrage van NAF 40.852,14 (D-169, pagina 1 en 2); en/of en verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140282 (d.d. 20 juni 2014) ten bedrage van NAF 35.293,84 (D-171, pagina 1 en 2); en/of een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130365 (d.d. 9 oktober 2013 ten bedrage van NAF 105.113,53 (D-278, pagina 1 en 2), (elk) zijnde (een) geschrift(
  35. en)dat bestemd was/die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die/dat geschrift(
  36. en)(telkens) echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan en/of bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(
  37. s)(telkens): deze factuur/purchase order ter uitbetaling heeft gediend of laten indienen bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI); en/of deze factuur/purchase order heeft/hebben (laten) voorzien van een paraaf (ter goedkeuring); en/of deze factuur/purchase order heeft/hebben laten uitbetalen door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI); en/of deze factuur/purchase order heeft opgenomen of heeft laten opnemen in de (crediteuren)administratie/boekhouding van Windward Roads B.V., en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die factuur/purchase order (telkens) was opgenomen en/of vermeld dat -zakelijk weergegeven-: de factuur was bestemd voor Windward Roads B.V. en/of de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht/verleend en/of goederen zijn geleverd voor en/of op verzoek van het bedrijf Windward Roads B.V., terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten en/of goederen niet voor en/of op verzoek van dat bedrijf zijn verricht/verleend of geleverd; en/of de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht door het bedrijf Windward Roads B.V., terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet door dat bedrijf zijn verricht; en/of de werkzaamheden en/of diensten zijn verricht in het kader van een bepaald project (en derhalve zijn geboekt onder een stelpost), terwijl de op de factuur vermelde werkzaamheden of diensten niet in het kader van dit project/deze stelpost zijn verricht. Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, leest het gerecht deze voor de leesbaarheid in de bewezenverklaring cursief verbeterd. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman heeft aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens ernstige vormverzuimen/normschendingen in verschillende fasen van het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte. Subsidiair dient dit tot bewijsuitsluiting te leiden en meer subsidiair (ook vanwege de schending van de redelijke termijn) tot strafvermindering, aldus de raadsman. Concluderend stelt de raadsman dat het onderzoek op zeer vooringenomen, roofzuchtige en in elk geval onzorgvuldige wijze is geschied door “Officers van de Court” die zich de strafrechtelijke veroordeling van [verdachte] en [echtgenote] in het vizier stelden, koste wat het kost. De rechten en belangen van [verdachte] zijn daarbij telkenmale geschonden en met voeten getreden, zodanig dat niet meer gesproken kan worden van een eerlijke/zuivere rechtsbedeling. Daarbij zijn, volgens de raadsman, getuigen/verdachten op verkapte wijze als kroongetuige ingezet, zijn personen die, hoe vaag ook, negatief over [verdachte] en [echtgenote] kunnen verklaren buiten vervolging gesteld of gehouden en zijn andere getuigen bedreigd, getreiterd en ongeoorloofd onder druk gezet om negatief over [verdachte] te verklaren. Het openbaar ministerie stelt, bij tijd en wijle bijgestaan door rechters, alles in het werk om tegen [verdachte] en [echtgenote] een succesvolle strafvervolging te realiseren, waarbij schending van procedurele waarborgen, equality of arms, niet is geschuwd, aldus de raadsman. De officier van justitie heeft zich in repliek, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een oneerlijk proces, noch van een inbreuk op enig beginsel van behoorlijke rechtspleging of andere normschending, en acht daarom geen grond aanwezig voor niet-ontvankelijk verklaring, bewijsuitsluiting of strafvermindering. Alvorens over te gaan tot de bespreking van hetgeen de raadsman ter adstructie van zijn stellingen heeft aangevoerd, merkt het gerecht het volgende op. Van de raadsman mag in het kader van gestelde vormverzuimen en/of normschendingen worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in dat artikel omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Hoewel het gerecht zich heeft ingespannen om tot een juiste duiding te komen van al hetgeen door de raadsman in dit verband naar voren is gebracht, is zij daarin beperkt doordat de raadsman op veel punten heeft volstaan met een globale omschrijving van de gestelde normschending alsook een summiere motivering van het gestelde, waarbij de argumentatielijnen van de raadsman en de volgens hem aan bepaalde omstandigheden/voorvallen te verbinden conclusies niet altijd goed te volgen zijn, en ook niet steeds duidelijk is welk rechtsgevolg de raadsman nu precies aan welke normschending verbonden wenst te zien. Met inachtneming van de hierdoor veroorzaakte beperkingen heeft het gerecht, teneinde toch zoveel mogelijk recht te doen aan hetgeen is aangevoerd, de volgende hoofdthema’s in het betoog van de raadsman weten te onderkennen: de bevooroordeelde houding van het openbaar ministerie en de opsporingsambtenaren; de onthouding van processtukken in de verlofprocedure; de weigering van de rechter-commissaris om de verdachte aanwezig te laten zijn bij de getuigenverhoren; e aanloop naar de zitting van 27 september 2021, de onjuiste weergave van verklaringen van de verdachte in het proces-verbaal van de zitting van 28 en 29 september 2021 door de zittingsrechter en de correctie van de raadsman door de zittingsrechter; de (verkapte) inzet van kroongetuigen en het doen van toezeggingen; het bedreigen, treiteren en ongeoorloofd onder druk zetten van getuigen. a. De bevooroordeelde houding van het openbaar ministerie en de opsporingsambtenaren De raadsman heeft in dit verband in de eerste plaats aangevoerd dat het procesdossier een gekunstelde werkelijkheid weergeeft, bestaande uit roddels en stemmingmakerij, met onbegrip voor de realiteit op de werkvloer binnen overheidsdepartementen op Sint Maarten. Ook is geen onderzoek gedaan naar ontlastende scenario’s. De ondertoon van het hele onderzoek was dat men ontdaan was dat [naam bedrijf 2] het contract voor de Dump had verloren, aldus de raadsman. Het gerecht volgt de raadsman niet in dit betoog, reeds omdat dit verweer niet met concrete feiten en omstandigheden wordt onderbouwd. Voor zover de raadsman doelt op – naar zijn mening – te gemakkelijk door opsporingsambtenaren en/of leden van het openbaar ministerie getrokken conclusies ten nadele van zijn cliënt, zij opgemerkt dat deze strafprocedure er juist voor is bedoeld om te bepalen of die conclusies al dan niet terecht zijn. Het enkel innemen van een – van dat van de raadsman afwijkend – standpunt door opsporingsambtenaren en/of leden van het openbaar ministerie levert niet een normschending op. Ook het – al dan niet in het kader van rechtshulpverzoeken – door opsporingsambtenaren en/of de officier van justitie verwijzen naar (de resultaten van) andere opsporingsonderzoeken levert niet een dergelijke schending op. Het gerecht is voorts, het dossier en de loop van de strafprocedure overziend, van oordeel dat er – onder meer door het ter zitting horen van verschillende door de verdediging verzochte getuigen en het mede naar aanleiding van verzoeken van de verdediging laten opstellen van nadere processen-verbaal – voldoende oog is geweest voor niet alleen belastende, maar ook voor mogelijk ontlastende feiten en omstandigheden. De raadsman heeft ook niet gesteld welk alternatief scenario daarbij over het hoofd zou zijn gezien. Voor zover de raadsman hierbij doelt op het feit dat TCI-processen-verbaal in het dossier zijn gevoegd, faalt dat betoog eveneens. Het opnemen van dergelijke, volgens vast protocol tot stand gekomen processen-verbaal, met de daarin opgenomen kanttekening dat deze niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, levert geen schending op van enige norm. Wat er ook zij van de stelling van de raadsman dat [verdachte] en [echtgenote] zich tijdens hun verhoren bij de politie terecht op hun verschoningsrecht hebben beroepen, en wel degelijk bereid waren hun verhaal te doen bij de rechter-commissaris, het feit dat de officier van justitie niet bereid is gebleken daarvoor een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen levert geen normschending op, reeds omdat de officier van justitie hiertoe niet verplicht is. Niet aannemelijk is geworden dat de officier van justitie hiermee wilde voorkomen dat ook anderen bij de rechter-commissaris gehoord zouden worden, voordat de opsporingsambtenaren met hen gesproken zouden hebben. Zulks te meer nu de raadsman in het geheel geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die enig aanknopingspunt bieden voor de juistheid van het gestelde en het gerecht daarvan ook overigens niets is gebleken. De onthouding van processtukken in de verlofprocedure De raadsman heeft aangevoerd dat de voorzitter van de hofcombinatie (en de procureur-generaal) in de verlofprocedure verdachtes recht op een eerlijk proces hebben geschonden, door hem in die procedure het grootste deel van de processtukken te (laten) onthouden, waarbij deze bij de – uiteindelijk te late – verstrekking ook nog onvolledig waren. Voor zover niet reeds op grond van het gesloten systeem van rechtsmiddelen moet worden geoordeeld dat dit verweer niet kan slagen, oordeelt het gerecht dat niet valt in te zien welke norm zou zijn geschonden met het door de voorzitter op grond van een in artikel 7 van de Landsverordening vervolging politieke gezagsdragers neergelegde wettelijke bevoegdheid genomen gemotiveerd besluit tot onthouding van processtukken in de zaak van [verdachte]. De weigering van de rechter-commissaris om de verdachte aanwezig te laten zijn bij de getuigenverhoren De raadsman heeft gesteld dat de door hem uitvoerig beschreven gang van zaken met betrekking tot de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris moet worden gekwalificeerd als een stelselmatige beperking en schending van de verdedigingsrechten die vormverzuimen oplevert en ervoor heeft gezorgd dat er geen sprake was van een eerlijke procesvoering. Het gerecht oordeelt dat, wat hier ook van zij, vast staat dat alle door het gerecht toegewezen getuigen uiteindelijk op de openbare terechtzitting door de zittingsrechter zijn gehoord. De raadsman en zijn cliënt zijn daarbij aanwezig geweest en hebben de getuigen vragen kunnen stellen en tegen hun verklaring kunnen inbrengen wat tot zijn verdediging kan dienen. Bij die stand van zaken is er geen sprake van enige normschending en/of een oneerlijk proces. De aanloop naar de zitting van 27 september 2021, de onjuiste weergave van verklaringen van de verdachte in het proces-verbaal van de zitting van 28 en 29 september 2021 door de zittingsrechter, en de correctie van de raadsman door de zittingsrechter De raadsman heeft in de eerste plaats betoogd dat zijn cliënten zich onder druk gezet hebben gevoeld in de aanloop naar de zitting van 27 september 2021. Hoe dat ook zij, feit is dat [verdachte] en [echtgenote] op die zitting zijn verschenen, in aanwezigheid van de raadsman. Voorts is, mede op verzoek van de raadsman, het onderzoek ter zitting voor zes weken geschorst, onder meer om de raadsman de gelegenheid te geven zich voor te bereiden op het pleidooi, mede op basis van hetgeen de getuigen ter zitting op 27 en 28 september 2021 hadden verklaard. De raadsman heeft op 15 en 16 november 2021 uitgebreid het woord ter verdediging gevoerd. Het gerecht vermag niet in te zien op welke wijze deze gang van zaken voor de cliënten van de raadsman, zoals deze stelt, een zodanige druk hebben opgeleverd, dat van een normschending kan worden gesproken. De raadsman heeft voorts betoogd dat de verklaringen van zijn cliënten, alsook die van de andere, in hetzelfde feitencomplex gelijktijdig maar niet gevoegd terechtstaande, verdachten – ten nadele van [verdachte] – onjuist in het proces-verbaal van de zitting van 28 en 29 september 2021 zijn opgenomen. Hierbij zouden hele delen van de politieverhoren zijn opgenomen, die niet ter zitting zijn gezegd of besproken. Het gerecht overweegt hierover dat deze kwestie reeds is besproken op de zitting van 15 november 2021, zoals blijkt uit het van die zitting opgemaakte proces-verbaal. Het gerecht blijft bij hetgeen in dat proces-verbaal is overwogen en beslist en beschouwt die overwegingen en beslissingen als hier te zijn herhaald en ingelast. Bij pleidooi heeft de raadsman nog gewezen op een aantal andere vermeende onjuistheden. Voor zover dit de verklaringen van de andere verdachten betreft, geldt dat de raadsman van [verdachte] niet in de positie is om daarin wijzigingen voor te stellen, aangezien deze verklaringen niet in zijn zaak zijn afgelegd noch in zijn zaak zijn gevoegd. Wel heeft het gerecht de bij pleidooi hierover door de raadsman gemaakte opmerkingen ter informatie gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van 15 en 16 november 2021. Het gerecht stelt voorop dat de rechter samen met de griffiers de inhoud van het proces-verbaal vaststelt en ondertekent ter juistheid van hetgeen daar is vermeld. Het proces-verbaal wordt vastgesteld aan de hand van de zittingsaantekeningen van de griffiers van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. Het proces-verbaal behelst daarnaast de zakelijke inhoud van de verklaringen van getuigen, deskundigen en verdachten. Een zogenoemd “verzamelproces-verbaal” waarin niet alleen wordt vermeld wat in de zaak van de verdachte is voorgevallen maar ook de verslaglegging bevat van de gelijktijdige, niet gevoegde, behandeling van de zaak tegen de andere verdachten, is een geaccepteerde werkwijze en brengt geen nietigheid van het onderzoek ter zitting mee. Indien de verdediging van mening is dat in dat proces-verbaal onjuistheden zijn geslopen die van belang zijn voor de verdediging dan kan zij dit ter zitting aan de orde stellen. De rechter kan, indien hij het aangevoerde juist acht en in het belang van het onderzoek, binnen redelijke grenzen, het proces-verbaal aanpassen. Het gerecht heeft aan de hand van de aantekeningen van beide griffiers vastgesteld dat wat in het proces-verbaal is opgenomen een juiste zakelijke weergave is van hetgeen de verdachte ter zitting heeft verklaard. Maar ook indien woordelijk zou zijn gezegd wat de raadsman heeft aangevoerd, ziet het gerecht niet welk nadeel de verdachte heeft ondervonden van de zakelijke weergave daarvan. Overigens is juist dat [naam] niet heeft verklaard dat de camera’s niets te maken hadden met de Landfill. Dit moet verbeterd worden gelezen als: Sewage plant. Nu door de raadsman op geen enkele wijze is aangevoerd welk rechtens te respecteren belang is geschaad, wordt het verweer verworpen. De raadsman heeft voorts gesteld dat is afgedaan aan het verdedigingsbelang van zijn cliënt en aan het recht op een eerlijke procesvoering, doordat de zittingsrechter hem heeft meegedeeld dat het storend was dat de raadsman tijdens het pleidooi van mr. Bommel bij herhaling hoorbaar sprak met zijn cliënt. Hierover overweegt het gerecht als volgt. De rechter bepaalt de orde in de zittingszaal. Het spreekt dan ook voor zich dat de rechter, indien een van de raadslieden zich in de zittingszaal op een zodanige wijze met zijn cliënten verstaat dat het voor de rechter en de griffiers niet meer goed mogelijk is om het betoog van de raadsvrouw van een van de andere procesdeelnemers te kunnen volgen, dient in te grijpen. Dat is hier ook gebeurd. Het is te betreuren dat de raadsman kennelijk het storende van zijn gedrag voor zijn omgeving op dat moment niet heeft ingezien of dat dit hem is ontgaan. Wat daarvan ook zij, het gerecht vermag – zonder nadere motivering, die niet is gegeven – niet in te zien welke inbreuk op welk beginsel van behoorlijke procesorde of andere normschending hier aan de orde is en in het verlengde daarvan, op welke wijze dit kan bijdragen aan het door de raadsman beoogde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De (verkapte) inzet van kroongetuigen en het doen van toezeggingen De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat in de onderhavige zaak geen gebruik is gemaakt van kroongetuigen en dat aan niemand enige toezegging is gedaan om hem te bewegen om een verklaring af te leggen. Het gerecht heeft, bij afwezigheid van concrete indicaties voor het tegendeel, geen reden om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen. Het bedreigen, treiteren en ongeoorloofd onder druk zetten van getuigen De raadsman heeft bij pleidooi gesteld dat TBO-verbalisanten tijdens verhoren getuigen op onaanvaardbare wijze onder druk hebben gezet om – naar het gerecht begrijpt: – nadelig over [verdachte] te verklaren. Steun voor deze stelling moet volgens de raadsman worden gevonden in door hem overgelegde schriftelijke verklaringen, waarbij de raadsman kennelijk in het bijzonder doelt op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . Het gerecht overweegt hierover als volgt. Vooropgesteld wordt dat het pressieverbod inhoudt dat verhorende ambtenaren geen ongeoorloofde lichamelijke of psychische druk op een gehoorde persoon mogen uitoefenen, waardoor deze een verklaring aflegt waarvan niet kan worden gezegd dat deze in vrijheid is afgelegd. De vraag wanneer van zo’n ongeoorloofde druk sprake is, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. In de jurisprudentie valt geen scherpe scheidslijn te ontwaren tussen datgene wat nog wel en datgene wat niet meer geoorloofd is. Duidelijk is wel dat een indringende ondervraging, zeker indien een verdenking bestaat van een zeer ernstig feit, op zichzelf toegestaan is. In het naar aanleiding van vragen van de raadsman over dit onderwerp opgestelde proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2021 (AMB-111) is gerelateerd dat alle tijdens de verhoren in het dossier Ruby gestelde vragen en antwoorden letterlijk zijn uitgewerkt en opgetekend in de desbetreffende processen-verbaal van verhoor. Nu het gerecht geen reden heeft om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen, zijn die processen-verbaal van verhoor zelf de belangrijkste kenbron bij de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is geweest van oneigenlijke druk op getuigen en/of verdachten. Het gerecht zal ter beoordeling van de door de desbetreffende getuigen afgelegde schriftelijke verklaringen hierna de processen-verbaal van hun verhoren nader beschouwen. [naam medeverdachte 1] [getuige 1] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 9 november 2020 verklaard: “On many occasions during that time [naam] told me that he was being questioned about the Sint Maarten Dump. More specifically, about the contact that was awarded to a company that he was involved with to maintain or operate the Dump. According to [naam] he was repeatedly asked if he and/or his company gave mr. [verdachte] any money to be awarded a contract, or for any type of favor. [naam] was complaining about this and I always got the impression that he felt pressured by the persons who were questioning him. (…) At a certain point in time [naam] started telling me and [naam] that the police officers who were questioning him were telling him that unless he stated or admitted that he or his company was/were paying money to Mr. [verdachte], the police would go after [naam] for tax evasion matters.” [getuige 1] heeft verklaringen afgelegd op 11 december 2018, 2 april 2019, 3 april 2019, 20 februari 2020, 21 februari 2020 en op 24 april 2020. Verbalisanten relateren in de vierde verklaring dat [getuige 1] het zichtbaar moeilijk heeft en dat hij aangeeft dat hij worstelt wat hij moet vertellen. Hij zegt dat de druk groot is en dat verbalisanten ’s avonds naar huis gaan maar dat hij nog verder moet op het eiland. In zijn vijfde verklaring geeft [medeverdachte 2 ] aan dat zijn angst hem erin zit wat er hierna gaat gebeuren. Straks staat het op papier en zit het in het dossier. Hij zit dan thuis en moet hierdoor continu oppassen. [getuige 1] sluit af met de woorden dat hij denkt dat hij nu alles wel heeft verteld. Op 24 april 2020 is [getuige 1] telefonisch gehoord. Tijdens het verhoor wordt hij boos en vraagt verbalisanten wat de bedoeling is. Hij verklaart dat hij weet dat hij fouten heeft gemaakt en dat hij heeft geprobeerd openheid van zaken hierover te geven. Hij vraagt zich af of hij nu vervolgd gaat worden voor belastingfeiten. Verbalisanten hebben hierop gezegd dat zij de afgelegde verklaringen toetsen op basis van feiten, zodat zij de verklaringen kunnen verifiëren. Als op enig moment aan [medeverdachte 2] wordt gevraagd waarom hij niet direct openheid van zaken heeft gegeven toen verbalisanten hem confronteerden met de factuur, antwoordt hij dat hij die afweging heeft gemaakt omdat hij eerder met die factuur is geconfronteerd en hij bij hetzelfde verhaal wilde blijven omdat het anders ongeloofwaardig zou zijn (a lie is a long way to the truth). Op 14 mei 2020 is aan [getuige 1] medegedeeld dat hij als verdachte wordt aangemerkt. Verbalisanten hebben hem gevraagd of hij achter de verklaringen blijft staan, zoals hij die eerder heeft afgelegd. [getuige 1] heeft daarop aangegeven dat dit het geval is, daarmee uitdrukkelijk verwijzend naar de laatste verklaringen waarin hij heeft getracht openheid van zaken te geven. Op 24 februari 2021 (AMB-105) hebben verbalisanten de verklaring van [medeverdachte 1] aan [getuige 1] getoond. [getuige 1] heeft verklaard, voor zover hier relevant, dat hij het uiteraard niet prettig vond om door de politie gehoord te worden en dat hij dus in die zin wel druk voelde. Dit betrof volgens [getuige 1] geen ongeoorloofde druk. [getuige 1] verklaarde dat hij vooral druk voelde toen hij tijdens de politieverhoren werd geconfronteerd met onderliggende stukken. Op dat moment realiseerde hij zich dat hij er niet meer om heen kon en dat het geen zin meer had om te ontkennen. Uit het bovenstaande volgt dat [getuige 1] het door [medeverdachte 1] gestelde in het geheel niet onderschrijft. Voor zover [getuige 1] druk heeft ervaren kwam deze voort uit de mogelijke gevolgen die zijn verklaringen voor hem zelf zouden kunnen hebben. Niet aannemelijk is geworden dat, zoals door de raadsman gesteld, oneigenlijke druk op [medeverdachte 2] is uitgeoefend om hem te bewegen nadelig over [verdachte] te verklaren. [naam getuige2] [getuige 2] heeft in een schriftelijke verklaring van 13 juli 2020 verklaard: “I was literally harassed by TBO officers and threatened with criminal procedural measures if I did not cooperate.” [getuige 2] is op 23 oktober 2019 en op 11 december 2019 als getuige gehoord. In zijn eerste verklaring heeft de politie [getuige 2] vragen gesteld over diverse facturen uit zijn administratie. De politie heeft hem voorgehouden dat het lastig is om onderzoek te doen naar zijn administratie als hij zelf onjuistheden op de facturen vermeldt, waarop de getuige heeft geantwoord dat hij dit begrijpt. De vraag of hij nog vragen heeft of ergens op terug wil komen, beantwoordde [getuige 2] ontkennend. [getuige 2] heeft het proces-verbaal vervolgens getekend. Bij aanvang van het tweede verhoor is [getuige 2] gevraagd of hij nog iets wil toevoegen aan zijn eerdere verklaring. [getuige 2] zegt vervolgens niets over door hem bij het eerste verhoor ervaren druk. Zoals de raadsman heeft aangevoerd is [getuige 2] gedurende het tweede verhoor voorgehouden: “Wij wijzen u erop dat als u bewust informatie achterhoudt de mogelijke consequenties voor uw rekening zijn. U heeft nu meerdere malen de kans gekregen om de waarheid te vertellen. U bent hier het slachtoffer van. U bent niet de enige. De keuze is aan u om de waarheid te spreken. U bent een hardwerkend persoon en heeft een goedlopend bedrijf.” Aan het einde van het verhoor is [getuige 2] opnieuw de vraag gesteld of hij nog vragen of opmerkingen heeft of ergens op terug wil komen. Hij heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het gerecht leest in de aan [getuige 2] gestelde vragen niet dat op enigerlei wijze oneigenlijke druk is uitgeoefend om nadelig over [verdachte] te verklaren. Ook moet worden vastgesteld dat [getuige2] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om naar aanleiding van de verhoren nog iets op te merken. [naam getuige 3] [getuige 3] is op 21 januari 2020 als getuige gehoord. Hij is toen uitgebreid ingegaan op zijn rol als waarnemend hoofd Domeinbeheer en zijn relatie met [verdachte]. Aan het einde van het verhoor is hem de vraag gesteld of hij nog iets aan zijn verklaring wil toevoegen. Hij heeft die vraag ontkennend beantwoord. De getuige heeft zijn verklaring doorgelezen, verklaarde daarin te volharden en heeft deze ondertekend. [getuige 3] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 9 januari 2021 herhaald wat hij eerder heeft verklaard. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hem voortdurend de vraag werd gesteld, kort gezegd, of [verdachte] druk op hem heeft uitgeoefend, welke vraag hij steeds met ‘nee’ heeft beantwoord. [getuige 3] had het gevoel dat dit niet het antwoord was dat de verbalisanten wilden horen. Volgens hem hebben de verbalisanten daarna de bandopname gestopt en de getuige voorgehouden dat zij begrijpen dat het moeilijk is om naar waarheid te verklaren en dat hij zich comfortabel moet voelen. In reactie daarop heeft [getuige 3] verklaard dat hij volstrekt comfortabel was en naar eer en geweten de waarheid heeft verklaard. In een proces-verbaal van bevindingen van 11 juni 2021 (AMB-108) relateren de bij voormeld verhoor betrokken opsporingsambtenaren dat het verhoor in het geheel niet is opgenomen. Het gerecht acht op grond van hetgeen in het proces-verbaal van verhoor van deze getuige is gerelateerd, in samenhang met het feit dat het door [getuige 3] gestelde incident met de bandopname blijkens het daarover opgemaakte ambtsedige proces-verbaal niet heeft plaatsgevonden, niet aannemelijk geworden dat op hem oneigenlijke druk is uitgeoefend om ten nadele van [verdachte] te verklaren. Daarbij komt dat deze getuige zelf heeft verklaard volstrekt comfortabel te zijn geweest in het verhoor en naar waarheid te hebben verklaard. [naam getuige 4] [getuige 4] is op 8 juli 2019 en 25 oktober 2019 als getuige gehoord. Daarnaast zijn er twee processen-verbaal opgemaakt naar aanleiding van met hem gevoerde gesprekken (AMB-049 en AMB-051). Hij is op 24 augustus 2021 als getuige door de rechter-commissaris gehoord en hij is op 27 september 2021 ter terechtzitting van het gerecht als getuige gehoord. De schriftelijke verklaring van [getuige 4] van 15 januari 2021 behelst, voor zover hier relevant, niet meer dan dat hem is gevraagd te speculeren naar wat er wel of niet aan de hand was met de stelpost, hetgeen hij niet heeft gedaan. [getuige 4] heeft ter terechtzitting op 27 september 2021 verklaard dat hij tijdens zijn tweede politieverhoor druk heeft ervaren, die hieruit bestond dat ze zijn belastingen onder de loep zouden nemen en hem zouden opsluiten en dat ze anders wel iets anders zouden bedenken. Dit deden ze volgens [getuige 4] om te bewerkstelligen dat hij zou gaan praten. Ook tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 24 augustus 2021 heeft hij druk ervaren. Hij kan niet meer uitleggen waaruit die druk heeft bestaan. Voor zover [getuige 4] door de opsporingsambtenaren gevraagd zou zijn om te speculeren, valt dit naar het oordeel van het gerecht niet te kwalificeren als het uitoefenen van oneigenlijke druk. Daarbij komt dat [getuige 4] volgens eigen zeggen niet op dat verzoek is ingegaan. Voorts leest het gerecht in de processen-verbaal van verhoor van deze getuige in het geheel niet dat sprake is geweest van oneigenlijke druk. Integendeel, de getuige antwoordt zonder veel aandringen op alle aan hem gestelde vragen en neemt – zij het schoorvoetend – verantwoordelijkheid voor zijn eigen rol. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris bevestigt [getuige 4] ook dat hij bij de politie de waarheid heeft verteld. Voorts valt op dat de getuige noch in zijn schriftelijke verklaring, noch bij de rechter-commissaris, melding maakt van tijdens de politieverhoren op hem uitgeoefende druk en hij ook overigens niet kan toelichten waaruit de door de rechter-commissaris op hem uitgeoefende druk zou hebben bestaan. Dit leidt het gerecht tot de conclusie dat ook ten aanzien van deze getuige niet aannemelijk is geworden dat tijdens de politieverhoren sprake is geweest van oneigenlijke druk. De slotsom is dat ten aanzien van geen van deze getuigen noch van [getuige 1] aannemelijk is geworden dat zij tijdens hun verhoren zijn blootgesteld aan oneigenlijke druk, en dat er geen aanwijzingen zijn dat zij niet in vrijheid hebben verklaard. Het gerecht wil zonder meer aannemen dat getuigen op indringende wijze zijn verhoord. Echter, die omstandigheid brengt niet mee dat op grond daarvan gezegd moet worden dat de verklaringen in strijd met het pressieverbod zijn verkregen. Ook dit onderdeel van het verweer kan daarom niet slagen. Conclusie Op grond van al het voorgaande concludeert het gerecht dat geen sprake is geweest van inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, of van enige andere normschending. Voor het door de raadsman beoogde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is dan ook geen plaats. Nu naar het oordeel van het gerecht geen sprake is van inbreuk op enig beginsel van behoorlijke procesorde/normschending, wordt ook het niet gemotiveerde verzoek tot bewijsuitsluiting of dientengevolge strafvermindering afgewezen. Het verweer van de raadsman wordt dus in alle onderdelen verworpen. Vrijspraak Zaaksdossier 2: Kim Sha beach Inleiding Ten aanzien van dit feit staat – kort gezegd – ter beoordeling of de verdachte opzettelijk, met misbruik van zijn functie: - het door het bedrijf van zijn zoon en dochter [bedrijf kinderen] ingediende herlocatieverzoek van Mullet Bay naar Kim Sha beach heeft goedgekeurd, of er voor heeft gezorgd of laten zorgen dat dit werd goedgekeurd en/of anderen heeft benaderd om de behandeling/afwikkeling van dit verzoek te bespoedigen, of op andere wijze bij die behandeling/afwikkeling betrokken is geweest; - er voor heeft gezorgd of laten zorgen en/of zich er voor heeft ingespannen dat [bedrijf kinderen] een huurcontract en een bouwvergunning kreeg op Kim Sha beach. Vast staat dat de verdachte uit hoofde van zijn functie als hoofd van de beheersdienst van VROMI bij deze kwestie betrokken was. De vraag die in het kader van een eventuele bewezenverklaring beantwoord moet worden is of die betrokkenheid verder is gegaan dan wordt gerechtvaardigd door die (legitieme) betrokkenheid en van dien aard is geweest dat sprake was van opzettelijk misbruik van zijn functie of zijn positie. Het gerecht overweegt hierover als volgt. Het herlocatieverzoek van [bedrijf kinderen] naar Kim Sha beach Chronologische weergave van de feiten - Op 23 januari 2014 is door het ministerie van VROMI een aanbestedingsdocument opgesteld voor de aanleg van een parkeerplaats op Kim Sha beach. Een tekening met perceelnummers met daarop de exacte locatie van de parkeerplaats ontbreekt, wel is er een foto waarop de plaats van de parkeerplaats is getekend (D-262, p. 10). De verdachte heeft ter terechtzitting van 29 september 2021 verklaard dat deze foto klopt. - De verdachte heeft voor wat betreft de precieze perceelnummers van de parkeerplaats gewezen op het locatieplan dat onderdeel uitmaakt van de advies/beslisblad advertentie constructie parkeergelegenheid Kim Sha beach (D-261, p. 4). Dit advies is opgemaakt op 12 februari 2014 en noemt [verdachte] als de contactpersoon. Het gerecht stelt vast dat hieruit volgt dat de parkeerplaats aangelegd moest worden op de perceelnummers:[nummers] , (zijnde het perceel waarop het bedrijf Go Dive Sint Maarten N.V. (Go Dive) is gevestigd) en deels op perceel [nummers] (zijnde het perceel waarop [bedrijf kinderen] zou worden gevestigd). De verdachte heeft ter terechtzitting van 29 september 2021 verklaard dat dit plan op 23 februari 2014 door de ministerraad is goedgekeurd en dat de aanbesteding van de parkeerplaats daarna kon worden uitgeschreven. Hij heeft verklaard dat uit dit plan blijkt dat het de bedoeling was dat de parkeerplaats slechts op een deel van het kadastrale perceel [nummer] zou worden aangelegd en niet op het gehele perceel. - Op 23 juli 2015 heeft Francisca Smith van VROMI het Kadaster verzocht om de namen van de eigenaren van de betreffende percelen te verstrekken, waaronder de percelen [nummers] (D-263, p. 2. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze correspondentie mogelijk in cc heeft ontvangen en dat deze te maken had met de procedure tegen Go Dive, omdat de parkeerplaats mede op hun terrein zou worden aangelegd. Uit het antwoord van het Kadaster aan Smith volgt dat perceel [nummer] eigendom is van Eilandgebied Sint Maarten en dat voor perceel [nummer] geen vergunning aan het bedrijf Go Dive/Go Dive is verleend. - Ruim twee jaar nadat de ministerraad de aanleg van de parkeerplaats heeft goedgekeurd doet de zoon van [verdachte] op 4 april 2016 een verzoek namens [bedrijf kinderen] Enterprises aan de minister van TEATT om herlocatie van zijn bedrijf van Mulletbay naar Kim Sha beach (D-264, p. 3). Er wordt verzocht om herlocatie naar het strand van Kim Sha beach, er wordt niet om een bepaald perceel verzocht. - Op 16 mei 2016, kort nadat het verzoek door [bedrijf kinderen] is ingediend, wordt daadwerkelijk aangevangen met de aanleg van het parkeerterrein (D-265). In het dossier bevindt zich een e-mailbericht van de verdachte aan [naam] (van TEATT) van 16 mei 2016 te 03.36 uur waarin hij dringend om informatie vraagt over Go Dive, dat is gevestigd op Kim Sha beach en waarvan hij een zakelijke licentie heeft ontvangen. [verdachte] vraagt hem na te gaan of er een bouwvergunning is afgegeven aan Go Dive voor die locatie. Tevens verzoekt hij om het inspectierapport waaruit blijkt dat is gecontroleerd dat het bedrijf op de juiste locatie is gebouwd. Hij deelt mee dat hij de informatie nodig heeft omdat de regering voornemens is een parkeerplaats te bouwen op Kim Sha beach (D-267, p. 1623). - Uit de daaropvolgende reeks e-mailberichten tussen de verdachte en Lucien Wilson, hoofd van de inspectiedienst van TEATT blijkt dat [verdachte] probeert een beeld te krijgen wat de status is van Go Dive/ Ocean Explorers op genoemd perceel. Wilson antwoordt aan [verdachte] dat Go Dive sinds 2008 een vergunning heeft voor Welfare Road 113. Op 2 juni 2016 schrijft Wilson dat verschillende bedrijven zijn gevestigd op het adres Welfare Road 113, waaronder ook Go Dive. Er kan volgens hem niet worden geconcludeerd dat Go Dive illegaal is gevestigd op genoemde locatie (D-267, p. 8). [verdachte] antwoordt op 2 juni 2016 dat zij een serieus probleem hebben. Er moeten volgens [verdachte] met spoed voorzieningen worden getroffen om Go Dive van perceel [nummer] te verwijderen, zodat kan worden voortgegaan met de aanleg van de parkeerplaats. - Op 5 juni 2016 ontvangt [verdachte] een e-mailbericht van [naam] met als bijlage het herlocatieverzoek van [bedrijf kinderen] naar Kim Sha beach met het verzoek om advies. [naam] schrijft dat zij advies vraagt, gelet op de recente ontwikkelingen in het gebied van Kim Sha beach. Op welke ontwikkelingen zij hier doelt is onduidelijk, maar het gerecht vermoedt dat zij doelt op de aanleg van de parkeerplaats. [verdachte] reageert kennelijk niet op dit verzoek aangezien zij hem op 16 juni 2016 een herinnering stuurt. - Wel blijkt uit het dossier dat [verdachte] [naam] heeft gevraagd om TEATT hierin te adviseren. [naam] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 11 januari 2021 aangegeven dat [verdachte] hem dit heeft gevraagd omdat [verdachte] een conflicterend belang had. Hij heeft met [verdachte] niet inhoudelijk over het advies gesproken, zo verklaart hij. - Op 16 juni 2016 stuurt [naam] een brief aan [naam] dat de locatie Kim Sha beach beschikbaar is en in eigendom van het Land en dat VROMI geen bezwaar heeft tegen de verplaatsing van [bedrijf kinderen] naar Kim Sha beach. Een locatieplan is bijgevoegd. Op deze tekening is de nieuwe locatie van [bedrijf kinderen] met een pijl getekend op perceel [nummer] . Dit perceel is – gezien vanaf de Welfare Road - gelegen pal achter het perceel [nummer] waarop Go Dive is gevestigd en dat moet verdwijnen van VROMI vanwege de parkeerplaats (D-305, p. 2). Oordeel van het gerecht Het hierboven omschreven handelen van de verdachte kan naar het oordeel van het gerecht niet worden aangemerkt als misbruik van zijn functie of positie. Verdachtes betrokkenheid vloeit voort uit zijn functie en er is geen bewijs dat deze betrokkenheid bij de behandeling van het herlocatieverzoek verder is gegaan dan voor de uitoefening van die functie vereist was. De verdachte heeft de advisering over het herlocatieverzoek overgelaten aan [naam], en niet gebleken is dat deze daarbij door de verdachte zou zijn geïnstrueerd of beïnvloed. Het gerecht constateert dat [naam] geen enkele melding maakt van het feit dat de aanleg van een parkeerplaats ook deels gepland was op het perceel [nummer] , zodat herlocatie van [bedrijf kinderen] naar dat perceel mogelijk in strijd zou zijn met deze bestemming. Hoewel het opmerkelijk is dat deze informatie niet wordt gedeeld met TEATT, is er geen bewijs dat de verdachte hierin een rol heeft gespeeld. De stelling van de officier van justitie in het requisitoir dat uit de gelijktijdige betrokkenheid van verdachte bij de pogingen om Go Dive van haar locatie te verwijderen, terwijl het bedrijf van zijn kinderen naar het aangrenzend perceel mag verhuizen, wijst op misbruik van zijn functie, acht het gerecht onvoldoende voor het gestelde misbruik. In de eerste plaats zijn beide bedrijven niet op hetzelfde perceel gevestigd. Voorts kan uit het dossier niet worden afgeleid dat [bedrijf kinderen] zich uiteindelijk heeft gevestigd op het gedeelte van perceelnummer [nummer] dat voor de parkeerplaats was bestemd, zodat daaraan niet de conclusie kan worden verbonden dat de verdachte de verwijdering van Go Dive nastreefde ten behoeve van de aanleg van de parkeerplaats en tegelijkertijd toestond dat [bedrijf kinderen]zich op de voor diezelfde parkeerplaats bestemde locatie vestigde. Op grond van het voorgaande is het gerecht dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte bij het herlocatieverzoek van het bedrijf [bedrijf kinderen] opzettelijk en met misbruik van zijn functie op enigerlei wijze strafrechtelijk betrokken is geweest bij de behandeling/afwikkeling of de goedkeuring hiervan, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. De huurovereenkomst en bouwvergunning van [bedrijf kinderen] Chronologische weergave van de feiten - Op 16 november 2017 om 12.30 uur stuurt [verdachte] een e-mailbericht aan [naam](vergunningen TEATT) en [getuige 3] (hoofd domeinbeheer VROMI). Dit bericht houdt in dat hij [naam] vraagt met spoed een bericht te sturen aan [getuige 3] voor het gebruik van land op Kim Sha beach, zodat zij dit perceel in longlease “aan ons” kunnen toewijzen of anders voor een huurperiode van vijf jaar met de mogelijkheid tot verlenging (D-272, p. 3). [verdachte] schrijft verder: “But with the season coming I need it urgently so I will go with the rental.” - Op 16 november 2017 om 17.25 uur mailt [getuige 3] aan [naam] en [verdachte] dat Domeinbeheer geen bezwaar heeft. [getuige 3] schrijft dat een brief van [naam] waarin wordt gerefereerd aan toerisme en het soort gebruik van het perceel daarbij zou helpen (D-272, p. 2). - Op 20 november 2017 stuurt [getuige 3] een e-mailbericht naar [verdachte] waarin hij vraagt of [verdachte] aan [naam] wil vragen om [getuige 3] te voorzien van een kopie van het verzoek of een brief van haar departement. (D-245, p. 2). Op 22 november 2017 stuurt [naam] een brief naar [getuige 3] en [verdachte] inhoudend dat [bedrijf kinderen] bij het Departement Economische vergunningen een aanvraag heeft ingediend om dranken, voedsel, strandstoelen en parasols te verzorgen op Kim Sha beach (272, p. 4). - Op 28 november 2017 wordt een advies/beslisblad door VROMI ingediend met als onderwerp huurovereenkomst voor het gebruik van het perceel meetbriefnummer [nummer] te Kim Sha beach ten behoeve van [bedrijf kinderen]. Verzocht wordt hiermee in te stemmen. Dit advies is ondertekend door [getuige 3]. Bijgevoegd is een akte van tijdelijke verhuur van dezelfde datum, die is ondertekend door de minister en [zoon] van [bedrijf kinderen] (D-244, p.1447). Op 30 november 2017 verleent de minister toestemming om eten/drinken, strandstoelen en parasols aan te beiden op Kim Sha beach voor het perceel 051/1967 (D-306). - Ten aanzien van de door [bedrijf kinderen] gedane aanvraag tot het verlenen van een bouwvergunning bevat het dossier slechts enkele documenten (D-251, D-252, D-253, D-307, p. 32). Uit deze documenten blijkt dat de secretaris-generaal [getuige 5] van Vromi hiermee aanvankelijk niet akkoord wilde gaan, in de veronderstelling dat [bedrijf kinderen] een bouwvergunning verzocht voor dezelfde locatie als waar Go Dive was gevestigd, welke locatie de overheid door middel van juridische procedures ontruimd probeerde te krijgen in verband met de voorgenomen aanleg van de parkeerplaats. In een memo van 30 januari 2019 schrijft de minister van VROMI Giterson dat hij gezien de recente ontwikkeling waarbij de kwesties rond het perceel waren opgelost, niet langer bezwaar heeft tegen de verlening van de bouwvergunning aan [bedrijf kinderen], waarna de bouwvergunning op 1 februari 2019 is verleend. Oordeel van het gerecht Het gerecht stelt vast dat er in twee weken tijd een huurovereenkomst met [bedrijf kinderen] wordt gesloten en dat [verdachte] bij de betrokken personen heeft aangedrongen op spoed. Ook stelt [verdachte] zich blijkens het woordgebruik in de mail van 16 november 2017 om 17.25 uur zonder omhaal op als belanghebbende bij de toekenning van de huurovereenkomst. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [verdachte] bij de aanvraag van de bouwvergunning op strafrechtelijk relevante wijze betrokken is geweest. Hoewel het vanuit een oogpunt van het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling beter was geweest als de verdachte zich bij het verzoek om toekenning van de huurovereenkomst aan het bedrijf van zijn kinderen geheel afzijdig had gehouden, en zijn aansporing van de betrokken personen om vaart te zetten in het beslistraject achterwege had gelaten, is zijn handelen naar het oordeel van het gerecht niet van dien aard dat dit kan worden gekwalificeerd als misbruik van zijn functie of positie, vooral nu niet blijkt dat de verdachte zich vanuit zijn functie inhoudelijk heeft bemoeid met de besluitvorming rondom de huurovereenkomst of de bouwvergunning, of zijn functie of positie daarbij anderszins heeft misbruikt. Gelet op al het bovenstaande acht het gerecht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 3 en 4 is ten laste gelegd, met dien verstande dat: – ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde – hij in de periode van 2 juni 2015 tot en met 30 augustus 2018 in Sint Maarten, telkens tezamen en in vereniging met anderen, als ambtenaar, te weten als hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer (Infrastructure Management), werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), een gift en een dienst heeft aangenomen van [medeverdachte 1] en/of [getuige 1]en/of [medeverdachte 3], en telkens voor zichzelf en zijn echtgenote [echtgenote] en zijn zoon [naam] een gift en een dienst heeft gevraagd aan [medeverdachte 1] en/of [getuige 1]en/of [medeverdachte 3], zijnde die giften en diensten: een geldbedrag van USD 5.000,-; en een geldbedrag van USD 22.700,-; en het aangaan van een dienstverleningsovereenkomst met het bedrijf van [bedrijf 1] en een geldbedrag van in totaal ANG 233.496,91 en - het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [zoon] en een geldbedrag van in totaal ANG 128.832,09 en - een geldbedrag van in totaal NAF 188.800,-, telkens wetende dat die giften en diensten hem, verdachte en anderen werden gedaan en werden verleend teneinde hem, de verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening was gedaan of nagelaten, hebbende verdachte en zijn mededader telkens: niet alleen vanwege zakelijke redenen positief geadviseerd middels een intern toewijzingsadvies (Internal Awarding Advice) om te bewerkstelligen dat aan [medeverdachte 3] dat contract werd gegund en informatie aan [bedrijf medeverdacht 1] verstrekt en de benodigde aanbestedingsdocumenten opgesteld en geadviseerd en geassisteerd en geassisteerd bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, benodigd voor het verkrijgen van het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017) en een relatie onderhouden tussen hem, verdachte enerzijds en [bedrijf medeverdachte 1], [medeverdachte 1] en [getuige 1] anderzijds teneinde gunning van verlenging van een beheerscontract mogelijk te maken en ervoor gezorgd dat genoegzame naleving van geldende veiligheidsprocedures en verplichtingen die voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [getuige 1] voortvloeiden uit het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017) en overige relevante regelgeving niet (volledig) zouden worden gehandhaafd of dat anderszins (volledige) nakoming daarvan zou worden afgedwongen. – ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde – hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 te Sint Maarten, telkens tezamen en in vereniging met anderen, een factuur/purchase order, te weten: een factuur van Sheriff Security Force N.V. d.d. 8 mei 2013 ten bedrage van USD 546,- en een factuur bedoeld als estimate van Sheriff Security Force N.V. d.d. 23 mei 2013 ten bedrage van USD 9.427,25 en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 131318 d.d. 7 juni 2013 ten bedrage van USD 9.973,25 en een factuur van I and B Maintenance Service N.V. d.d. 21 september 2013 ten bedrage van USD 29.100,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10489 d.d. 23 september 2013 ten bedrage van USD 29.100,- en een factuur van I and B Maintenance Service N.V. d.d. 11 juni 2014 ten bedrage van USD 6.720,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 0031 d.d. 16 juni 2014 ten bedrage van USD 6.720,- en een factuur van I and B Maintenance Service N.V. d.d. 22 oktober 2013 ten bedrage van USD 16.766,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 0966 d.d. 11 november 2013 ten bedrage van USD 5.126,- en een factuur van Darius N.V. d.d. 3 juli 2013 ten bedrage van USD 2.640,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10457 d.d. 8 juni 2013 ten bedrage van USD 2.640,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10475 d.d. 14 augustus 2013 ten bedrage van USD 8.940,- en een factuur van Darius N.V. d.d. 8 september 2013 ten bedrage van USD 1.120,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 132483 d.d. 10 september 2013 ten bedrage van USD 1.120,- en 4. a. een factuur van Office World d.d. 1 maart 2014 ten bedrage van USD 1.813,84 en een PO 5553 d.d. 24 februari 2014 ten bedrage van USD 964,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5554 d.d. 24 februari 2014 ten bedrage van USD 900,- en 5. a. een factuur van Studiomart d.d. 1 juni 2014 ten bedrage van USD 790,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 141307 d.d. 29 augustus 2014 ten bedrage van USD 790,- en 6. een factuur van Caines Construction & Maintenance Services d.d. 13 januari 2014 ten bedrage van USD 2.200,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 14002 d.d. 6 januari 2014 ten bedrage van USD 2.200,- en een factuur van Caines Construction & Maintenance Services d.d. 18 maart 2014 ten bedrage van USD 1.959,55 en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5585 d.d. 9 april 2014 ten bedrage van USD 1.959,55 en 7. a. een factuur van Caribbean Embroidery d.d. 17 maart 2014 ten bedrage van USD 615,- en b. een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5567 d.d. 18 maart 2014 ten bedrage van USD 615,- en 8. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130213 d.d. 14 juni 2014 ten bedrage van NAf 44.657,68 en een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130365 d.d. 9 oktober 2013 ten bedrage van NAf 105.113,53 en een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140164 d.d. 28 maart 2014 ten bedrage van NAf 39.659,90 en een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140181 d.d. 10 april 2014 ten bedrage van NAf 40.852,14 en en verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140282 d.d. 20 juni 2014 ten bedrage van NAf 35.293,84, zijnde telkens een geschrift waaruit enig recht kan ontstaan en dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan voor het bedrijf Windward Roads B.V. of het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu & Infrastructuur (VROMI), immers hebben de verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op genoemde factuur en purchase order vermeld dat – zakelijk weergegeven –: de factuur bestemd was voor Windward Roads B.V. en de werkzaamheden of diensten zijn verricht/verleend of goederen zijn geleverd voor en/of op verzoek van het bedrijf Windward Roads B.V. terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en diensten en goederen niet voor of op verzoek dat bedrijf zijn verricht/verleend of geleverd en de werkzaamheden of diensten zijn verricht in het kader van een bepaald project en derhalve zijn geboekt onder een stelpost, terwijl de op de factuur vermelde werkzaamheden of diensten niet in het kader van dit project/deze stelpost zijn verricht. - ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde – dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 te Sint Maarten, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift, te weten: een factuur van Sheriff Security Force N.V. d.d. 8 mei 2013 ten bedrage van USD 546,- en een factuur bedoeld als estimate van Sheriff Security Force N.V. d.d. 23 mei 2013 ten bedrage van USD 9.427,25 en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 131318 d.d. 7 juni 2013 ten bedrage van USD 9.973,25 en een factuur van I and B Maintenance Service N.V. d.d. 21 september 2013 ten bedrage van USD 29.100,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10489 d.d. 23 september 2013 ten bedrage van USD 29.100,- en een factuur van I and B Maintenance Service N.V. d.d. 11 juni 2014 ten bedrage van USD 6.720,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 0031 d.d. 16 juni 2014 ten bedrage van USD 6.720,- en een factuur van I and B Maintenance Service N.V. d.d. 22 oktober 2013 ten bedrage van USD 16.766,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 0966 d.d. 11 november 2013 ten bedrage van USD 5.126,- en een factuur van Darius N.V. d.d. 3 juli 2013 ten bedrage van USD 2.640,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10457 d.d. 8 juni 2013 ten bedrage van USD 2.640,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 10475 d.d. 14 augustus 2013 ten bedrage van USD 8.940,- en een factuur van Darius N.V. d.d. 8 september 2013 ten bedrage van USD 1.120,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 132483 d.d. 10 september 2013 ten bedrage van USD 1.120,- en 4. a. een factuur van Office World d.d. 1 maart 2014 ten bedrage van USD 1.813,84 en b. een PO 5553 d.d. 24 februari 2014 ten bedrage van USD 964,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5554 d.d. 24 februari 2014 ten bedrage van USD 900,- en 5. a. een factuur van Studiomart d.d. 1 juni 2014 ten bedrage van USD 790,- en b. een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 141307 d.d. 29 augustus 2014 ten bedrage van USD 790,- en 6. een factuur van Caines Construction & Maintenance Services d.d. 13 januari 2014 bedrage van USD 2.200,- en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 14002 d.d. 6 januari 2014 ten bedrage van USD 2.200,- en een factuur van Caines Construction & Maintenance Services d.d. 18 maart 2014 ten bedrage van USD 1.959,55 en een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5585 d.d. 9 april 2014 ten bedrage van USD 1.959,55 en 7. a. een factuur van Caribbean Embroidery d.d. 17 maart 2014 ten bedrage van USD 615,- en b. een purchase order van Windward Roads met kenmerk PO 5567 d.d. 18 maart 2014 ten bedrage van USD 615,- en 8. een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130213 d.d. 14 juni 2014 ten bedrage van NAf 44.657,68 en een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2130365 d.d. 9 oktober 2013 ten bedrage van NAf 105.113,53 en een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140164 d.d. 28 maart 2014 ten bedrage van NAf 39.659,90 en een verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140181 d.d. 10 april 2014 ten bedrage van NAf 40.852,14 en en verzamelfactuur en specificatieoverzicht van Windward Roads met factuurnummer 2140282 d.d. 20 juni 2014 ten bedrage van NAf 35.293,84, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en zijn mededaders telkens: deze factuur ter uitbetaling heeft/hebben ingediend of laten indienen bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI) en deze factuur/purchase order heeft/hebben laten voorzien van een paraaf ter goedkeuring en deze factuur heeft/hebben laten uitbetalen door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI) en deze factuur/purchase order heeft/hebben opgenomen of heeft laten opnemen in de crediteurenadministratie/boekhouding van Windward Roads B.V., bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die factuur/purchase order telkens was opgenomen – zakelijk weergegeven – dat: de factuur bestemd was voor Windward Roads B.V. en de werkzaamheden of diensten zijn verricht/verleend of goederen zijn geleverd voor en/of op verzoek van het bedrijf Windward Roads B.V. terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en diensten en goederen niet voor of op verzoek dat bedrijf zijn verricht/verleend of geleverd en de werkzaamheden of diensten zijn verricht in het kader van een bepaald project en derhalve zijn geboekt onder een stelpost, terwijl de op de factuur vermelde werkzaamheden of diensten niet in het kader van dit project/deze stelpost zijn verricht. Het gerecht acht niet bewezen hetgeen onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Met betrekking tot de hieronder genoemde processen-verbaal, die zijn opgemaakt door verbalisanten met vermelding van alleen hun codenummer, overweegt het gerecht dat het deze processen-verbaal voor het bewijs gebruikt nu de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten in belangrijke mate steun vindt in de overige (zijnde andersoortige) bewijsmiddelen, door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om deze verbalisanten te horen in verband met het onder nummer verbaliseren en het gerecht de inhoud van deze processen-verbaal betrouwbaar oordeelt. De bewijsmiddelen Inleiding Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van zogenaamde TCI-informatie inhoudend dat het aanbestedingsproces rondom de vuilnisstortplaats op Sint Maarten (hierna ook: de Dump) niet integer zou zijn verlopen. In deze informatie werd onder meer de naam van [verdachte] genoemd die steekpenningen zou hebben ontvangen. Op 7 juli 2018 is het opsporingsonderzoek Ruby gestart. Dit onderzoek richtte zich in eerste instantie op [verdachte] en zijn echtgenote [echtgenote] in de periode van 1 mei 2015 tot en met augustus 2018. Zij werden verdacht van het medeplegen van het aannemen van steekpenningen in dienstbetrekking van [medeverdachte 1] en zijn bedrijf [naam] in ruil voor het winnen van de aanbesteding van de vuilnisstortplaats. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er vermoedelijk ook sprake was van misbruik van een stelpost Sewage bij WWR en dat [verdachte] misbruik maakte van zijn functie bij de toewijzing van de herlocatie en huur en bouwvergunningen aan een familiebedrijf op Kim Sha beach. Het onderzoek naar deze strafbare feiten is beschreven in drie zaaksdossiers te weten: Zaaksdossier 1: Aanbesteding Zaaksdossier 2: Kim Sha beach Zaaksdossier 3: Stelpost. In het Ruby-onderzoek spelen onder meer de volgende personen een rol, te weten [verdachte], [echtgenote], [medeverdachte 1], [getuige 1]. Voor de leesbaarheid zal het gerecht deze personen zoveel mogelijk aanduiden met hun achternaam. Zaaksdsossier 1: Aanbesteding van de Dump Geschriften, van belang voor deze zaak Op 24 november 2015 verschijnt in The Daily Herald een advertentie onder de kop: Public Tender Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017. Als ‘principal’ wordt genoemd het Ministerie van VROMI, vertegenwoordigd door het Department of Infrastructure Management. Als uiterste inlevermoment voor biedingen wordt 30 november 2015 om 10.00 uur genoemd. Ook wordt melding gemaakt van een informatiebijeenkomst. Verdere informatie kan volgens deze advertentie verkregen worden bij het Ministerie van VROMI, Department of Infrastructure Management, ter attentie van [verdachte]. Op 1 december 2015 stelt het Department of Infrastructure Management van VROMI een Internal Awarding Advice op, waarbij de twee binnengekomen biedingen, waarvan een van R&S ad NAf 4.662.920,- en een van WWR ad NAf 7.187.672,-, worden geëvalueerd. De conclusie van het departement luidt dat op basis van het puntensysteem, zoals omschreven in de Terms of Reference, het beheerscontract voor de Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017 zou moeten worden gegund aan [bedrijf medeverdachte1]. Dit advies is ondertekend door de contract manager [naam] en het hoofd van het departement [verdachte]. Na goedkeuring door de Raad van Ministers op 8 en 27 januari 2016, en ondertekening van het Landsbesluit door de Gouverneur op 10 maart 2016, wordt op 16 maart 2016 tussen het Land Sint Maarten, vertegenwoordigd door de Minister van VROMI A.C. Meyers, en [bedrijf medeverdachte 1] , vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] , overeengekomen dat [bedrijf medeverdachte 1] van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 de Sanitary Landfill zal beheren, met de mogelijkheid van verlenging met een jaar. Hiervoor wordt een vergoeding overeengekomen van NAf 4.462.920,-. Dit contract draagt de naam: Agreement Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017. [bedrijf medeverdachte 1] is opgericht op 2 juni 2015, met als statutair directeur [medeverdachte 1] . In de periode van 29 juli 2015 tot en met 30 november 2015, de dag waarop de biedingen binnen moeten zijn, vindt de navolgende communicatie plaats. - Op 29 juli 2015 mailt Gerco Rijkers, voormalig bedrijfsleider bij WWR, het bid-document van WWR uit 2011 naar [verdachte], die de ontvangst bevestigt. Dit betreft de biedingsdocumenten die WWR in 2011 heeft ingediend voor de aanbesteding van het beheerscontract van de Landfill met daarin de specificaties. - Op 14 augustus 2015 wordt van de printer bij VROMI het Kamer van Koophandel uittreksel van R&S ingescand en gestuurd naar het e-mailadres van [verdachte]. [verdachte] mailt dit, zonder toelichting, naar het e-mailadres van zijn dochter. - Op 18 augustus 2015 wordt op de tijdens de huiszoeking bij CIFS inbeslaggenomen computer de bestandsmap [naam bestand] geopend. - Op 18 augustus 2015 wordt op de bij CIFS aangetroffen computer een bestand aangemaakt, genaamd [naam bestand] van [bedrijf medeverdachte 1] . Uit de documenteigenschappen blijkt dat dit bestand is aangemaakt door [echtgenote]. Als contributor staat vermeld: [naam] In het Plan of Action van R&S van 10 september 2015 wordt onder punt 6.1 onder ‘involved parties’ als ‘Employer/Principal’ genoemd: Ministry of VROMI, met als contactpersoon: [verdachte]. Het gerecht constateert dat het Plan of Action zoals aangetroffen in de computer van CIFS inhoudelijk overeenkomt met teksten vermeld in het door [naam] aan [verdachte] toegestuurde bid 2011 van WWR. - Op 28 augustus 2015 wordt op de bij CIFS aangetroffen computer een bestand aangemaakt, genaamd [naam bestand] van [bedrijf medeverdachte 1] . Uit de documenteigenschappen blijkt dat dit bestand is aangemaakt door [echtgenote]. Als contributor staat vermeld: [naam]. Het gerecht constateert dat bij dit document dezelfde foto’s zijn gevoegd als in het bid van WWR uit 2011. - Op 28 augustus 2015 stuurt [verdachte] van zijn zakelijke e-mailadres een e-mail naar zijn privé e-mailadres met als tekst: “Hi [naam] , Please fill out accordingly and return to me.” Als attachment is gevoegd een document genaamd: [bestandsnaam] van [bedrijf medeverdachte 1] . In de documenteigenschappen van dit bestand staat als creator [echtgenote] vermeld en als contributor [verdachte]. Het gerecht constateert dat dit bestand vrijwel identiek is aan het hiervoor genoemde document [bestandsnaam] van [bedrijf medeverdachte 1] . - Op 29 augustus 2015 stuurt [verdachte] van zijn privé e-mailadres naar zijn zakelijke e-mailadres en zijn privé e-mailadres een e-mail met de tekst: Prepare for a formal letter to purchase these items from Windward Roads B.V. Als attachment is gevoegd een document genaamd Investments by government.docx. Dit betreft een Word bestand met daarin opgenomen de ‘investments’ met daarbij de vermelding “included” of “purchase”. In de documenteigenschappen staat [echtgenote] als creator en als contributor vermeld. - Op 29 augustus 2015 wordt een Word document opgemaakt waarin de vragen van [bedrijf medeverdachte 1] inzake de aanbesteding zijn opgenomen. In de documenteigenschappen is [echtgenote] als creator en contributor opgenomen. - Op 30 augustus 2015 stuurt [verdachte] van zijn privé e-mailadres naar zijn zakelijke e-mailadres en privé e-mailadres een e-mail met als onderwerp: brief WWR ending contract and purchase goods met als tekst: Place a letter head and send out. Bij deze e-mail zijn twee attachments gevoegd: a. het eerder genoemde document van 29 augustus 2015: [naam document] en b. een document: [naam document] Dit laatste document betreft een conceptbrief van secretaris-generaal [getuige 5] van VROMI aan WWR, cc aan [verdachte], inhoudende dat het beheer van de Landfill stopt per 31 december 2015. Tevens wordt gevraagd om medewerking van WWR bij de verkoop van materieel aan de overheid omdat dit de overgang voor de nieuwe contractant soepeler zal maken en de tender prijs laag kan houden. Verder wordt WWR bedankt voor haar positieve inzet in de afgelopen 15 jaar. In de kenmerken van dit bestand staat [echtgenote] als creator en contributor vermeld. - Op 30 augustus 2015 stuurt [verdachte] een e-mail naar zijn dochter [naam] met de tekst: Hi [naam] , did you make the following docs: *organizational chart *Staffing use for the works based on the organizational chart. It’s going good but still need to put in some serious extra time to fine tune it. Spent about 12 hours nearly non stop on it but we nearly there. Just need to get lots of info from the boys yet. Love daddy. - Op 30 augustus 2015 antwoordt [dochter]: Hi daddy, I do have the organization chart. I’ll send it to you just in case though. Also when you get a chance could you send me the tender document? - [ [verdachte] antwoordt hierop op diezelfde dag: Hi[naam], I’ll send you the tender docs just now. - Op 31 augustus 2015 stuurt [getuige 1] een e-mail naar [verdachte] met als onderwerp: Equipment list en als tekst: Please see Attachments. Als bijlage wordt een equipment list for works 2015 bijgevoegd. - Op 16 september 2015 stuurt [verdachte] een e-mail naar [getuige 1] met als onderwerp: please have these filled out en met de tekst: handle as fast as possible. Als bijlage is gevoegd: Curriculum vitae of key personnel.docx. - Op 29 oktober 2015 stuurt [verdachte] een e-mail naar [getuige 2] met het onderwerp questions en met de tekst: Questions:1. If government tenders the security separately who is responsible for our equipment if something happens and who covers our lost wages? 2. Are the equipments being used on landfill presently by Windward Roads for sale if we would win the tender? If you had other questions please add and send back now for me on a letterhead. Het gerecht constateert dat de vragen gelijkluidend zijn aan de vragen die staan vermeld in het hierboven genoemde Word document dat op 29 augustus 2015 is opgemaakt en waarin de vragen van [bedrijf medeverdachte 1] inzake de aanbesteding zijn opgenomen. - Op 29 oktober 2015 stuurt [getuige 1] de vragen die [verdachte] hem heeft gestuurd naar het zakelijke e-mailadres van [verdachte]. Het gerecht leidt uit de inhoud van deze correspondentie en stukken af dat [verdachte], in samenwerking met[echtgenote] , in de aanloop naar de aanbesteding van het beheerscontract voor de landfill niet alleen informatie heeft verstrekt aan een van de latere bieders, te weten [bedrijf medeverdachte 1] , maar ook dat hij – samen met hun dochter – daadwerkelijk heeft geholpen bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, die nodig waren voor het verkrijgen van het beheerscontract, en dat zij deze documenten ook hebben opgemaakt. Over het verdere verloop van, en het vervolg op de aanbestedingsprocedure en de betalingen die in het kader daarvan door [bedrijf medeverdachte 1] zijn gedaan bevat het dossier voorts de volgende informatie. Diverse personen hebben zich uitgelaten over de overgang van het beheerscontract van WWR naar [bedrijf medeverdachte 1] en de rol van [verdachte] in dat verband. Het gerecht geeft hun verklaringen hierna weer. [naam] heeft onder meer het volgende verklaard. “Ik was directeur bij WWR. [verdachte] kan nogal dwingend zijn. Het moet gaan zoals hij wil en hij geeft weinig ruimte. Als het niet gaat hoe hij het wil dan kom je weer in de donkere wereld van Sint Maarten terecht. Dan gaan de dingen zoals ik liever niet wil dat ze zouden gaan. Ik had moeite met de laatste aanbesteding van de Dump. Het was een bestek met zoveel eisen waarbij je, wilde je alles opvolgen, een hoop moest investeren. Ik denk dat wij een nette prijs hadden neergelegd na zoveel jaar ervaring. Dan komt er een ander en die schrijft voor een veel lager bedrag in, daar was ik wel ziek van. Ik had het gevoel dat de inschrijving van [medeverdachte 2]niet klopte. Als je al bepaalde vaste kosten optelt die in het bestek zijn genoemd dan zat je al boven het bedrag waar [bedrijf medeverdachte 1] op had ingeschreven. Na het verliezen van de aanbesteding voelde ik me genaaid. We stonden onder tijdsdruk, het was een hele korte periode dat je de bieding moest inleveren. Die trucjes ken ik ook. Ik bedoel dat de periode van aanbesteding heel kort is en dat het kan zijn dat iemand anders de informatie al heeft. Voor een degelijk belangrijk, groot project is dat raar. Je voelt al in het hele proces dat het niet klopte, alles zat te dicht op elkaar. Ik ken [echtgenote] als de vrouw van [verdachte]. Ik heb een keer een overeenkomst met haar gesloten. [verdachte] vroeg of we werk hadden, want ze had geen werk. Ze kon helpen met werkvergunningen. [verdachte] is nogal persistent. Het enige wat ik doe is dingen afwegen. Je bent het zat om telkens te horen dat je niemand wil helpen en dan weeg je dat af, wat kost het. Er ging wel door mijn hoofd dat als ik [echtgenote] niet aan werk hielp, WWR daar last van kreeg. Dit is niet uit liefde gegaan.” [naam] heeft verder verklaard dat de betalingen aan [echtgenote] voor het helpen in de werkvergunningssfeer onzin-betalingen waren. “We hadden dit als WWR niet nodig. Ik heb dit in 2015 stop gezet omdat er niks gebeurde”, aldus [naam] . [naam] heeft, gehoord als getuige ter terechtzitting van 28 september 2021 het volgende verklaard: “[verdachte] was iets dwingender dan de gemiddelde zakenrelatie. Het was beter maar om te doen wat hij wilde. In die zin voelde ik mij onder druk gezet door hem Ik noemde al als voorbeeld de overeenkomst met CIFS, maar hetzelfde geldt voor de overeenkomst met Tradewinds. WWR heeft die overeenkomsten met [echtgenote] getekend onder druk van[verdachte] . Hij bleef er maar op terugkomen. De druk die ik voelde was reëel. Als iemand steeds weer terugkomt met het verzoek een overeenkomst te tekenen dan ervaart ieder normaal mens dat als druk. Uiteindelijk heb ik ook getekend. CIFS ontving maandelijks een bedrag van WWR. In de overeenkomst staat welke werkzaamheden zij hiervoor moesten doen. Dat deden ze niet.” Angel Meyers heeft onder meer het volgende verklaard. “Ik was van november 2015 tot december 2016 minister van VROMI. Ik kreeg direct na mijn aanstelling het verzoek om snel een advies te tekenen met betrekking tot de aanbesteding van de Dump. Wij hebben de vragen met betrekking tot R&S voorgelegd aan [verdachte]. Een van de vragen waar ik moeite mee had was de ervaring die R&S zou hebben. Ik wist dat WWR al jaren de Dump beheerde en van R&S had ik nog nooit gehoord. [verdachte] zou in mijn beleving de belangen van de overheid moeten waarborgen. Maar zijn argumenten lagen meer in de lijn van R&S. Dat vond ik raar. [verdachte] deelde de zorg die wij hadden niet. [verdachte] was aan het sturen en had mooie praatjes waarom vooral [bedrijf medeverdachte 1] de aanbesteding moest krijgen.” Meyers heeft verder verklaard 100% zeker te weten dat [verdachte] geld kreeg van [bedrijf medeverdachte 1] kreeg ineens overal opdrachten voor: het ophalen van vuilnis, het schoonmaken van stranden en het beheer van de Dump. [getuige 5], secretaris-generaal van het Ministerie van VROMI, heeft verklaard dat zijn ministerie vijf diensten kent. De verantwoordelijke voor de beheersdienst is C. [verdachte]. Hij heeft verklaard dat de Terms of Reference voor de aanbesteding van het beheerscontract van de Sanitary Landfill zijn opgesteld door de Beheersdienst en dat het proces van aanbesteding en toewijzing werd getrokken vanuit de Beheersdienst. Vanuit die dienst was [verdachte] daar als hoofd bij betrokken. Ter zitting als getuige gehoord, heeft [getuige 5] verklaard dat hij het opmerkelijk vond dat de prijs van [bedrijf medeverdachte 1] zo dicht lag bij het voor het beheer van de Dump in de begroting gereserveerde bedrag, omdat die begroting weliswaar geen geheim was, maar het werk in redelijkheid niet voor die prijs kon worden uitgevoerd. Het gereserveerde bedrag was veel te krap voor een gedegen beheer van de Dump. Hij vond het dan ook opmerkelijk dat [bedrijf medeverdachte 1] dacht dat ze het voor dat bedrag konden doen en merkt op dat de berekeningen van [bedrijf medeverdachte 1] achteraf ook niet bleken te kloppen. [medeverdachte 1] heeft onder meer het volgende verklaard. “Ik weet dat er iets gaande was tussen [verdachte] en WWR. WWR was het bedrijf dat voordat wij de aanbesteding wonnen het beheer van de Dump deed. Ik voelde dat [verdachte] en WWR geen vrienden meer waren zoals dat daarvoor wel het geval was. Ik denk dat [bedrijf medeverdachte 1] geen betrokkenheid zou hebben gehad bij de Dump wanneer de relatie tussen [verdachte] en WWR goed was gebleven. Dan was WWR gewoon de Dump blijven doen.” Rapport SOAB d.d. 17 februari 2017 Uit het rapport van 17 februari 2017 van het SOAB, gericht aan de minister van VROMI, blijkt dat er na de overname van het beheerscontract van de Landfill op 1 januari 2016 naast een gebrek aan expertise sprake was van een algeheel gebrek aan “compliance management”: “Assessment Sanitary Landfill Management Agreement. Though some transition issues were expected there have been numerous fires and incidents at the Landfill which initiated a request (…) to assess the situation. (…) two weaknesses were identified. (…) we noted the absence of the requirement of expertise in the field of sanitary landfilling. (…) The assessment of compliance with the TOR by the Contractor and Principal revealed that both have not been sufficiently compliant. (…) The key responsibilities of the Principal are to ensure compliance with the contract and related TOR by the Contractor, to monitor their operations, to rectify the situation as appropriate and to provide the policy and guidelines for waste management on St Maarten to guide the activities at the sanitary landfill. The TOR and contract contain sufficient enforcement measures and sanctions to deal with cases of non-compliance, however these were insufficiently enacted by the Principal. (…) There is a general lack of contract compliance management.” Ten aanzien van de ten laste gelegde geldbedragen a. Het bedrag van USD 5.000,- [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat [getuige 1] weleens heeft gezegd dat de dochter van [verdachte] hielp met de aanbestedingsstukken. Hij gelooft dat ze daarvoor een bedrag van USD 5.000,- hebben betaald. Hij kan zich niet herinneren of [getuige 1] of hijzelf dit bedrag betaald heeft. Hij weet niet meer of aan [verdachte] of aan zijn dochter is betaald. [Getuige 1] heeft hierover het volgende verklaard. “Toen de tender uitkwam kon je de documentatie/de Terms of Reference ophalen bij de overheid. Om alles goed op papier te zetten heb ik de hulp ingeschakeld van [naam]. Ook heb ik de hulp ingeschakeld van [verdachte] wanneer ik iets niet begreep in de Terms of Reference. Een voorbeeld is dat er gevraagd werd om een CV. [verdachte] heeft toen aangegeven dat ik al mijn ervaring op papier moest zetten omdat ervaring heel belangrijk was om de tender te verkrijgen. [verdachte] adviseerde mij hoe ik de organisatiestructuur op moest bouwen.” [getuige 1] heeft verder verklaard dat het opstellen van de tenderdocumenten is geregeld door [verdachte], zijn vrouw en [naam]. “Tijdens de informatiebijeenkomst op 29 oktober 2015 heb ik vragen gesteld. Ik had niet echt ervaringen met aanbestedingen dus ik heb vooraf aan [verdachte] gevraagd wat voor soort vragen ik zou kunnen stellen. Hij heeft me vervolgens per e-mail de vragen gestuurd die ik tijdens de informatiemeeting heb gesteld. Op de vraag van verbalisanten waarom [verdachte] zich zo nadrukkelijk bemoeide met de aanbesteding van [bedrijf medeverdachte 1] antwoordde [getuige 1]: “It’s all about the kick backs”. In het begin lijkt het alsof ze je helpen. [echtgenote] kon helpen met de aanbestedingsstukken, daar hebben we haar USD 5.000,- voor moeten betalen. Dit was op aanraden van [verdachte]. Zoals gezegd: Alles was [verdachte], [verdachte], [verdachte]. De betaling moet cash geweest zijn, dat geld is niet aan [echtgenote] betaald, dat werd aan [verdachte] gegeven. [naam] of ik heb dat geld betaald. Als het om cash geld ging moet het [verdachte] zijn geweest die het geld heeft ontvangen, want dat werd niet aan zijn vrouw betaald.” Het bedrag van USD 22.700,- Uit een e-mail van 14 juli 2015 van [naam] aan [naam] en [getuige 7] van WWR blijkt dat [verdachte] bij haar heeft geïnformeerd naar een cheque van [bedrijf medeverdachte 1], nadat [getuige 1] daar ook om gevraagd had. J.P. [getuige 7] heeft, na raadpleging van het administratieve systeem van WWR, verklaard dat de desbetreffende factuur is geboekt op het project de Dump en dat een bedrag van USD 22.700,- is betaald. In het dossier bevindt zich een factuur van 9 juli 2015 van [bedrijf medeverdachte 1] aan WWR ten bedrage van USD 30.000,- onder vermelding van: loader service sanitaire landfill for month of june 2015. Op die factuur staat handgeschreven een bedrag van USD 22.700,- en het woord paid. In het dossier bevindt zich ook een cheque van 13 juli 2015 van WWR aan [bedrijf medeverdachte 1] voor een bedrag van USD 22.700,-. Het bedrag van USD 22.700,- is in de administratie van [bedrijf medeverdachte 1] vermeld onder de omschrijving: Dawn Beach, beach cleaning. [naam] ,werkzaam als hoofd administratie bij WWR, heeft over deze factuur verklaard dat deze is verrekend met twee facturen van CIFS aan WWR. [naam] heeft geconstateerd dat ten aanzien van deze factuur via een op 27 juli 2015 geïnde cheque een bedrag van USD 22.700,- is betaald aan [bedrijf medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft over deze cheque het volgende verklaard. “Wij hebben op verzoek van [verdachte] een keer een cheque opgehaald bij WWR. Volgens mij heeft [getuige 1] de cheque opgehaald en bleef ik in de auto wachten. De cheque was uitgeschreven op naam van [ medeverdachte 1], wij hebben het geld op de bankrekening ontvangen en vervolgens cash aan [verdachte] gegeven. Het was [getuige 1]of ik zelf die het geld aan [verdachte] heeft gegeven.” Nadat [medeverdachte 1] de factuur en de cheque in kwestie wordt getoond zegt hij dat het kan zijn dat dit de cheque is die betrekking heeft op de doorbetaling aan [verdachte] en dat [bedrijf medeverdachte 1] in ieder geval geen werkzaamheden heeft uitgevoerd voor de cheque die [getuige 1]en hij bij WWR opgehaald hebben. Ook verklaart hij dat het volledige bedrag van USD 22.700,- is doorbetaald aan [verdachte]. “[verdachte] was greedy, ik hoor van meer mensen dat zij geld moeten betalen aan [verdachte] en die dat op een gegeven moment zat zijn.” [getuige 1] heeft hierover, nadat hij is geconfronteerd met de verklaring van[medeverdachte 1], dat ten aanzien van deze factuur geen werkzaamheden door [bedrijf medeverdachte 1] zijn uitgevoerd, verklaard dat het klopte wat [naam] had verklaard. Het bedrag van NAf 233.496,91 Op 3 december 2015, twee dagen na de totstandkoming van het eerder genoemde, mede door [verdachte] ondertekende, Internal Awarding Advice stuurt [echtgenote] vanuit [accountantskantoor echtgenote] een e-mail naar [getuige 1], waarin zij aangeeft wat zij hebben besproken. In deze e-mail staat onder meer welke administratieve diensten [accountantskantoor echtgenote] voor haar rekening neemt voor [bedrijf medeverdachte1]. In de administratie van [accountantskantoor echtgenote] wordt een overeenkomst aangetroffen tussen [accountantskantoor echtgenote] en [bedrijf medeverdachte 1], inhoudende dat [accountantskantoor echtgenote] de administratieve werkzaamheden voor [bedrijf medeverdachte 1] over 2015 zal uitvoeren. Dit document is op 4 januari 2016 door [echtgenote] als directeur van [accountantskantoor echtgenote] en [medeverdachte 1] als directeur van [bedrijf medeverdachte 1] ondertekend. Op 25 januari 2016 wordt, onder verwijzing naar de overeenkomst van 4 januari 2016, hiervoor een bedrag overeengekomen van USD 2.500,- per maand. Op 4 december 2017 wordt een verhoging van de maandelijkse fee overeengekomen tot USD 4.950,-. Bij huiszoeking bij het accountantskantoor toebehorend aan [echtgenote] werd administratie met betrekking tot [bedrijf medeverdachte 1] aangetroffen. Uit de fysieke bankafschriften van rekeningnummer 1004671 van [accountantskantoor echtgenote] blijkt dat [accountantskantoor echtgenote] over de periode 29 februari 2016 tot en met 19 april 2018 in totaal een bedrag van NAf 233.496,91 betaald heeft gekregen van [bedrijf medeverdachte 1]. [getuige 1] heeft hierover het volgende verklaard. “[echtgenote] deed de administratie voor [bedrijf medeverdachte 1]. Wij betaalden best veel aan haar, zij heeft haar prijs bij ons neergelegd en dat hebben wij geaccepteerd. Achteraf kwam ik erachter dat wij eigenlijk veel teveel betaalden voor het werk dat zij deed, maar ik heb helemaal geen ervaring met het aannemen van een accountant. Ze is bij ons terechtgekomen op aanraden van haar man [verdachte]. [verdachte] heeft ons gewezen om [echtgenote] als accountant te nemen. Later is de prijs van [echtgenote] nog omhoog gegaan. Toen [echtgenote] het contract eenmaal had en ik van haar af wilde, wilde ik geen slapende honden wakker maken. Dit is vanwege de functie van [verdachte]. Hij is het hoofd van de onderhoudsafdeling van VROMI. Hij heeft een functie waarbij je beslissingen kunt maken, je wilt dus wel aan de goede kant van hem staan.” Op de vraag hoe het komt dat afvalverwerkingsbedrijven allemaal door het kantoor van [echtgenote] worden benaderd dan wel contracten met haar afsluiten antwoordt [getuige 1]: “Dat komt door de functie van [verdachte]. Hij kan je maken of breken. Ik weet niet wat er gebeurt als je niet voor [echtgenote] kiest. Je voelt wel een bepaalde druk om voor haar te kiezen. Wij moesten op verzoek van [verdachte] zijn zoon een baan geven, terwijl hij er niet vaak was en wij moesten zijn vrouw als accountant inhuren. Het is [verdachte], [verdachte], [verdachte] die dit vraagt. En hadden we een probleem als we hen zouden ontslaan...YES! Hij kan wraakzuchtig zijn en kan ervoor zorgen dat je geen werk meer krijgt.“ [medeverdachte 1] heeft hierover als volgt verklaard. “USD 2.500,- per maand is heel veel voor de hoeveelheid administratie. Eigenlijk is ze ons te slim af geweest. Later hoorde ik van anderen dat wij teveel betaalden, maar toen was het al te laat. Ik denk dat als wij het contract met [echtgenote] zouden beëindigen, dan zou er druk op ons worden uitgeoefend en zouden wij het contract verliezen. Dat heeft te maken met de positie van haar man.” Op de vraag waarom [bedrijf medeverdachte 1] specifiek [zoon] en [echtgenote] inhuurde antwoordde [medeverdachte 1] : “Als je daar niet in meegaat dan bestaat de mogelijkheid dat je het contract verliest.” Het bedrag van NAf 128.832,09 In het dossier bevindt zich een Waste Management Service Agreement met bijlagen, waarin [bedrijf medeverdachte 1] als werkgever en [verdachte] als werknemer overeenkomen dat laatstgenoemde voor [bedrijf medeverdachte 1] werkzaamheden zal verrichten ingaande 1 januari 2016, tegen een in bijlage A genoemd salaris vanaf 1 februari 2017 van NAf 6.725,25 bruto per maand. Tijdens een huiszoeking bij [accountantskantoor echtgenote] werd beslag gelegd of digitale en fysieke administratie van [bedrijf medeverdachte 1]. Hieruit kwam naar voren dat [accountantskantoor echtgenote] de administratie voert voor [bedrijf medeverdachte 1] en dat de administratie inzicht geeft in de salarisbetalingen van [bedrijf medeverdachte 1] In de administratie zijn in de periode 29 januari 2016 tot en met 15 augustus 2018 totaal 32 betalingen per cheque verwerkt ten aanzien van de begunstigde [verdachte] tot in totaal NAf 128.832,09. [medeverdachte 1] heeft hierover als volgt verklaard. “Ik heb weleens gevraagd waarom [zoon] zoveel verdiende en dan zei [getuige 1]: because of his knowledge. Ik weet niet welke knowledge. Soms kwam [zoon]niet eens opdagen voor zijn werk. Daar werd niets aan gedaan vanwege de invloed die zijn vader had denk ik. Dat is de power die [verdachte] heeft, dat heeft hij ook bij WWR gedaan, maar die betaalden op een gegeven moment niet meer.” [getuige 1] heeft hierover als volgt verklaard. “[zoon] zat in de container bij de ingang van de Dump. Hij deed alleen het noteren en invoeren in de computer van de gewichten van de trucks. Zijn moeder heeft bij ons aangegeven dat[zoon]een baan nodig had. Ik had een salaris van NAf 1.800,- per maand aangeboden aan [zoon]. Zijn vader [verdachte] vertelde toen tegen mij dat zijn zoon meer zou moeten verdienen omdat hij ervaring had met computers. Die ervaring was handig als de computer kapot ging, hij kon dat dan maken. Het klopt dat wij maar een computer hadden staan.” Op de vraag wie bepaalde dat het salaris van[zoon]van NAf 1.800,- omhoog ging, antwoordt [getuige 1]: “[zoon] vertelde dat hij meer wilde verdienen. Ik ben daarmee akkoord gegaan. Ik heb er niet moeilijk over gedaan omdat het de zoon van [verdachte] was en het het werk heel moeilijk zou kunnen maken in de toekomst. Het klopt dat de weegbrug al na drie maanden kapot ging. Daarna deden we schattingen van hoeveel een truck woog. [zoon] kwam precies op het goede moment vragen voor die baan omdat ik iemand nodig had. Hij wist dat ongetwijfeld via zijn vader.” Wanneer [medeverdachte 2] een reactie wordt gevraagd op de opmerking dat hij de vrouw en zoon van [verdachte] inhuurt voor ongeveer USD 5.000,- per maand, antwoordt hij: “Ja ongelooflijk, en dat terwijl ze bijna niks doen.” [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat [zoon]’s loonsverhoging absoluut ook te maken had met het feit dat hij de zoon is van [verdachte]. “Dat maakt uit want [verdachte] is het hoofd van VROMI en je wilt die relatie niet verstoren. [verdachte] is ook iemand die wraakzuchtig (“vindictive”) kan zijn. Dit is ook een van de redenen dat ik heb toegestemd met de vaststelling van het loon van [zoon]. Ik heb geen sollicitatiegesprek met [zoon] gehad. [echtgenote] vertelde dat hij werk zocht en zo is het gegaan.” Op de vraag of [zoon] goed functioneerde antwoordt [getuige 1]: “Als hij er was wel.” Het bedrag van NAf 188.800,- Uit de boekhouding van [bedrijf medeverdachte1] komen verschillende boekingen naar voren in relatie tot [naam] en/of [naam]. [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] USD 6.000,- of 7.000,- per maand wilde ontvangen. Omgerekend naar Antilliaanse guldens komt USD 6.000,- neer op NAf 10.800,-. Dit resulteert over de periode 1 februari 2016 tot en met 1 augustus 2018 in 17 betalingen, waarbij van een betaling een factuur is aangetroffen. Van de overige 16 betalingen zijn geen aanwijzingen gevonden waaruit zou kunnen blijken dat er een (volledige) dienstverlening tegenover heeft gestaan. Deze 16 betalingen komen neer op een totaalbedrag van NAf 188.800,-. [medeverdachte 1] heeft hierover als volgt verklaard. “[bedrijf medeverdachte 1] betaalde [verdachte] ook. [naam] heeft weleens verteld over de doorbetalingen aan [verdachte]. Als we niet zouden betalen aan [verdachte] dan zouden we het contract verliezen. Ik denk niet dat [verdachte] zoiets letterlijk zegt, dat is een gevoel wat [getuige 1] kreeg, het gaat om de manier hoe hij praat en hoe dingen gezegd worden waardoor je dat gevoel krijgt. Voor zover ik weet is het alleen [naam] die geld cash komt brengen. Ook hier gold dat [getuige 1] ]aangaf dat als je dat niet doet, dan heb je morgen de klus niet meer. [verdachte] is zeer powerful.” [getuige 1] heeft mij verteld dat, nadat er problemen ontstonden op de Dump, hij aangaf dat hij [verdachte] zou gaan betalen, omdat anders het risico bestond dat we het contract zouden verliezen. Op de vraag wat zijn mening is over de gang van zaken op Sint Maarten antwoordt [medeverdachte 1] : Ja het klopt niet, zo werkt het gewoon hier. Het contract gaat dan gewoon naar de partij die meer betaalt. [naam] heeft mij weleens cash gegeven.” Op de vraag of [medeverdachte 1] weet of [getuige 1] cash geld heeft betaald aan [verdachte] antwoordt [medeverdachte 1]dat hij heeft toegestemd met het idee om [verdachte] te betalen. Vervolgens vraagt hij zich af of hij nu zelf in de problemen zit. [getuige 1] heeft hierover als volgt verklaard. “Ik tekende cheques af en ik weet dat er cheques werden uitgeschreven aan het bedrijf Nandy Trenching, een bedrijf waar [naam] achter zit. Ik weet dat de bedragen die [naam] ontving niet overeenkwamen met de werkzaamheden die hij deed voor de Dump. De bedragen die hij per cheque ontving waren veel hoger. Ik weet dus dat dit niet klopt. [naam] int de cheques bij de WIB bank.” Op de vraag bij wie het geld uiteindelijk terecht kwam antwoordt [getuige 1] : “Bij [verdachte]. Dat bleek doordat [naam] een of twee keer tegen mij heeft gezegd bij het ophalen van de cheque dat hij geld moest betalen aan [verdachte].” Als [getuige 1] wordt voorgehouden dat er in de periode 1 februari 2016 tot 1 augustus 2018 een bedrag van NAf 254.221,92 via cheques is uitbetaald aan Nandy Trenching zegt hij dat dat absoluut niet het bedrag is waar [naam] voor gewerkt heeft en dat je zou moeten kijken voor welke bedragen er facturen in de administratie zitten. Verbalisanten merken voorts op dat [getuige 1] nog verklaarde dat [naam] aangaf dat hij de naam van zijn bedrijf wilde veranderen door de problemen die hij had met de Belastingdienst omdat zoveel geld bij hem is binnengekomen wat niet voor hem, maar voor [verdachte] was. “Wij waren verplicht [verdachte] geld te geven, als je het niet doet kun je vertrekken en zet hij een andere contractor neer. Ik heb wel eens gezien dat [naam] geld terug kwam brengen naar kantoor. Hij ging naar de bank en kwam dan terug. Hij heeft weleens gezegd: Ik moet geld wisselen voor [verdachte]. [verdachte] belde weleens naar kantoor om te vragen: is het gelukt met de overboeking vanuit VROMI? Hebben jullie je geld ontvangen? Hij zal nooit zeggen: ik kom mijn geld halen. Maar het feit dat de overboeking vanuit VROMI binnen was betekende voor hem dat zijn geld er was. We waren ongeveer een maand bezig met het beheer van de Dump en toen is het begonnen. [verdachte] kwam zelf vragen om een fee. Bij deze gesprekken waren zowel[naam], [verdachte] als ikzelf aanwezig. Hij wilde, zoals hij het noemde, een fee “to get the company running”. [verdachte] heeft zelf een bedrag van USD 6.000,- of USD 7.000,- genoemd dat hij per maand van ons wilde ontvangen. Uiteindelijk was het [naam] die de maandelijkse cash betalingen aan [verdachte] gaf. Ik heb dat niet met eigen ogen gezien, maar ik heb er wel met [naam] over gesproken.” Op de vraag of je geen nee kunt zeggen als [verdachte], nadat [bedrijf medeverdachte 1] de aanbesteding heeft gewonnen, om geld komt vragen, antwoordt [getuige 1]: “Nee!! [verdachte] heeft de absolute power. We hadden veel dingen niet op orde. Wanneer hij wordt betaald ziet hij zaken door de vingers en maakt hij het je niet lastig. Zodra je hem niet betaalt krijg je een hoop problemen op je nek en gaat hij elke regel handhaven en je het leven zuur maken.” [naam] heeft hierover het volgende verklaard. “Ok het zit zo, ik ga naar [bedrijf medeverdachte 1] en krijg een cheque. Ze moeten me bijvoorbeeld NAf 10.000,- voor mijn werk betalen en betalen me dan NAf 10.000,- meer. In totaal krijg ik dus een cheque van NAf 20.000,-. Ik ga dan naar de bank om de cheque om te wisselen voor cash geld. NAf 10.000,- hou ik dan zelf en de andere NAf 10.000,- doe ik in een envelop en geef ik terug aan hen, aan [bedrijf medeverdachte 1].Het was niet altijd dezelfde persoon aan wie ik het cash geld gaf. Het was of[naam], Leroy of[naam]. Ik denk niet dat het geld uiteindelijk voor hen is.” Overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [echtgenote] voor de door hen in de aanloop naar de aanbesteding in het tenderproces aan [bedrijf medeverdachte 1] verleende bijstand, de toekenning van het beheerscontract aan [bedrijf medeverdachte 1], de tussen partijen in dat kader onderhouden relatie en een soepele handhaving van de in het beheerscontract overeengekomen verplichtingen, een reeks aan tegenprestaties hebben verlangd, die ook daadwerkelijk aan hen en hun zoon zijn betaald. [medeverdachte 1] en [getuige 1] hebben op overtuigende wijze verklaard dat zij niet de ruimte voelden om tegen die verlangens in te gaan. Het ging om betalingen die nodig waren om aan de goede kant van [verdachte] te staan, zoals [getuige 1] het uitdrukt. Het was ook vanwege de functie van [verdachte], die ervoor kon zorgen dat [bedrijf medeverdachte 1] het contract zou verliezen en/of geen werk meer zou krijgen, dat [echtgenote]en de zoon van [verdachte] tegen relatief hoge bedragen door [bedrijf medeverdachte 1] werden ingehuurd. Datzelfde gold voor de maandelijkse betalingen aan [verdachte] zelf. [medeverdachte 1] heeft daarover verklaard dat ze het contract zouden verliezen als ze niet aan [verdachte] zouden betalen. [getuige 1] verwoordt dit door te zeggen dat zij verplicht waren om [verdachte] geld te geven, omdat hij een andere contractor zou neerzetten als ze niet betaalden. [getuige 1] spreekt in dit verband van [verdachte]s ‘absolute power’ die maakte dat zij geen nee konden zeggen als [verdachte] om geld kwam vragen. Ook het bedrag van USD 5.000,- was volgens [getuige 1] een kickback, in ruil voor de onder anderen door [verdachte] en [echtgenote] verleende hulp in het aanbestedingsproces. Ten slotte kan op grond van de verklaringen van [getuige 1]en [medeverdachte 1] worden vastgesteld dat de betaling van het bedrag van USD 22.700,- aan [verdachte] geen betrekking had op door [bedrijf medeverdachte 1] voor WWR verrichte werkzaamheden, en dat een (andere) legale rechtsgrond voor deze betaling ontbreekt. Bij die stand van zaken houdt het gerecht het er, mede omdat deze betaling past in een reeks van betalingen van steekpenningen door[medeverdachte 1] en [getuige 1] aan [verdachte] en de zijnen, voor dat het ook hier ging om voor [verdachte] bestemde steekpenningen. De verklaringen van [getuige 1] en [medeverdachte 1] staan niet op zichzelf, maar worden ook ondersteund door de verklaring van [naam], inhoudende dat [verdachte] voorafgaand aan de aanbesteding aan het sturen was en mooie praatjes had waarom vooral [bedrijf medeverdachte 1] de aanbesteding moest krijgen, waarbij hij niet zozeer de belangen van de overheid, maar meer die van [bedrijf medeverdachte 1] leek te dienen. Voor wat betreft de betalingen aan [echtgenote] kan steun worden gevonden in de verklaring van [naam] , inhoudende dat WWR, in de tijd dat zij de Dump nog beheerde, op aandringen van [verdachte] een overeenkomst heeft gesloten met diens echtgenote, en daarvoor, in de woorden van [naam], onzinbetalingen aan haar heeft gedaan, omdat hij geen last wilde krijgen met [verdachte]. Dit sterkt het gerecht in de overtuiging dat ook de door [medeverdachte 1]en [getuige 1] aan [echtgenote] betaalde fees moeten worden aangemerkt als steekpenningen. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 1] De raadsman heeft gesteld dat de medeverdachten in hun verklaringen ten overstaan van opsporingsambtenaren steeds anders/wisselend hebben verklaard. Het gerecht vat deze, verder niet concreet onderbouwde stelling op in die zin dat de raadsman heeft bedoeld te zeggen dat de verklaringen van [medeverdachte 1]en [getuige 1] niet consistent zijn en dat hun verklaringen bovendien niet met elkaar overeenstemmen, zodat zij wegens een gebrek aan betrouwbaarheid niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Het gerecht overweegt hierover als volgt. Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen met betrekking tot een bepaalde verdachte of overigens is verklaard, overeenkomt met, of steun vindt in – zo te noemen – objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Daarnaast kan de ouderdom en de complexiteit van de feiten waarover is verklaard bij de beoordeling een rol spelen evenals een mogelijk motief voor het afleggen van de verklaring. In het onderhavige onderzoek heeft [getuige 1 ] als getuige verklaard op 11 december 2018, 2 april 2019, 3 april 2019, 20 februari 2020, 21 februari 2020 en op 24 april 2020.[medeverdachte 1] is als verdachte gehoord op 3 april 2018, 8 december 2018, 23 oktober 2019, 12 maart 2020 en 13 maart 2020. Uit hun verklaringen blijkt zonder meer dat zij niet van meet af aan openheid van zaken hebben willen geven. Mogelijk heeft het risico van een strafrechtelijke veroordeling een rol gespeeld bij de beslissing om niet direct man en paard te noemen. Op enig moment hebben zij echter, geconfronteerd met onderzoeksbevindingen, (ieder voor zich) aangegeven wel openheid van zaken te zullen geven. Met inachtneming van het hierboven gegeven beoordelingskader komt het gerecht tot het oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [medeverdachte 1] betrouwbaar zijn, nu deze op essentiële punten zowel innerlijk als ten opzichte van elkaar voldoende consistent zijn. Hun verklaringen stemmen overeen en versterken het bewijs ten aanzien van de bewezenverklaarde geldbedragen en handelingen. Het gerecht betrekt bij zijn oordeel dat hun verklaringen bovendien steun vinden in objectieve gegevens in het dossier, waaronder bijvoorbeeld cheques, facturen, overige administratie, alsmede verklaringen van de getuigen. Ook neemt het gerecht in ogenschouw dat zij hun eigen rol niet onbelicht hebben gelaten en zichzelf in zoverre hebben belast. Aldus de verklaringen van [getuige 1] en [medeverdachte 1] met inachtneming van de nodige behoedzaamheid beziend, heeft het gerecht deze, zoals tot het bewijs gebezigd, gewogen en betrouwbaar geoordeeld. Het gerecht heeft geconstateerd dat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest deze getuigen te ondervragen nu beiden zich ter terechtzitting op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Dat gegeven staat in casu aan het gebruik tot bewijs van hun verklaringen niet in de weg, nu de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit, voldoende steun vindt in de daarmee op relevante wijze in verband staande bewijsmiddelen zoals hierboven weergegeven. Het verweer wordt daarom verworpen. Zaaksdsossier 3: Stelpost Sewage - ten aanzien van de feiten 3 en 4 - Inleiding Het gerecht stelt voorop dat binnen het opspori

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.