← Nederland

ECLI:NL:OGEAM:2021:161

Parketnummer: 820.00004/21 Uitspraak: 23 december 2021 Tegenspraak Vonnis van dit gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats], adres: [adres] in [woonplaats] Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2021, 18 en 20 mei 2021, 27, 28 en 29 september 2021, 15 en 16 november 2021 en 23 december 2021. Het gerecht heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.R. Bommel naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 30 augustus 2018 te Sint Maarten, (telkens) tezamen en in vereniging met of [bedrijf 1] en/of [medeverdachte] en/of (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, aan [betrokkene 2], al dan niet handelend als ambtenaar in de functie van hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer (Infrastructure Management), werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), en/of anderen te weten de echtgenote van [betrokkene 2] ([betrokkene 3]) en/of de zoon van [betrokkene 2] ([betrokkene 1]), (telkens) een gift en/of een belofte heeft gedaan (en/of een dienst) heeft verleend en/of aangeboden te weten een geldbedrag van USD 5.000,-; en/of een geldbedrag van USD 22.700,-; en/of (het aangaan van) een dienstverleningsovereenkomst met het bedrijf [bedrijf 2] ([BEDRIJF 2]) en/of met [betrokkene 3] en/of (een) geldbedrag(

  1. en)van in totaal (ongeveer) ANG 233.496,91; en/of (het aangaan van) een arbeidsovereenkomst met [betrokkene 1] en/of (een) geldbedrag(
  2. en)van in totaal (ongeveer) ANG 128.832,09; en/of een (totaal) geldbedrag van NAF 188.800,-, althans een maandelijks geldbedrag (ongeveer tussen) USD 6.000,- tot USD 7.000,- per maand, althans, een of meer geldbedrag(
  3. en)en/of belofte(
  4. n)(en/of dienst(en)), heeft gedaan en/of verleend en/of aangeboden, (telkens) met het oogmerk om [betrokkene 2] te bewegen in zijn bediening al dan niet in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten; en/of ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door voornoemde [betrokkene 2], al dan niet in zijn bediening, al dan niet in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten, te weten het (telkens): anders dan om zakelijke redenen en/of niet alleen vanwege zakelijke redenen het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017) gunnen aan [bedrijf 1] en/of verdachte en/of [medeverdachte] en/of zijn invloed ofwel gezag aanwenden en/of positief adviseren middels een intern toewijzingsadvies (Internal Awarding Advice) om te bewerkstelligen dat aan [bedrijf 1] en/of verdachte en/of [medeverdachte] dat contract werd gegund; en/of nog geheime en/of (nog) niet openbare en/of concurrentiegevoelige (overheids)informatie aan [bedrijf 1] en/of verdachte en/of [medeverdachte] verstrekken en/of voor hem/hen het (
  5. de)benodigde (aanbestedings)document(
  6. en)opstellen en/of hem/hen adviseren en/of assisteren bij het opstellen van (een) (aanbestedings)document(en), benodigd voor het verkrijgen van het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017); en/of aangaan van een relatie en/of onderhouden van een relatie tussen hem, [betrokkene 2] en/of zijn mededader(
  7. s)enerzijds en [bedrijf 1] en/of verdachte en/of [medeverdachte] anderzijds, al dan niet via een derde, ten einde (aldus) gunning van (een) toekomstig(
  8. e)(verlenging van een) beheerscontract(
  9. en)mogelijk te maken; en/of ervoor zorgen en/of zich er voor inspannen en/of zijn invloed aanwenden (zo)dat de genoegzame naleving van geldende (veiligheids-) procedures en verplichtingen die voor [bedrijf 1] en/of verdachte en/of [medeverdachte] voortvloeiden uit het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017) en overige relevante regelgeving niet (volledig) zouden worden gehandhaafd of dat anderszins (volledige) nakoming daarvan zou worden afgedwongen. subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: dat [bedrijf 1], een vennootschap opgericht naar het recht van Sint Maarten, in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 30 augustus 2018 te Sint Maarten, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, aan [betrokkene 2], al dan niet handelend als ambtenaar, in de functie van hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer (Infrastructure Management), werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), en/of anderen te weten de echtgenote van [betrokkene 2] ([betrokkene 3]) en/of de zoon van [betrokkene 2] ([betrokkene 1]), (telkens) een gift en/of een belofte heeft gedaan en/of een dienst heeft verleend en/of aangeboden te weten een geldbedrag van USD 5.000,-; en/of een geldbedrag van USD 22.700,-; en/of (het aangaan van) een (dienstverlenings-)overeenkomst met het bedrijf van [bedrijf 2] ([BEDRIJF 2]) en/of met [betrokkene 3] en/of (een) geldbedrag(
  10. en)van in totaal (ongeveer) ANG 233.496,91; en/of (het aangaan van) een arbeidsovereenkomst met [betrokkene 1] en/of (een) geldbedrag(
  11. en)van in totaal (ongeveer) ANG 128.832,09; en/of een (totaal) geldbedrag van NAF 188.800,-, althans een maandelijks geldbedrag (ongeveer tussen) USD 6.000,- tot USD 7.000,- per maand, althans, een of meer geldbedrag(
  12. en)en/of belofte(
  13. n)(en/of dienst(en)), heeft gedaan en/of verleend en/of aangeboden, (telkens) met het oogmerk om [betrokkene 2] te bewegen in zijn bediening al dan niet in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten en/of ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door [betrokkene 2], al dan niet in zijn bediening, al dan niet in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten, te weten het (telkens): anders dan om zakelijke redenen en/of niet alleen vanwege zakelijke redenen het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017) gunnen aan [bedrijf 1] en/of [medeverdachte] en/of [verdachte] en/of zijn invloed ofwel gezag aanwenden en/of positief adviseren middels een intern toewijzingsadvies (Internal Awarding Advice) om te bewerkstelligen dat aan [bedrijf 1] en/of [medeverdachte] en/of [verdachte] dat beheerscontract werd gegund; en/of nog geheime en/of (nog) niet openbare en/of concurrentiegevoelige (overheids)informatie aan [bedrijf 1] en/of [medeverdachte] en/of [verdachte] verstrekken en/of voor hem/hen het (
  14. de)benodigde (aanbestedings)document(
  15. en)opstellen en/of hem/hen adviseren en/assisteren bij het opstellen van (een) (aanbestedings)document(en), benodigd voor het verkrijgen van het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017); en/of aangaan van een relatie en/of onderhouden van die relatie tussen [betrokkene 2] en/of zijn mededader(
  16. s)enerzijds en [bedrijf 1] en/of [medeverdachte] en/of [verdachte], al dan niet via een derde, ten einde (aldus) gunning van (een) toekomstig(
  17. e)(verlenging van een) beheerscontract(
  18. en)mogelijk te maken; en/of ervoor zorgen en/of zich er voor inspannen en/of zijn invloed ofwel gezag aan wenden (zo)dat de genoegzame naleving van geldende (veiligheids-) procedures en verplichtingen die voor [bedrijf 1] en/of [medeverdachte] en/of [verdachte] voortvloeiden uit het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanatary Landfill Pond Island 2016-2017) en overige relevante regelgeving niet (volledig) zouden worden gehandhaafd of dat anderszins (volledige) nakoming daarvan zou worden afgedwongen, terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(
  19. en)opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande gedraging(en). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het gerecht deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Bewezenverklaring Het gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, met dien verstande dat: hij in de periode van 2 juni 2015 tot en met 30 augustus 2018 te Sint Maarten, telkens tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] en [medeverdachte], meermalen, aan [betrokkene 2], handelend als ambtenaar in de functie van hoofd van de afdeling Infrastructuurbeheer (Infrastructure Management), werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), en anderen, te weten de echtgenote van [betrokkene 2] ([betrokkene 3]) en de zoon van [betrokkene 2] ([betrokkene 1]), telkens een gift heeft gedaan en een dienst heeft aangeboden te weten een geldbedrag van USD 5.000,-; en een geldbedrag van USD 22.700,-; en een dienstverleningsovereenkomst met het bedrijf van [bedrijf 2] ([BEDRIJF 2]) en een geldbedrag van ANG 233.496,91; en een arbeidsovereenkomst met [betrokkene 1] en een geldbedrag van ANG 128.832,09; en een geldbedrag van NAF 188.800,-, telkens met het oogmerk om [betrokkene 2] te bewegen in zijn bediening in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten; en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door voornoemde [betrokkene 2], in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten, te weten het telkens: niet alleen vanwege zakelijke redenen positief adviseren middels een intern toewijzingsadvies (Internal Awarding Advice) om te bewerkstelligen dat aan [bedrijf 1] dat contract werd gegund; en informatie aan [bedrijf 1] verstrekken en de benodigde aanbestedingsdocumenten opstellen en adviseren en assisteren bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, benodigd voor het verkrijgen van het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017); en onderhouden van een relatie tussen [betrokkene 2] enerzijds en [bedrijf 1] en verdachte en [medeverdachte] anderzijds, ten einde gunning van een verlenging van een beheerscontract mogelijk te maken; en ervoor zorgen dat de genoegzame naleving van geldende (veiligheids-) procedures en verplichtingen die voor [bedrijf 1] en verdachte en [medeverdachte] voortvloeiden uit het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017) en overige relevante regelgeving niet volledig zouden worden gehandhaafd of dat anderszins volledige nakoming daarvan zou worden afgedwongen. Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Met betrekking tot de hieronder genoemde processen-verbaal, die zijn opgemaakt door verbalisanten met vermelding van alleen hun codenummer, overweegt het gerecht dat het deze processen-verbaal voor het bewijs gebruikt nu de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten in belangrijke mate steun vindt in de overige (zijnde andersoortige) bewijsmiddelen, door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om deze verbalisanten te horen in verband met het onder nummer verbaliseren en het gerecht de inhoud van deze processen-verbaal betrouwbaar oordeelt. De bewijsmiddelen Inleiding Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van zogenaamde TCI- informatie inhoudend dat het aanbestedingsproces rondom de vuilnisstortplaats op Sint Maarten (hierna ook: de Dump) niet integer zou zijn verlopen. In deze informatie werd onder meer de naam van [betrokkene 2] genoemd, als degene die steekpenningen zou hebben ontvangen. Op 7 juli 2018 is het opsporingsonderzoek Ruby gestart. Dit onderzoek richtte zich in eerste instantie op [betrokkene 2] en zijn echtgenote [betrokkene 3]. Zij werden verdacht van het medeplegen van het aannemen van steekpenningen in dienstbetrekking van [medeverdachte] en zijn bedrijf [bedrijf 1] (hierna ook: [BEDRIJF 1]) in ruil voor het winnen van de aanbesteding van de vuilnisstortplaats. Het onderzoek naar dit strafbare feit is beschreven in het zaaksdossier Aanbesteding Dump. In het Ruby-onderzoek spelen onder meer de volgende personen een rol, te weten [betrokkene 2], [betrokkene 3], [medeverdachte], [verdachte]. Voor de leesbaarheid zal het gerecht deze personen zoveel mogelijk aanduiden met alleen hun achternaam. Geschriften, van belang voor deze zaak Op 24 november 2015 verschijnt in The Daily Herald een advertentie onder de kop: Public Tender Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017. Als ‘principal’ wordt genoemd het Ministerie van VROMI, vertegenwoordigd door het Department of Infrastructure Management. Als uiterste inlevermoment voor biedingen wordt 30 november 2015 om 10.00 uur genoemd. Ook wordt melding gemaakt van een informatiebijeenkomst. Verdere informatie kan volgens deze advertentie verkregen worden bij het Ministerie van VROMI, Department of Infrastructure Management, ter attentie van [betrokkene 2]. Op 1 december 2015 stelt het Department of Infrastructure Management van VROMI een Internal Awarding Advice op, waarbij de twee binnengekomen biedingen, waarvan een van [BEDRIJF 1] ad NAf 4.662.920,- en een van [bedrijf 3] (hierna: [BEDRIJF 3]) ad NAf 7.187.672,-, worden geëvalueerd. De conclusie van het departement luidt dat op basis van het puntensysteem, zoals omschreven in de Terms of Reference, het beheerscontract voor de Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017 zou moeten worden gegund aan [BEDRIJF 1]. Dit advies is ondertekend door de contract manager [betrokkene 4] en het hoofd van het departement [betrokkene 2]. Na goedkeuring door de Raad van Ministers op 8 en 27 januari 2016, en ondertekening van het Landsbesluit door de Gouverneur op 10 maart 2016, wordt op 16 maart 2016 tussen het Land Sint Maarten, vertegenwoordigd door de Minister van VROMI [getuige 1], en [BEDRIJF 1], vertegenwoordigd door [medeverdachte], overeengekomen dat [bedrijf 1] van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 de Sanitary Landfill zal beheren, met de mogelijkheid van verlenging met een jaar. Hiervoor wordt een vergoeding overeengekomen van NAf 4.462.920,-. Dit contract draagt de naam: Agreement Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017. [BEDRIJF 1] is opgericht op 2 juni 2015, met als statutair directeur [medeverdachte]. In de periode van 29 juli 2015 tot en met 30 november 2015, de dag waarop de biedingen binnen moeten zijn, vindt de navolgende communicatie plaats. - Op 29 juli 2015 mailt [betrokkene 5], voormalig bedrijfsleider bij [BEDRIJF 3], het bid-document van [BEDRIJF 3] uit 2011 naar [betrokkene 2], die de ontvangst bevestigt. Dit betreft de biedingsdocumenten die [BEDRIJF 3] in 2011 heeft ingediend voor de aanbesteding van het beheerscontract van de Landfill met daarin de specificaties. - Op 14 augustus 2015 wordt van de printer bij VROMI het Kamer van Koophandel uittreksel van [BEDRIJF 1] ingescand en gestuurd naar het e-mailadres van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] mailt dit, zonder toelichting, naar het e-mailadres van zijn dochter. - Op 18 augustus 2015 wordt op de tijdens de huiszoeking bij [BEDRIJF 2] inbeslaggenomen computer de bestandsmap Babadoo\tender\landfill\ geopend. - Op 18 augustus 2015 wordt op de bij [BEDRIJF 2] aangetroffen computer een bestand aangemaakt, genaamd Plan of Action.docx van [BEDRIJF 1]. Uit de documenteigenschappen blijkt dat dit bestand is aangemaakt door [betrokkene 3]. Als contributor staat vermeld: [dochter van betrokkene 2]. In het Plan of Action van [BEDRIJF 1] van 10 september 2015 wordt onder punt 6.1 onder ‘involved parties’ als ‘Employer/Principal’ genoemd: Ministry of VROMI met als contactpersoon: [betrokkene 2]. Het gerecht constateert dat het Plan of Action zoals aangetroffen in de computer van [BEDRIJF 2] inhoudelijk overeenkomt met teksten vermeld in het door [betrokkene 5] aan [betrokkene 2] toegestuurde bid 2011 van [BEDRIJF 3]. - Op 28 augustus 2015 wordt op de bij [BEDRIJF 2] aangetroffen computer een bestand aangemaakt, genaamd Equipment for works.docx van [BEDRIJF 1]. Uit de documenteigenschappen blijkt dat dit bestand is aangemaakt door [betrokkene 3]. Als contributor staat vermeld: [dochter van betrokkene 2]. Het gerecht constateert dat bij dit document dezelfde foto’s zijn gevoegd als in het bid van [BEDRIJF 3] uit 2011. - Op 28 augustus 2015 stuurt [betrokkene 2] van zijn zakelijke e-mailadres een e-mail naar zijn privé e-mailadres met als tekst: “Hi [verdachte], Please fill out accordingly and return to me.” Als attachment is gevoegd een document genaamd: Equipment list for work.docx van [BEDRIJF 1]. In de documenteigenschappen van dit bestand staat als creator [betrokkene 3] vermeld en als contributor [betrokkene 2]. Het gerecht constateert dat dit bestand vrijwel identiek is aan het hiervoor genoemde document Equipment for works.docx van [BEDRIJF 1]. - Op 29 augustus 2015 stuurt [betrokkene 2] van zijn privé e-mailadres naar zijn zakelijke e-mailadres en zijn privé e-mailadres een e-mail met de tekst: Prepare for a formal letter to purchase these items from [bedrijf 3] Als attachment is gevoegd een document genaamd Investments by government.docx. Dit betreft een Word bestand met daarin opgenomen de ‘investments’ met daarbij de vermelding “included” of “purchase”. In de documenteigenschappen staat [betrokkene 3] als creator en als contributor vermeld. - Op 29 augustus 2015 wordt een Word document opgemaakt waarin de vragen van [BEDRIJF 1] inzake de aanbesteding zijn opgenomen. In de documenteigenschappen is [betrokkene 3] als creator en contributor opgenomen. - Op 30 augustus 2015 stuurt [betrokkene 2] van zijn privé e-mailadres naar zijn zakelijke e-mailadres en privé e-mailadres een e-mail met als onderwerp: brief [BEDRIJF 3] ending contract and purchase goods met als tekst: Place a letter head and send out. Bij deze e-mail zijn twee attachments gevoegd: a. het eerder genoemde document van 29 augustus 2015: Investments by government.docx en b. een document: [bedrijf 3] purchase everything landfill.docx. Dit laatste document betreft een conceptbrief van secretaris-generaal [betrokkene 11] van VROMI aan [BEDRIJF 3], cc aan [betrokkene 2], inhoudende dat het beheer van de Landfill stopt per 31 december 2015. Tevens wordt gevraagd om medewerking van [BEDRIJF 3] bij de verkoop van materieel aan de overheid omdat dit de overgang voor de nieuwe contractant soepeler zal maken en de tender prijs laag kan houden. Verder wordt [BEDRIJF 3] bedankt voor haar positieve inzet in de afgelopen 15 jaar. In de kenmerken van dit bestand staat [betrokkene 3] als creator en contributor vermeld. - Op 30 augustus 2015 stuurt [betrokkene 2] een e-mail naar zijn dochter [dochter van betrokkene 2] met de tekst: Hi [dochter van betrokkene 2], did you make the following docs: *organizational chart *Staffing use for the works based on the organizational chart. It’s going good but still need to put in some serious extra time to finetune it. Spent about 12 hours nearly non stop on it but we nearly there. Just need to get lots of info from the boys yet. Love daddy. - Op 30 augustus 2015 antwoordt [dochter van betrokkene 2]: Hi daddy, I do have the organization chart. I’ll send it to you just in case though. Also when you get a chance could you send me the tender document? - [ [betrokkene 2] antwoordt hierop op diezelfde dag: Hi [dochter van betrokkene 2], I’ll send you the tender docs just now. - Op 31 augustus 2015 stuurt [verdachte] een e-mail naar [betrokkene 2] met als onderwerp: Equipment list en als tekst: Please see Attachments. Als bijlage wordt een equipment list for works 2015 bijgevoegd. - Op 16 september 2015 stuurt [betrokkene 2] een e-mail naar [verdachte] met als onderwerp: please have these filled out en met de tekst: handle as fast as possible. Als bijlage is gevoegd: Curriculum vitae of key personnel.docx. - Op 29 oktober 2015 stuurt [betrokkene 2] een e-mail naar [verdachte] met het onderwerp questions en met de tekst: Questions:1. If government tenders the security separately who is responsible fotr our equipment if something happens and who covers our lost wages? 2. Are the equipments being used on landfill presently by [bedrijf 3] for sale if we would win the tender? If you had other questions please add and send back now for me on a letterhead. Het gerecht constateert dat de vragen gelijkluidend zijn aan de vragen die staan vermeld in het hierboven genoemde Word document dat op 29 augustus 2015 is opgemaakt en waarin de vragen van [BEDRIJF 1] inzake de aanbesteding zijn opgenomen. - Op 29 oktober 2015 stuurt [verdachte] de vragen die [betrokkene 2] hem heeft gestuurd naar het zakelijke e-mailadres van [betrokkene 2]. Het gerecht leidt uit de inhoud van deze correspondentie en stukken af dat [betrokkene 2] in de aanloop naar de aanbesteding van het beheerscontract voor de landfill niet alleen informatie heeft verstrekt aan een van de latere bieders, te weten [BEDRIJF 1], maar ook dat hij – samen met zijn dochter en met [betrokkene 3] – daadwerkelijk heeft geholpen bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, die nodig waren voor het verkrijgen van het beheerscontract, en dat zij deze documenten ook hebben opgemaakt. Over het verdere verloop van, en het vervolg op de aanbestedingsprocedure en de betalingen die in het kader daarvan door [BEDRIJF 1] zijn gedaan bevat het dossier voorts de volgende informatie. Diverse personen hebben zich uitgelaten over de overgang van het beheerscontract van [BEDRIJF 3] naar [BEDRIJF 1] en de rol van [betrokkene 2] in dat verband. Het gerecht geeft hun verklaringen hierna weer. [betrokkene 6] heeft onder meer het volgende verklaard. “Ik was directeur bij [BEDRIJF 3]. [betrokkene 2] kan nogal dwingend zijn. Het moet gaan zoals hij wil en hij geeft weinig ruimte. Als het niet gaat hoe hij het wil dan kom je weer in de donkere wereld van Sint Maarten terecht. Dan gaan de dingen zoals ik liever niet wil dat ze zouden gaan. Ik had moeite met de laatste aanbesteding van de Dump. Het was een bestek met zoveel eisen waarbij je, wilde je alles opvolgen, een hoop moest investeren. Ik denk dat wij een nette prijs hadden neergelegd na zoveel jaar ervaring. Dan komt er een ander en die schrijft voor een veel lager bedrag in, daar was ik wel ziek van. Ik had het gevoel dat de inschrijving van [verdachte] niet klopte. Als je al bepaalde vaste kosten optelt die in het bestek zijn genoemd dan zat je al boven het bedrag waar [BEDRIJF 1] op had ingeschreven. Na het verliezen van de aanbesteding voelde ik me genaaid. We stonden onder tijdsdruk, het was een hele korte periode dat je de bieding moest inleveren. Die trucjes ken ik ook. Ik bedoel dat de periode van aanbesteding heel kort is en dat het kan zijn dat iemand anders de informatie al heeft. Voor een degelijk belangrijk, groot project is dat raar. Je voelt al in het hele proces dat het niet klopte, alles zat te dicht op elkaar. Ik ken [betrokkene 3] als de vrouw van [betrokkene 2]. Ik heb een keer een overeenkomst met haar gesloten. [betrokkene 2] vroeg of we werk hadden, want ze had geen werk. Ze kon helpen met werkvergunningen. [betrokkene 2] is nogal persistent. Het enige wat ik doe is dingen afwegen. Je bent het zat om telkens te horen dat je niemand wil helpen en dan weeg je dat af, wat kost het. Er ging wel door mijn hoofd dat als ik [betrokkene 3] niet aan werk hielp, [BEDRIJF 3] daar last van kreeg. Dit is niet uit liefde gegaan.” [betrokkene 6] heeft verder verklaard dat de betalingen aan [betrokkene 3] voor het helpen in de werkvergunningssfeer onzin-betalingen waren. “We hadden dit als [BEDRIJF 3] niet nodig. Ik heb dit in 2015 stop gezet omdat er niks gebeurde”, aldus [betrokkene 6]. [betrokkene 7] heeft onder meer het volgende verklaard. “Ik was van november 2015 tot december 2016 minister van VROMI. Ik kreeg direct na mijn aanstelling het verzoek om snel een advies te tekenen met betrekking tot de aanbesteding van de Dump. Wij hebben de vragen met betrekking tot [BEDRIJF 1] voorgelegd aan [betrokkene 2]. Een van de vragen waar ik moeite mee had was de ervaring die [BEDRIJF 1] zou hebben. Ik wist dat [BEDRIJF 3] al jaren de Dump beheerde en van [BEDRIJF 1] had ik nog nooit gehoord. [betrokkene 2] zou in mijn beleving de belangen van de overheid moeten waarborgen. Maar zijn argumenten lagen meer in de lijn van [BEDRIJF 1]. Dat vond ik raar. [betrokkene 2] deelde de zorg die wij hadden niet. [betrokkene 2] was aan het sturen en had mooie praatjes waarom vooral [BEDRIJF 1] de aanbesteding moest krijgen.” [betrokkene 7] heeft verder verklaard 100% zeker te weten dat [betrokkene 2] geld kreeg van [BEDRIJF 1]. [BEDRIJF 1] kreeg ineens overal opdrachten voor: het ophalen van vuilnis, het schoonmaken van stranden en het beheer van de Dump. [betrokkene 8], secretaris-generaal van het Ministerie van VROMI, heeft verklaard dat zijn ministerie vijf diensten kent. De verantwoordelijke voor de beheersdienst is [betrokkene 2]. Hij heeft verklaard dat de Terms of Reference voor de aanbesteding van het beheerscontract van de Sanitary Landfill zijn opgesteld door de Beheersdienst en dat het proces van aanbesteding en toewijzing werd getrokken vanuit de Beheersdienst. Vanuit die dienst was [betrokkene 2] daar als hoofd bij betrokken. Ter zitting als getuige gehoord, heeft [betrokkene 8] verklaard dat hij het opmerkelijk vond dat de prijs van [BEDRIJF 1] zo dicht lag bij het voor het beheer van de Dump in de begroting gereserveerde bedrag, omdat die begroting weliswaar geen geheim was, maar het werk in redelijkheid niet voor die prijs kon worden uitgevoerd. Het gereserveerde bedrag was veel te krap voor een gedegen beheer van de Dump. Hij vond het dan ook opmerkelijk dat [BEDRIJF 1] dacht dat ze het voor dat bedrag konden doen en merkt op dat de berekeningen van [BEDRIJF 1] achteraf ook niet bleken te kloppen. [medeverdachte] heeft onder meer het volgende verklaard. “Ik weet dat er iets gaande was tussen [betrokkene 2] en [BEDRIJF 3]. [BEDRIJF 3] was het bedrijf dat voordat wij de aanbesteding wonnen het beheer van de Dump deed. Ik voelde dat [betrokkene 2] en [BEDRIJF 3] geen vrienden meer waren zoals dat daarvoor wel het geval was. Ik denk dat [BEDRIJF 1] geen betrokkenheid zou hebben gehad bij de Dump wanneer de relatie tussen [betrokkene 2] en [BEDRIJF 3] goed was gebleven. Dan was [BEDRIJF 3] gewoon de Dump blijven doen.” Rapport SOAB d.d. 17 februari 2017 Uit het rapport van 17 februari 2017 van het SOAB, gericht aan de minister van VROMI, blijkt dat er na de overname van het beheerscontract van de Landfill op 1 januari 2016 naast een gebrek aan expertise sprake was van een algeheel gebrek aan “compliance management”: “Assessment Sanitary Landfill Management Agreement. Though some transition issues were expected there have been numerous fires and incidents at the Landfill which initiated a request (…) to assess the situation. (…) two weaknesses were identified. (…) we noted the absence of the requirement of expertise in the field of sanitary landfilling. (…) The assessment of compliance with the TOR by the Contractor and Principal revealed that both have not been sufficiently compliant. (…) The key responsibilities of the Principal are to ensure compliance with the contract and related TOR by the Contractor, to monitor their operations, to rectify the situation as appropriate and to provide the policy and guidelines for waste management on St Maarten to guide the activities at the sanitary landfill. The TOR and contract contain sufficient enforcement measures and sanctions to deal with cases of non-compliance, however these were insufficiently enacted by the Principal. (…) There is a general lack of contract compliance management.” Ten aanzien van de ten laste gelegde geldbedragen a. Het bedrag van USD 5.000,- [medeverdachte] heeft hierover verklaard dat [verdachte] weleens heeft gezegd dat de dochter van [betrokkene 2] hielp met de aanbestedingsstukken. Hij gelooft dat ze daarvoor een bedrag van USD 5.000,- hebben betaald. Hij kan zich niet herinneren of [verdachte] of hijzelf dit bedrag betaald heeft. Hij weet niet meer of aan [betrokkene 2] of aan zijn dochter is betaald. [verdachte] heeft hierover het volgende verklaard. “Toen de tender uitkwam kon je de documentatie/de Terms of Reference ophalen bij de overheid. Om alles goed op papier te zetten heb ik de hulp ingeschakeld van [betrokkene 2] [betrokkene 2] wanneer ik iets niet begreep in de Terms of Reference. Een voorbeeld is dat er gevraagd werd om een CV. [betrokkene 2] heeft toen aangegeven dat ik al mijn ervaring op papier moest zetten omdat ervaring heel belangrijk was om de tender te verkrijgen. [betrokkene 2] adviseerde mij hoe ik de organisatiestructuur op moest bouwen.” [verdachte] heeft verder verklaard dat het opstellen van de tenderdocumenten is geregeld door [betrokkene 2] en zijn vrouw. “Tijdens de informatiebijeenkomst op 29 oktober 2015 heb ik vragen gesteld. Ik had niet echt ervaringen met aanbestedingen dus ik heb vooraf aan [betrokkene 2] gevraagd wat voor soort vragen ik zou kunnen stellen. Hij heeft me vervolgens per e-mail de vragen gestuurd die ik tijdens de informatiemeeting heb gesteld. Op de vraag van verbalisanten waarom [betrokkene 2] zich zo nadrukkelijk bemoeide met de aanbesteding van [BEDRIJF 1] antwoordde [verdachte]: “It’s all about the kick backs. In het begin lijkt het alsof ze je helpen. [betrokkene 3] kon helpen met de aanbestedingsstukken, daar hebben we haar USD 5.000,- voor moeten betalen. Dit was op aanraden van [betrokkene 2]. Zoals gezegd: Alles was [betrokkene 2], [betrokkene 2], [betrokkene 2]. De betaling moet cash geweest zijn, dat geld is niet aan [betrokkene 3] betaald, dat werd aan [betrokkene 2] gegeven. [medeverdachte] of ik heb dat geld betaald. Als het om cash geld ging moet het [betrokkene 2] zijn geweest die het geld heeft ontvangen, want dat werd niet aan zijn vrouw betaald.” Het bedrag van USD 22.700,- Uit een e-mail van 14 juli 2015 van [betrokkene 10] aan [betrokkene 5] en [betrokkene 11] van [BEDRIJF 3] blijkt dat [betrokkene 2] bij haar heeft geïnformeerd naar een cheque van [BEDRIJF 1], nadat [verdachte] daar ook om gevraagd had. [betrokkene 11] heeft, na raadpleging van het administratieve systeem van [BEDRIJF 3], verklaard dat de desbetreffende factuur is geboekt op het project de Dump en dat een bedrag van USD 22.700,- is betaald. In het dossier bevindt zich een factuur van 9 juli 2015 van [BEDRIJF 1] aan [BEDRIJF 3] ten bedrage van USD 30.000,- onder vermelding van: loader service sanitaire landfill for month of june 2015. Op die factuur staat handgeschreven een bedrag van USD 22.700,- en het woord paid. In het dossier bevindt zich ook een cheque van 13 juli 2015 van [BEDRIJF 3] aan [BEDRIJF 1] voor een bedrag van USD 22.700,-. Het bedrag van USD 22.700,- is in de administratie van [BEDRIJF 1] vermeld onder de omschrijving: Dawn Beach, beach cleaning. [betrokkene 12], werkzaam als hoofd administratie bij [BEDRIJF 3], heeft over deze factuur verklaard dat deze is verrekend met twee facturen van [BEDRIJF 2] aan [BEDRIJF 3]. [betrokkene 12] heeft geconstateerd dat ten aanzien van deze factuur via een op 27 juli 2015 geïnde cheque een bedrag van USD 22.700,- is betaald aan [BEDRIJF 1]. [medeverdachte] heeft over deze cheque het volgende verklaard. “Wij hebben op verzoek van [betrokkene 2] een keer een cheque opgehaald bij [BEDRIJF 3]. Volgens mij heeft [verdachte] de cheque opgehaald en bleef ik in de auto wachten. De cheque was uitgeschreven op naam van [BEDRIJF 1], wij hebben het geld op de bankrekening ontvangen en vervolgens cash aan [betrokkene 2] gegeven. Het was [verdachte] of ik zelf die het geld aan [betrokkene 2] heeft gegeven.” Nadat [medeverdachte] de factuur en de cheque in kwestie wordt getoond zegt hij dat het kan zijn dat dit de cheque is die betrekking heeft op de doorbetaling aan [betrokkene 2] en dat [BEDRIJF 1] in ieder geval geen werkzaamheden heeft uitgevoerd voor de cheque die [verdachte] en hij bij [BEDRIJF 3] opgehaald hebben. Ook verklaart hij dat het volledige bedrag van USD 22.700,- is doorbetaald aan [betrokkene 2]. “[betrokkene 2] was greedy, ik hoor van meer mensen dat zij geld moeten betalen aan [betrokkene 2] en die dat op een gegeven moment zat zijn.” [verdachte] heeft hierover, nadat hij is geconfronteerd met de verklaring van [medeverdachte], dat ten aanzien van deze factuur geen werkzaamheden door [BEDRIJF 1] zijn uitgevoerd, verklaard dat het klopte wat [medeverdachte] had verklaard. Het bedrag van NAf 233.496,91 Op 3 december 2015, twee dagen na de totstandkoming van het eerder genoemde, mede door [betrokkene 2] ondertekende, Internal Awarding Advice stuurt [betrokkene 3] vanuit [BEDRIJF 2] een e-mail naar [verdachte], waarin zij aangeeft wat zij hebben besproken. In deze e-mail staat onder meer welke administratieve diensten [BEDRIJF 2] voor haar rekening neemt voor [BEDRIJF 1]. In de administratie van [BEDRIJF 2] wordt een overeenkomst aangetroffen tussen [BEDRIJF 2] en [BEDRIJF 1], inhoudende dat [BEDRIJF 2] de administratieve werkzaamheden voor [BEDRIJF 1] over 2015 zal uitvoeren. Dit document is op 4 januari 2016 door [betrokkene 3] [betrokkene 3] als directeur van [BEDRIJF 2] en [medeverdachte] als directeur van [BEDRIJF 1] ondertekend. Op 25 januari 2016 wordt, onder verwijzing naar de overeenkomst van 4 januari 2016, hiervoor een bedrag overeengekomen van USD 2.500,- per maand. Op 4 december 2017 wordt een verhoging van de maandelijkse fee overeengekomen tot USD 4.950,-. Bij huiszoeking bij het accountantskantoor [BEDRIJF 2], toebehorend aan [betrokkene 3], werd administratie met betrekking tot [BEDRIJF 1] aangetroffen. Uit de fysieke bankafschriften van rekeningnummer 1004671 van [BEDRIJF 2] blijkt dat [BEDRIJF 2] over de periode 29 februari 2016 tot en met 19 april 2018 in totaal een bedrag van NAf 233.496,91 betaald heeft gekregen van [BEDRIJF 1]. [verdachte] heeft hierover het volgende verklaard. “[betrokkene 3] deed de administratie voor [BEDRIJF 1]. Wij betaalden best veel aan haar, zij heeft haar prijs bij ons neergelegd en dat hebben wij geaccepteerd. Achteraf kwam ik erachter dat wij eigenlijk veel teveel betaalden voor het werk dat zij deed. Ze is bij ons terechtgekomen op aanraden van haar man [betrokkene 2]. [betrokkene 2] heeft ons gewezen om [betrokkene 3] als accountant te nemen. Later is de prijs van [betrokkene 3] nog omhoog gegaan. Toen [betrokkene 3] het contract eenmaal had en ik van haar af wilde, wilde ik geen slapende honden wakker maken. Dit is vanwege de functie van [betrokkene 2] [betrokkene 2]. Hij is het hoofd van de onderhoudsafdeling van VROMI. Hij heeft een functie waarbij je beslissingen kunt maken, je wilt dus wel aan de goede kant van hem staan. Dat komt door de functie van [betrokkene 2]. Hij kan je maken of breken. Ik weet niet wat er gebeurt als je niet voor [betrokkene 3] kiest. Je voelt wel een bepaalde druk om voor haar te kiezen. Wij moesten op verzoek van [betrokkene 2] zijn zoon een baan geven, terwijl hij er niet vaak was en wij moesten zijn vrouw als accountant inhuren. Het is [betrokkene 2], [betrokkene 2], [betrokkene 2] die dit vraagt. En hadden we een probleem als we hen zouden ontslaan...YES! Hij kan wraakzuchtig zijn en kan ervoor zorgen dat je geen werk meer krijgt.“ [medeverdachte] heeft hierover als volgt verklaard. “USD 2.500,- per maand is heel veel voor de hoeveelheid administratie. Eigenlijk is ze ons te slim af geweest. Later hoorde ik van anderen dat wij teveel betaalden, maar toen was het al te laat. Ik denk dat als wij het contract met [betrokkene 3] zouden beëindigen, dan zou er druk op ons worden uitgeoefend en zouden wij het contract verliezen. Dat heeft te maken met de positie van haar man.” Op de vraag waarom [BEDRIJF 1] specifiek [betrokkene 1] en [betrokkene 3] inhuurde antwoordde [medeverdachte]: “Als je daar niet in meegaat dan bestaat de mogelijkheid dat je het contract verliest.” Het bedrag van NAf 128.832,09 In het dossier bevindt zich een Waste Management Service Agreement met bijlagen, waarin [BEDRIJF 1] als werkgever en [betrokkene 1] als werknemer overeenkomen dat laatstgenoemde voor [BEDRIJF 1] werkzaamheden zal verrichten ingaande 1 januari 2016, tegen een in bijlage A genoemd salaris vanaf 1 februari 2017 van NAf 6.725,25 bruto per maand. Tijdens een huiszoeking bij [BEDRIJF 2] werd beslag gelegd of digitale en fysieke administratie van [BEDRIJF 2]. Hieruit kwam naar voren dat [BEDRIJF 2] de administratie voert voor [BEDRIJF 1] en dat de administratie inzicht geeft in de salarisbetalingen van [BEDRIJF 1]. In de administratie zijn in de periode 29 januari 2016 tot en met 15 augustus 2018 totaal 32 betalingen per cheque verwerkt ten aanzien van de begunstigde [betrokkene 1] tot in totaal NAf 128.832,09. [medeverdachte] heeft hierover als volgt verklaard. “Ik heb weleens gevraagd waarom [betrokkene 1] zoveel verdiende en dan zei [verdachte]: because of his knowledge. Ik weet niet welke knowledge. Soms kwam [betrokkene 1] niet eens opdagen voor zijn werk. Daar werd niets aan gedaan vanwege de invloed die zijn vader had denk ik. Dat is de power die [betrokkene 2] heeft, dat heeft hij ook bij [BEDRIJF 3] gedaan, maar die betaalden op een gegeven moment niet meer.” [verdachte] heeft hierover als volgt verklaard. “[betrokkene 1] zat in de container bij de ingang van de Dump. Hij deed alleen het noteren en invoeren in de computer van de gewichten van de trucks. Zijn moeder heeft bij ons aangegeven dat [betrokkene 1] een baan nodig had. Ik had een salaris van NAf 1.800,- per maand aangeboden aan [betrokkene 1]. Zijn vader [betrokkene 2] vertelde toen tegen mij dat zijn zoon meer zou moeten verdienen omdat hij ervaring had met computers. Die ervaring was handig als de computer kapot ging, hij kon dat dan maken. Het klopt dat wij maar een computer hadden staan.” Op de vraag wie bepaalde dat het salaris van [betrokkene 1] van NAf 1.800,- omhoog ging, antwoordt [verdachte]: “[betrokkene 1] vertelde dat hij meer wilde verdienen. Ik ben daarmee akkoord gegaan. Ik heb er niet moeilijk over gedaan omdat het de zoon van [betrokkene 2] was en het het werk heel moeilijk zou kunnen maken in de toekomst. Het klopt dat de weegbrug al na drie maanden kapot ging. Daarna deden we schattingen van hoeveel een truck woog. [betrokkene 1] kwam precies op het goede moment vragen voor die baan omdat ik iemand nodig had. Hij wist dat ongetwijfeld via zijn vader.” Wanneer [verdachte] een reactie wordt gevraagd op de opmerking dat hij de vrouw en zoon van [betrokkene 2] inhuurt voor ongeveer USD 5.000,- per maand, antwoordt hij: “Ja ongelooflijk, en dat terwijl ze bijna niks doen.” [verdachte] heeft verder verklaard dat [betrokkene 1]’s loonsverhoging absoluut ook te maken had met het feit dat hij de zoon is van [betrokkene 2]. “Dat maakt uit want [betrokkene 2] is het hoofd van VROMI en je wilt die relatie niet verstoren. [betrokkene 2] is ook iemand die wraakzuchtig (“vindictive”) kan zijn. Dit is ook een van de redenen dat ik heb toegestemd met de vaststelling van het loon van [betrokkene 1]. Ik heb geen sollicitatiegesprek met [betrokkene 1] gehad. [betrokkene 3] vertelde dat hij werk zocht en zo is het gegaan.” Op de vraag of [betrokkene 1] goed functioneerde antwoordt [verdachte]: “Als hij er was wel.” Het bedrag van NAf 188.800,- Uit de boekhouding van [BEDRIJF 1] komen verschillende boekingen naar voren in relatie tot [bedrijf 4] en/of [betrokkene 13]. [verdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 2] USD 6.000,- of 7.000,- per maand wilde ontvangen. Omgerekend naar Antilliaanse guldens komt USD 6.000,- neer op NAf 10.800,-. Dit resulteert over de periode 1 februari 2016 tot en met 1 augustus 2018 in 17 betalingen, waarbij van een betaling een factuur is aangetroffen. Van de overige 16 betalingen zijn geen aanwijzingen gevonden waaruit zou kunnen blijken dat er een (volledige) dienstverlening tegenover heeft gestaan. Deze 16 betalingen komen neer op een totaalbedrag van NAf 188.800,-. [medeverdachte] heeft hierover als volgt verklaard. “[BEDRIJF 1] betaalde [betrokkene 2] ook. [verdachte] heeft weleens verteld over de doorbetalingen aan [betrokkene 2]. Als we niet zouden betalen aan [betrokkene 2] dan zouden we het contract verliezen. Ik denk niet dat [betrokkene 2] zoiets letterlijk zegt, dat is een gevoel wat [verdachte] kreeg, het gaat om de manier hoe hij praat en hoe dingen gezegd worden waardoor je dat gevoel krijgt. Voor zover ik weet is het alleen [bedrijf 4] die geld cash komt brengen. Ook hier gold dat [verdachte] aangaf dat als je dat niet doet, dan heb je morgen de klus niet meer. [betrokkene 2] is zeer powerful.” [verdachte] heeft mij verteld dat, nadat er problemen ontstonden op de Dump, hij aangaf dat hij [betrokkene 2] zou gaan betalen, omdat anders het risico bestond dat we het contract zouden verliezen. Op de vraag wat zijn mening is over de gang van zaken op Sint Maarten antwoordt [medeverdachte]: Ja het klopt niet, zo werkt het gewoon hier. Het contract gaat dan gewoon naar de partij die meer betaalt. [betrokkene 14] heeft mij weleens cash gegeven.” Op de vraag of [medeverdachte] weet of [verdachte] cash geld heeft betaald aan [betrokkene 2] antwoordt [medeverdachte] dat hij heeft toegestemd met het idee om [betrokkene 2] te betalen. Vervolgens vraagt hij zich af of hij nu zelf in de problemen zit. [verdachte] heeft hierover als volgt verklaard. “Ik tekende cheques af en ik weet dat er cheques werden uitgeschreven aan het bedrijf [bedrijf 4], een bedrijf waar [betrokkene 14] achter zit. Ik weet dat de bedragen die [betrokkene 14] ontving niet overeenkwamen met de werkzaamheden die hij deed voor de Dump. De bedragen die hij per cheque ontving waren veel hoger. Ik weet dus dat dit niet klopt. [betrokkene 14] int de cheques bij de WIB bank.” Op de vraag bij wie het geld uiteindelijk terecht kwam antwoordt [verdachte]: “Bij [betrokkene 2]. Dat bleek doordat [betrokkene 14] een of twee keer tegen mij heeft gezegd bij het ophalen van de cheque dat hij geld moest betalen aan [betrokkene 2].” Als [verdachte] wordt voorgehouden dat er in de periode 1 februari 2016 tot 1 augustus 2018 een bedrag van NAf 254.221,92 via cheques is uitbetaald aan [bedrijf 4] zegt hij dat dat absoluut niet het bedrag is waar [betrokkene 14] voor gewerkt heeft en dat je zou moeten kijken voor welke bedragen er facturen in de administratie zitten. Verbalisanten merken voorts op dat [verdachte] nog verklaarde dat [betrokkene 14] aangaf dat hij de naam van zijn bedrijf wilde veranderen door de problemen die hij had met de Belastingdienst omdat zoveel geld bij hem is binnengekomen wat niet voor hem, maar voor [betrokkene 2] was. “Wij waren verplicht [betrokkene 2] geld te geven, als je het niet doet kun je vertrekken en zet hij een andere contractor neer. Ik heb wel eens gezien dat [betrokkene 14] geld terug kwam brengen naar kantoor. Hij ging naar de bank en kwam dan terug. Hij heeft weleens gezegd: Ik moet geld wisselen voor [betrokkene 2]. [betrokkene 2] belde weleens naar kantoor om te vragen: is het gelukt met de overboeking vanuit VROMI? Hebben jullie je geld ontvangen? Hij zal nooit zeggen: ik kom mijn geld halen. Maar het feit dat de overboeking vanuit VROMI binnen was betekende voor hem dat zijn geld er was. We waren ongeveer een maand bezig met het beheer van de Dump en toen is het begonnen. [betrokkene 2] kwam zelf vragen om een fee. Bij deze gesprekken waren zowel [medeverdachte], [betrokkene 2] als ikzelf aanwezig. Hij wilde, zoals hij het noemde, een fee “to get the company running”. [betrokkene 2] heeft zelf een bedrag van USD 6.000,- of USD 7.000,- genoemd dat hij per maand van ons wilde ontvangen. Uiteindelijk was het [medeverdachte] die de maandelijkse cash betalingen aan [betrokkene 2] gaf. Ik heb dat niet met eigen ogen gezien, maar ik heb er wel met [medeverdachte] over gesproken.” Op de vraag of je geen nee kunt zeggen als [betrokkene 2], nadat [BEDRIJF 1] de aanbesteding heeft gewonnen, om geld komt vragen, antwoordt [verdachte]: “Nee!! [betrokkene 2] heeft de absolute power. We hadden veel dingen niet op orde. Wanneer hij wordt betaald ziet hij zaken door de vingers en maakt hij het je niet lastig. Zodra je hem niet betaalt krijg je een hoop problemen op je nek en gaat hij elke regel handhaven en je het leven zuur maken.” [betrokkene 13] heeft hierover het volgende verklaard. “Ok het zit zo, ik ga naar [BEDRIJF 1] en krijg een cheque. Ze moeten me bijvoorbeeld NAf 10.000,- voor mijn werk betalen en betalen me dan NAf 10.000,- meer. In totaal krijg ik dus een cheque van NAf 20.000,-. Ik ga dan naar de bank om de cheque om te wisselen voor cash geld. NAf 10.000,- hou ik dan zelf en de andere NAf 10.000,- doe ik in een envelop en geef ik terug aan hen, aan [BEDRIJF 1]. Het was niet altijd dezelfde persoon aan wie ik het cash geld gaf. Het was of [medeverdachte], [verdachte] of [persoon]. Ik denk niet dat het geld uiteindelijk voor hen is.” Overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voor de door hen in de aanloop naar de aanbesteding in het tenderproces aan [BEDRIJF 1] verleende bijstand, de toekenning van het beheerscontract aan [BEDRIJF 1], de tussen partijen in dat kader onderhouden relatie en een soepele handhaving van de in het beheerscontract overeengekomen verplichtingen, een reeks aan tegenprestaties hebben verlangd, die ook daadwerkelijk door [medeverdachte] en [verdachte] aan hen en hun zoon zijn betaald. [medeverdachte] en [verdachte] hebben op overtuigende wijze verklaard dat zij niet de ruimte voelden om tegen die verlangens in te gaan. Het ging om betalingen die nodig waren om aan de goede kant van [betrokkene 2] te staan, zoals [verdachte] het uitdrukt. Het was ook vanwege de functie van [betrokkene 2], die ervoor kon zorgen dat [BEDRIJF 1] het contract zou verliezen en/of geen werk meer zou krijgen, dat [betrokkene 3] en de zoon van [betrokkene 2] tegen relatief hoge bedragen door [BEDRIJF 1] werden ingehuurd. Datzelfde gold voor de maandelijkse betalingen aan [betrokkene 2] zelf. [medeverdachte] heeft daarover verklaard dat ze het contract zouden verliezen als ze niet aan [betrokkene 2] zouden betalen. [verdachte] verwoordt dit door te zeggen dat zij verplicht waren om [betrokkene 2] geld te geven, omdat hij een andere contractor zou neerzetten als ze niet betaalden. [verdachte] spreekt in dit verband van [betrokkene 2]s ‘absolute power’ die maakte dat zij geen nee konden zeggen als [betrokkene 2] om geld kwam vragen. Ook het bedrag van USD 5.000,- was volgens [verdachte] een kickback, in ruil voor de onder anderen door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] verleende hulp in het aanbestedingsproces. Ten slotte kan op grond van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] worden vastgesteld dat de betaling van het bedrag van USD 22.700,- aan [betrokkene 2] geen betrekking had op door [BEDRIJF 1] voor [BEDRIJF 3] verrichte werkzaamheden, en dat een (andere) legale rechtsgrond voor deze betaling ontbreekt. Bij die stand van zaken houdt het gerecht het er, mede omdat deze betaling past in een reeks van betalingen van steekpenningen door [medeverdachte] en [verdachte] aan [betrokkene 2] en de zijnen, voor dat het ook hier ging om voor [betrokkene 2] bestemde steekpenningen. De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] staan niet op zichzelf, maar worden ook ondersteund door de in de bewijsmiddelen opgenomen documenten en e-mails, alsook door de verklaring van [betrokkene 7], inhoudende dat [betrokkene 2] voorafgaand aan de aanbesteding aan het sturen was en mooie praatjes had waarom vooral [BEDRIJF 1] de aanbesteding moest krijgen, waarbij hij niet zozeer de belangen van de overheid, maar meer die van [BEDRIJF 1] leek te dienen. Voor wat betreft de betalingen aan [betrokkene 3] kan steun worden gevonden in de verklaring van [betrokkene 6], inhoudende dat [BEDRIJF 3], in de tijd dat zij de Dump nog beheerde, op aandringen van [betrokkene 2] een overeenkomst heeft gesloten met diens echtgenote, en daarvoor, in de woorden van [betrokkene 6], onzinbetalingen aan haar heeft gedaan, omdat hij geen last wilde krijgen met [betrokkene 2]. Dit sterkt het gerecht in de overtuiging dat ook de door [medeverdachte] en [verdachte] aan [betrokkene 3] betaalde fees moeten worden aangemerkt als steekpenningen. De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, reeds omdat de verweten gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden, zodat geen sprake kan zijn van (mede)plegen, maar – mits bewezen - van feitelijk leiding geven. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Natuurlijke personen kunnen, ook indien hun gedragingen in de sfeer van een rechtspersoon hebben plaatsgevonden, al dan niet samen met die rechtspersoon of anderen, een strafbaar feit plegen. Die situatie doet zich hier voor. De overige door de raadsvrouw in deze zaak naar voren gebrachte verweren zien op het bewijs en worden weerlegd door de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, zodat deze falen. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluiten. Het primair bewezen verklaarde levert op: medeplegen van: aan een ambtenaar zelf of een ander een gift doen dan wel een dienst aanbieden met het oogmerk om de ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten en aan een ambtenaar een gift doen dan wel een dienst aanbieden ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze ambtenaar, in zijn bediening, in strijd met zijn plicht is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De raadsvrouw heeft ten aanzien van het subsidiair, bij het vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde bepleit dat de verdachte handelde uit psychische overmacht, daartoe stellende dat sprake was van een van buiten komende drang, waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden, zodat de verdachte op dat punt moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor zover de raadsvrouw dit ook heeft willen aanvoeren ten aanzien van het primair, bij het vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde overweegt het gerecht als volgt. Een beroep op psychische overmacht kan alleen dan slagen wanneer er sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Daarvan is naar het oordeel van het gerecht onvoldoende gebleken. De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 2] ongeveer een maand nadat ze met het beheer van de Dump bezig waren, vroeg om een fee “to get the company running”- en dat ‘ze’ verplicht waren om [betrokkene 2] te betalen omdat ze anders konden vertrekken. Hoewel het gerecht wil aannemen dat de verdachte in dit verband enige druk heeft ervaren om zijn financiële belangen veilig te stellen, door geld aan [betrokkene 2] te betalen, levert dit niet van buiten komende drang op waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het verweer wordt verworpen. Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren, bij niet (naar behoren) verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, alsook op de straffen die in vergelijkbare gevallen door het Hof en de gerechten plegen te worden opgelegd. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] gedurende langere tijd schuldig gemaakt aan het betalen van steekpenningen aan het hoofd van de afdeling infrastructuur van het ministerie van VROMI in ruil voor zijn hulp in het kader van de gunning van het beheerscontract voor de Dump, voor het onderhouden van een goede relatie met die ambtenaar en om ervoor te zorgen dat niet alle op hen uit het beheerscontract voortvloeiende verplichtingen (volledig) zouden worden gehandhaafd. Daartoe zijn, voor een aanzienlijk bedrag, contante betalingen aan die ambtenaar gedaan en heeft [BEDRIJF 1] een dienstverleningsovereenkomst met het bedrijf van de echtgenote van die ambtenaar gesloten en een arbeidsovereenkomst met zijn zoon. Ook die overeenkomsten vertegenwoordigden een aanzienlijke waarde. Het spreekt voor zich dat het betalen van steekpenningen aan ambtenaren een ondermijnende invloed heeft op de samenleving. Niet alleen heeft de verdachte op deze manier andere bedrijven op oneerlijke wijze beconcurreerd, ook is het contract in dit geval gegund aan een partij, [BEDRIJF 1], die – zo is achteraf gebleken – over onvoldoende know how, materiaal en financiële middelen beschikte voor een gedegen beheer van de Dump, waardoor onveilige situaties zijn ontstaan, met alle risico’s voor de volksgezondheid van dien. In beginsel rechtvaardigt het voorgaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het gerecht acht een dergelijke strafoplegging in dit geval echter niet passend. Het gerecht houdt hierbij rekening met het feit dat de verdachte, na een aarzelend begin, openheid van zaken heeft gegeven met betrekking tot zijn eigen aandeel en dat van anderen, hetgeen heeft bijgedragen aan het ophelderen van deze zaak. Het gerecht houdt ook rekening met de dynamiek tussen de verdachte (en de zijnen) enerzijds en [betrokkene 2] anderzijds. Het was duidelijk dat [betrokkene 2] door zijn optreden, in samenhang met de macht die hij vanwege zijn functie kon uitoefenen, het in die relatie voor het zeggen had en zijn wil kon doordrukken, hetgeen hij ook heeft gedaan. Het gerecht heeft acht geslagen op de strafkaart van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Alles afwegend, alsmede gelet op de persoonlijke omstandigheden zoals ter terechtzitting aangevoerd, acht het gerecht, met de officier van justitie, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient de verdachte te weerhouden van pogingen om in de toekomst opnieuw op deze wijze een (overheids)contract te bemachtigen. Het gerecht is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, niet met de oplegging van de genoemde voorwaardelijk gevangenisstraf kan worden volstaan. Het gerecht acht daarnaast oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden. Het gerecht houdt nog rekening met het feit dat in deze zaak de redelijke termijn waarbinnen de berechting dient plaats te vinden, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens de betrokkene handelingen worden verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het gerecht zal in dit geval uitgaan van de datum waarop bij de verdachte (en bij [medeverdachte] en [BEDRIJF 1]) huiszoekingen zijn gedaan, te weten op 4 en 5 december 2018 en dat de uitspraak in eerste aanleg plaatsvindt op 23 december 2021. Het gerecht merkt daarbij op dat het verstrijken van de periode na de huiszoeking tot aan de eerste zitting op 9 april 2021 – hoewel niet verstoken van incidenten in een gelijktijdig behandelde zaak – de verdachte niet kan worden tegengeworpen. De op redelijkheid te beoordelen termijn heeft in de eerste aanleg dus ruim drie jaren geduurd. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Het gerecht zou zonder deze constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 240 uren hebben opgelegd. Het gerecht zal hierop een korting aanbrengen van 30 uur. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:45, 1:46, 1:123, 1:136 en 2:128 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de twaalf maanden; bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 210 (tweehonderdtien uren), indien niet naar behoren verricht te vervangen door 105 (honderdvijf) dagen hechtenis. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. drs. S.M. van Lieshout, bijgestaan door mrs. F. Kruiswijk en J. Mulder, griffiers, en op 23 december 2021 in tegenwoordigheid van griffier F. Kruiswijk uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten. De hierna als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn, voor zover niet anders aangegeven, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 387 onder e van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. DOC-049, pagina 255. DOC-009, pagina 50 e.v. DOC-046, pagina 236 e.v. DOC-007, pagina 23. DOC-042, pagina 212 e.v. DOC-198, pagina 1276 e.v. DOC-130, pagina 812. DOC-130, pagina 813 e.v. DOC-286, pagina 1800. Proces-verbaal van digitaal onderzoek van 30 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar TBO16070 (AMB-079, pagina 240 e.v.). Proces-verbaal van digitaal onderzoek van 30 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar TBO16070 (AMB-079, pagina 240 e.v.). DOC-093, pagina 556 e.v. Proces-verbaal van digitaal onderzoek van 30 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar TBO16070 (AMB-079, pagina 240 e.v.). DOC-100 pagina 600 en DOC-130, pagina 75. DOC-287, pagina 1803 e.v. DOC-288, pagina 1814 e.v. DOC-289, pagina 1817 e.v. DOC-290, pagina 1819. DOC-320, nagekomen stuk. DOC-320, nagekomen stuk. DOC-320, nagekomen stuk. DOC-319 en DOC-319A, nagekomen stukken. DOC-321, nagekomen stukken. DOC-323, nagekomen stukken. DOC-289, pagina 1818. DOC-277, pagina 1685. Proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 6] van 18 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16128 (V-001-01, pagina 356 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 6] van 12 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-001-02, pagina 377 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 7] van 12 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO18046 en TBO16060 (G-012-01, pagina 181 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 7] van 23 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO18054 (G-012-02, pagina 187 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 8] van 10 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16080 (G-011-01, pagina 147 e.v.). Proces-verbaal van de terechtzitting van 27 en 28 (ochtend) september 2021. Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 12 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-002-04, PD FLANR57, pagina 43 e.v.). Een geschrift, te weten een rapport opgesteld op 17 februari 2017 door [betrokkene 9] namens het SOAB (afkorting van: Stichting Overheidsaccountantsbureau) gericht aan de minister van VROMI. (DOC-007, pagina 11 en 12. Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 12 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-002-04, PD FLANR57, pagina 43 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 11 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17026 en TBO16080 (G-005-01, PD LAPLA74, pagina 1 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 20 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16080 (G-005-04, PD LAPLA74, pagina 17 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 21 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO18046 (G-005-05, PD LAPLA74, pagina 22 e.v.). DOC-010, pagina 89. Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 11] van 10 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17026 en TBO17056 (G-001-01, pagina 1 e.v.). DOC-038, pagina 201. DOC-200, pagina 1279. Proces-verbaal van bevindingen inzake cheque betaling WWR aan [BEDRIJF 1] van 1 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar TBO17062 (AMB-095, pagina 312 e.v.). Proces-verbaal van bevindingen gesprek [betrokkene 12] van 15 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO18054 (AMB-061, pagina 152 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 12 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-002-04, PD FLANR57, pagina 43 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 24 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17026 en TBO16060 (G-005-06, PD LAPLA74, pagina 27 e.v.). Proces-verbaal van bevindingen agreement [BEDRIJF 1] – [BEDRIJF 2] van 27 mei 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar TBO18024 (AMB-042, pagina 119 e.v.) en DOC-098, pagina 587. DOC-125, pagina 801 e.v. DOC-126, pagina 803 e.v. DOC-127, pagina 804 e.v. Proces-verbaal van bevindingen facturen [BEDRIJF 2] – [BEDRIJF 1] van 29 maart 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar TBO18024 (AMB-032, pagina 93 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 11 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17026 en TBO16080 (G-005-01, PD LAPLA74, pagina 1 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 21 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO18046 (G-005-04, PD LAPLA74, pagina 22 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 8 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16080 (V-002-01, PD FLANR57, pagina 24 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 3 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17026 en TBO16080 (V-002-02, PD FLANR57, pagina 31 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 12 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-002-04, PD FLANR57, pagina 43 e.v.). DOC-058, pagina 301 e.v. Proces-verbaal van bevindingen betalingen [bedrijf 1] aan [betrokkene 1] van 7 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO18024 (AMB-030, pagina 86 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 12 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-002-04, PD FLANR57, pagina 43 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 11 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17026 en TBO16080 (G-005-01, PD LAPLA74, pagina 1 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 2 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17026 en TBO16080 (G-005-02, PD LAPLA74, pagina 6 e.v.). Proces-verbaal van bevindingen [bedrijf 4] van 4 mei 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar TBO18056 (AMB-099, pagina 326 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 12 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-002-04, PD FLANR57, pagina 43 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 13 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-002-05, PD FLANR57, pagina 48 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 21 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO18046 (G-005-04, PD LAPLA74, pagina 22 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 24 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (G-005-06, PD LAPLA74, pagina 27 e.v.). Proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 13] van 21 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren TBO17062 en TBO16060 (V-005-01, pagina 382 e.v.).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.