Uitspraak van 30 november 2022 BBZ nrs. SXM202000350 en SXM202000351 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 van: [Belanghebbende], gevestigd te Sint Maarten, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Sint Maarten, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende zijn op 11 mei 2018 naheffingsaanslagen in de belasting op bedrijfsomzetten (BBO) over de jaren 2013 en 2014 opgelegd van respectievelijk NAf 4.493 en NAf 17.
(2014). Daarbij is de Inspecteur voor de jaren 2013 en 2014 uitgegaan van respectievelijk NAf 92.474 (5% x 1.849.471) en NAf 94.792 (5% x 1.895.839) aan verschuldigde BBO. De verschuldigde BBO voor de huuropbrengsten voor 2013 en 2014 heeft de Inspecteur berekend op respectievelijk NAf 1.080 (5% x 21.600) en NAf 1.296 (5% x 25.920). 4.14.5 Het Gerecht overweegt over de berekening van BBO als volgt. Ingevolge artikel 6, lid 1 van de Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten (LBBO) wordt de belasting berekend over de bedrijfsomzet die de ondernemer in het kader van zijn onderneming heeft gerealiseerd. De bedrijfsomzet is het totaal van de vergoedingen die de ondernemer ontvangt voor de in het kader van zijn onderneming verrichte leveringen van goederen en diensten (artikel 1, lid 1 letter c LBBO). Onder vergoeding wordt verstaan al hetgeen ter zake van het leveren van een goed of het verrichten van een dienst wordt ontvangen (artikel 1, lid 1 letter g LBBO). 4.14.6 Gelet op de hiervoor aangehaalde bepalingen is belanghebbende over de gehele tegenprestatie, derhalve inclusief de eventueel door haar berekende 5 percent over de netto-vergoeding, BBO verschuldigd. Dit gehele bedrag wordt voor BBO aangemerkt als belaste vergoeding (vgl. RvBB, uitspraak 20 januari 2010, ECLI:NL:ORBBNAA:2010:6). De grief van belanghebbende treft derhalve geen doel. Omzetcorrectie voor het jaar 2014 4.15 Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 een brutowinstpercentage verantwoord van 37,65%. Voor het jaar 2014 is de omzet met een bedrag van NAf 309.407 gecorrigeerd. Ter onderbouwing van de omzetcorrectie (zie 5.2.3 van het rapport) wijst de Inspecteur op de brutowinstpercentages voor de jaren 2012 (68,19%) en 2013 (52,5%) en naar het brutowinstpercentage (68%) van de zustervennootschap die dezelfde artikelen als belanghebbende verkoopt. Bij de omzetcorrectie is van belang de door de Inspecteur gestelde omkering en verzwaring van de bewijslast, die hierna zal worden behandeld. Omkering en verzwaring bewijslast 4.16.1 Sedert de inwerkingtreding van de Landsverordening invoering hoger beroep in belastingzaken op 30 april 2016 – waarbij onder meer artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is komen te vervallen en geen overgangsmaatregel is getroffen – voorziet de LBB niet langer expliciet in de mogelijkheid van omkering en verzwaring van de bewijslast in de beroepsfase. 4.16.2 Wel is in artikel 30, lid 6, ALL nog immer de omkering en de verzwaring van de bewijslast geregeld voor de bezwaarfase. Daarin is bepaald dat de belastingaanslag wordt gehandhaafd indien ten onrechte geen aangifte is gedaan, de vereiste aangifte niet is gedaan, of niet volledig is voldaan aan verplichtingen van artikel 40, 41, 42 en 43 ALL, waaronder de administratie- en bewaarplicht. Dit is slechts anders als de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre deze belastingaanslag onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast). 4.16.3 In een beroepsprocedure bij de belastingrechter ligt normaliter de uitspraak op bezwaar van de inspecteur ter toetsing voor. In dat verband zal de rechter ook moeten beoordelen of de inspecteur terecht de dwingende regeling van de omkering en verzwaring van de bewijslast van artikel 30, lid 6, ALL al dan niet heeft toegepast. Als vaststaat dat de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan, of in gebreke is gebleven om aan zijn fiscale verplichtingen als bedoeld in artikel 40, 41, 42 en 43 ALL te voldoen, dan moet de inspecteur in beginsel de omkering toepassen. 4.16.4 In het onderhavige geval heeft de Inspecteur echter geen beslissing op het bezwaar genomen. Het Gerecht zal daarom zelf de bezwaargronden beoordelen en moeten doen wat de Inspecteur had behoren te doen. Als gevolg daarvan zijn de onderhavige naheffingsaanslagen ter inhoudelijke toetsing komen voor te liggen. In dat verband heeft de Inspecteur tijdens het boekenonderzoek belanghebbende gewezen op de omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege schending van de administratie- en bewaarplicht. In de beroepsfase heeft de Inspecteur eveneens het standpunt ingenomen dat de regeling van de omkering en verzwaring van de bewijslast toepassing moet vinden. In het vorenstaande vindt het Gerecht aanleiding te toetsen of er omstandigheden zijn die moeten leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast (vgl. GEA Sint Maarten 7 november 2018, ECLI:NL:OGEAM:2018:119). Administratieplicht en bewaarplicht 4.16.5 In artikel 43, lid 2, ALL is, voor zover hier van belang, bepaald dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. 4.16.6 In artikel 43, lid 6, ALL is bepaald dat administratieplichtigen verplicht zijn hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende tien jaar te bewaren. 4.16.7 Wat betreft de administratieplicht van artikel 43, lid 2, ALL heeft als uitgangspunt te gelden dat de eisen aan de administratie niet verder mogen reiken dan voor een goede uitvoering van de belastingheffing noodzakelijk is. Belanghebbende is belastingplichtig voor onder meer de BBO, zodat op grond van artikel 43 ALL van belanghebbende geëist kan worden dat haar administratie inzicht verschaft in de bepaling van de bedrijfsomzet. 4.16.8 In een onderneming zoals die van belanghebbende, waarbij een groot deel van de omzet per kas wordt ontvangen, vormt een sluitende kasadministratie een centraal en onmisbaar onderdeel van de administratie. Bij het boekenonderzoek is geconstateerd dat de verantwoorde opbrengsten in het kasboek niet aansluiten met de opbrengsten in het grootboek. Voor het jaar 2014 ontbreekt bovendien het grootboek. Het Gerecht is daarom van oordeel dat belanghebbende geen controleerbare en sluitende kasadministratie heeft gevoerd. Verder is geconstateerd (voor de controlejaren) dat transacties met gelieerde vennootschappen niet juist zijn verantwoord in de administratie, dat geen inventarisatie van de voorraad is uitgevoerd en dat het brutowinstpercentage dat uit de administratie blijkt substantieel lager ligt dan de voorgaande jaren. Belanghebbende heeft niet aan haar bewaarplicht voldaan. Het grootboek over het jaar 2014, inkoopfacturen en kostenfacturen over het jaar 2013, zijn niet bewaard. 4.16.9 Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende niet voldaan aan de op haar rustende administratieplicht zoals voorgeschreven in artikel 43 ALL. Het Gerecht acht deze schending voldoende ernstig voor toepassing van de bewijsregel van artikel 30, lid 6 ALL (omkering en verzwaring van de bewijslast). Redelijke schatting 4.17 De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De naheffingsaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft het brutowinstpercentage van 37,65% gecorrigeerd naar een percentage van 60,12%, het gemiddelde van het brutowinstpercentage van de jaren 2012 en
- Op basis daarvan is de omzet berekend op USD 1.225.
- Niet kan worden gezegd dat deze correctie onredelijk of willekeurig is vastgesteld Verzwaard tegenbewijs 4.18.1 Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 30, lid 6 ALL bedoelde wijze (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Belanghebbende stelt dat een dagboek bestaat waarin de dagelijkse verkopen worden verantwoord, en voorts dat te volgen is dat deze opbrengsten bij de bank worden gestort. Deze stelling heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft ingebracht onvoldoende onderbouwd. Belanghebbende heeft verder gewezen op de door haar overgelegde ‘Turnover Tax Analysis’. Daarin is vermeld dat de voorraadwaardering en kostprijsberekening niet correct is gebeurd (zie 2.1 van voormeld rapport) en dat het brutowinstpercentage voor de jaren 2013 en 2014 respectievelijk 46,06% en 42,7% dient te bedragen. Rekening houdende met de gecorrigeerde kostprijs van de verkopen in samenhang met het hiervoor vermelde brutowinstpercentage van respectievelijk 46,06% en 42,7% concludeert belanghebbende dat de aangegeven omzet correct is. Voormelde kostprijs en percentages zijn echter gebaseerd op cijfers en gegevens die niet controleerbaar zijn. 4.18.2 Het Gerecht acht de verklaringen van belanghebbende daarom niet dermate overtuigend dat daarmee elke redelijke twijfel is uitgesloten dat belanghebbende de omzetcorrecties niet heeft genoten. Belanghebbende heeft derhalve niet op overtuigende wijze de onjuistheid aangetoond van de schatting van de Inspecteur of de voor de schatting gebruikte gegevens. De omzetcorrectie voor het jaar 2014 blijft derhalve in stand. Slotsom 4.19 Ook in hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd ziet het Gerecht geen aanleiding om te oordelen dat de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen en boetes gegrond zijn. Doende wat de Inspecteur zou behoren te doen zal het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaren. 5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT 5.1 Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. 5.2 Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (hierna: LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 5.3 In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 512 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). 5.4 In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 2.100 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1, samenhangende zaken factor 1,5). 5.5 Voor de vergoeding van de proceskosten hangen de zaken betreffende de BBO van belanghebbende en de zustervennootschappen (totaal vier vennootschappen) samen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 512, worden samenhangende zaken als één zaak beschouwd. Gelet hierop komen de proceskosten in de beroepsfase maar één keer voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten voor de onderhavige zaak worden dan ook vastgesteld op 1/4 van NAf 2.100, ofwel NAf 525 5.6 Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4 LBB het betaalde griffierecht van NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden. 6DE BESLISSING Het Gerecht: - verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond; - verklaart het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen en de boetes BBO 2013 en 2014 ongegrond; - veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 525; en - draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 150 te vergoeden. Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en is uitgesproken op 30 november 2022, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx. De griffier, De rechter, Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden. HOGER BEROEP Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij: Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer) Frontstreet 58 (The Courthouse) Philipsburg Sint Maarten U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
- Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
- Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener, b. de dagtekening, c. waartegen u in beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org. Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van NAf 300 verschuldigd. Het bezwaarschrift dateert van vóór 1 augustus 2019, zodat voor boetes nog de zwaardere bewijslast geldt (HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102).