← Nederland

ECLI:NL:OGEAM:2022:108

Uitspraakdatum: 28 november 2022 Zaaknummer: SXM202200398-LAR00087/2022 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK In het geding van: [eiser], eiser, procederende in persoon, tegen DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN, gezeteld te Sint Maarten, verweerder, gemachtigde: mr. S.C.L. LINT, 1Aanduiding bestreden beschikking De beschikking van verweerder van 24 februari 2022 waarbij eiser wordt ontslagen als lid van het Centraal College voor de Reclassering. 2Het verloop van de procedure 2.

  1. Met een op 4 april 2022 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend beroepschrift (met producties) heeft eiser tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). 2.
  2. Op 31 mei 2022 heeft verweerder een verweerschrift (met producties) ingediend. 2.
  3. Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 oktober
  4. Eiser is verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde. Tevens was voor verweerder aanwezig mr. G. van Haperen. Eiser heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. 2.
  5. Uitspraak is bepaald op heden. 3Feiten 3.
  6. Bij bestreden beschikking is eiser ontslagen als lid van het Centraal College voor de Reclassering. 3.
  7. Bij uitspraak van 11 mei 2022 heeft het Gerecht bij voorlopige voorziening de bestreden beschikking geschorst totdat daartegen in beroep is beslist. 3.
  8. Naar aanleiding na deze uitspraak heeft verweerder bij beschikking van 19 mei 2022 de bestreden beschikking ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf de datum van de beschikking zijnde 24 februari
  9. 4Het geschil 4.
  10. Eiser heeft het Gerecht verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking waarvan beroep te vernietigen. Voorts heeft eiser verzocht tot veroordeling van verweerder in de proceskosten, betaling van misgelopen maandelijkse vergoedingen en verweerder te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens immateriële schade. 4.
  11. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep. 4.
  12. Op de standpunten van partijen wordt voor het overige hierna zo nodig nader ingegaan. 5.De beoordeling 5.
  13. Bij beschikking van 19 mei 2022 heeft verweerder de bestreden beschikking ingetrokken met terugwerkende kracht tot 24 februari
  14. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij zijn beroepsgronden ten aanzien van het ontslagbesluit intrekt. Deze behoeven aldus geen verdere bespreking. 5.
  15. Eiser heeft ter zitting nader toegelicht dat hij zijn beroepsgronden handhaaft ten aanzien van de maandelijkse forfaitaire vergoedingen en de immateriële schadevergoeding. 5.
  16. Verweerder heeft bij verweerschrift aangegeven dat de bestreden beschikking met terugwerkende kracht is ingetrokken en dat eiser recht heeft op de forfaitaire vergoeding van NAf 1.000,00 over de maanden maart, april en mei
  17. Verweerder heeft aangegeven dat dit ook al eerder aan eiser is gecommuniceerd. 5.
  18. Ter zitting heeft verweerder het Gerecht en eiser inzage gegeven in de beschikking van verweerder tot opdracht uitbetaling van voornoemde forfaitaire vergoeding. Dat de uitbetaling nog niet heeft plaatsgevonden is, zo stelt verweerder, te wijten aan de daartoe geëigende procedure bij het ministerie van financiën. 5.
  19. Het Gerecht stelt aldus vast dat overgegaan zal worden tot de gevraagde uitbetaling van de forfaitaire vergoeding over de maanden maart, april en mei
  20. Dat verweerder een weigeringsgrond zou hebben zoals eiser stelt, mag dan zo zijn, echter vast staat dat verweerder deze niet tegenwerpt. Immers verweerder heeft al getekend voor uitbetaling. De beroepsgrond van eiser ten aanzien van de forfaitaire vergoeding faalt. 5.
  21. Eiser heeft tenslotte aangegeven dat hij reputatieschade heeft geleden door het bestreden besluit. Het Gerecht stelt vast dat eiser dit niet nader heeft onderbouwd. Deze gestelde schade is dan ook niet aannemelijk gemaakt door eiser. 5.
  22. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding. 6.De beslissing Het Gerecht: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 28 november
  23. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.