Uitspraak: 1 september 2010 Zaaknummer: AR 206/2010KG GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN ZITTINGSPLAATS CURACAO VONNIS in kort geding in de zaak van [DE OUDERS], echtelieden, wonende op Curacao, in hun hoedanigheid van ouders van de minderjarige [de scholier], eisers, gemachtigden: mrs. K.A.M. Lasten en C.A. Peterson, tegen de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Vereniging voor Protestants Christelijk Onderwijs, gevestigd op Curacao, gedaagde, gemachtigde: mr. R. Rijnberg. Eisers worden hierna aangeduid als de ouders c.q. [vader of moeder], de minderjarige als [‘de scholier’] en gedaagde als de VPCO. Het verloop van de procedure 1.1 Het inleidende verzoekschrift is op 11 augustus 2010 ter griffie van het gerecht ingediend. De behandeling heeft plaats gevonden op de zitting van 25 augustus
- 1.2 Het vonnis is bepaald op heden. De feiten 2.1 De VPCO beheert een aantal op Curacao gevestigde onderwijsinstellingen. Fen daarvan is het Dr. Albert Schweitzer College, verder het ABC. Op 24 juni 2010 is [de scholier] oud 14 jaar als leerling van het ABC ingeschreven. 2.2 Bij gelegenheid van die inschrijving heeft het ABC aan [vader] en aan [de scholier] het schoolreglement overhandigd. Dit reglement is door [vader] en [de scholier] voor akkoord ondertekend. Het reglement is (thuis) ook aan [moeder] ter tekening voorgelegd. Dat heeft zij geweigerd. 2.3 De reden waarom [moeder] de ondertekening weigerde was omdat daarin met betrekking tot jongens het voorschrift staat: - Haren kort geknipt. Lange haren, pijpenkrullen, alle soorten vlechten, draaitechniek, afro e.a. zijn niet toegestaan.- [De scholier] draagt namelijk lang haar in een geplette vlecht die tot over het middel reikt. [De scholier] heeft altijd lang haar gedragen. Hij heeft zijn haar nog nooit geknipt. 2.4 Op 29 juni 2010 heeft het schoolbestuur een gesprek met [vader] en op 6 augustus 2010 met [moeder] gehad. De ouders hebben op de zitting te kennen gegeven niet van zins te zijn invloed op [de scholier] uit te oefenen om zijn haar kort te knippen. Hij dient dat zelf te beslissen en hij is er nog niet aan toe om zijn haar kort te dragen, aldus de ouders. [De scholier] heeft dit eveneens te kennen gegeven. 2.5 De lessen van het nieuwe schooljaar aan het ABC zijn aangevangen op 5 augustus
- Aan [de scholier] wordt niet toegestaan de lessen te volgen zolang hij zijn haar niet kort heeft geknipt. De vorderingen 3.1 De ouders vorderen in de eerste plaats dat aan de VPCO wordt verboden om [de scholier] vanwege zijn haardracht te discrimineren op grond van geslacht en/of etniciteit. Verder vorderen zij dat de VPCO wordt geboden om [de scholier] toegang tot het ABC te verlenen en hem in staat te stellen om, kort gezegd, de lessen te volgen zonder dat hij gehouden is om zijn haar eerst te knippen tot een lengte die de VPCO wel bij andere leerlingen aanvaardt. 3.2 Op de verweren van de VPCO komt de rechter hierna voor zoveel nodig terug. De beoordeling 4.1 De VPCO heeft als eerste exceptief verweer aangevoerd dat de vordering van de ouders tegen het schoolbestuur van het ABC had moeten worden ingesteld en niet tegen de VPCO. Het schoolbestuur is immers het bevoegde gezag als bedoeld in de Landsverordening voortgezet onderwijs PB 1979 no 29 en het Landsbesluit dagscholen v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o. dat beslist over de toelating tot de school. Derhalve zijn, aldus de stelling van de VPCO, de ouders niet ontvankelijk in hun vordering. Dit verweer is onjuist. Een schoolbestuur bezit in civiele zaken (anders dan in bestuurszaken) geen persona standi in iudicio en kan daarom geen procespartij zijn. De ouders hebben hun vordering dus terecht tegen de VPCO als beheerder van het ABC gericht. 4.2 Het tweede exceptieve verweer houdt in dat de beslissing van het schoolbestuur om [de scholier] niet tot de lessen toe te laten een beschikking is in de zin van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak (LAR). Dit verweer is alleen daarom al onjuist omdat van een beschikking in de zin van de LAR alleen dan sprake is als het gaat om een op schrift gesteld besluit. Daarvan is in onderhavig kort geding niet gebleken. Vervolgens komt onjuist voor om een ordemaatregel. die is genomen als sanctie op de overtreding van het schoolreglement, aan te merken als een beslissing over de toelating van een leerling als bedoeld in Landsverordening en Landsbesluit. Daar komt bij dat [de scholier] al formeel als leerling tot het ABC was toegelaten. 4.3 Wat de zaak zelf betreft hebben de ouders allereerst gevorderd dat aan de VPCO wordt verboden om [de scholier] vanwege zijn haardracht te discrimineren op grond van etniciteit. Deze vordering ligt aanstonds voor afwijzing gereed. De VPCO heeft immers met klem van reden en overtuiging aangevoerd dat de schoolregel onverminderd van toepassing is op alle leerlingen ongeacht ras of kleur. Ook het dragen van lang sluik blond haar door jongens is verboden. Het tijdelijk toelaten van een leerling met een door de rechter, op grond van de overgelegde fotokopie van een foto, moeilijk te omschrijven haardracht (Afro? Kokichi? gel met kleur?) geschiedt omdat deze leerling meewerkt aan filmopnamen en toegezegd heeft na afloop daarvan het haar weer kort te zullen dragen. Bovendien is deze leerling, voor zover uit (de fotokopie van) de foto op te maken is, van het negride ras. 4.4 Vervolgens komt aan de orde het verwijt dat de ouders de VPCO maken inhoudende dat het ABC onderscheidt maakt naar geslacht: vrouwelijke leerlingen mogen wel lang haar dragen en mannelijke leerlingen niet. Dit verwijt is terecht. Zulks valt te meer op doordat in het schoolreglement geen verbod voor vrouwelijke leerlingen staat op het dragen van kort haar. 4.5 De VPCO heeft doen betogen dat dit onderscheid gerechtvaardigd is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het schoolreglement terzake kleding en haardracht is gebaseerd op een maatschappelijk gedragen perceptie van hetgeen betamelijk wordt geacht aangaande het uiterlijk van schoolgaande jeugd bij deze soort opleiding. De VPCO heeft dit uitgangspunt nader toegelicht met de volgende argumenten: - wat kleding en haardracht betreft wordt gestreefd naar een net en verzorgd uiterlijk en jongens die hun haar in een staart dragen worden door De VPCO niet als -netjes" ervaren; - bedrijven waar de VPCO leerlingen kan onderbrengen voor het verkrijgen van een stageplaats hebben te kennen gegeven dat stagiaires zich dienen (te gedragen en) te kleden op een wijze die in het algemeen op Curacao als "netjes" wordt beschouwd; - jongens met haardracht in een staart roepen bij de VPCO en in brede kringen op Curacao associaties op met groepen in de samenleving die het protestants christelijke gedachtegoed niet met de VPCO delen; - de VPCO beoogt jeugdigen op een gemakkelijk beïnvloedbare leeftijd te beschermen tegen de vorenbedoelde groepen door hen de door de VPCO gedragen normen en waarden bij te brengen. - het Rooms Katholiek Centraal Schoolbestuur hanteert dezelfde norm (waarbij de VPCO ter zitting een folder van dit RKCS toonde). 4.6 Deze argumenten missen primaire overtuigingskracht. Bij nader onderzoek zou echter kunnen blijken dat zij toch voldoende maatschappelijk draagvlak hebben. De rechter acht deze mogelijkheid niet dusdanig gering dat hij daaraan voorbij moet gaan. Voor een nader onderzoek naar met name de relevante maatschappelijke opvattingen biedt het kort geding echter geen gelegenheid. Dit wordt niet anders doordat, naar tijdens de behandeling is gebleken, de gewraakte gedragsregel mogelijk al 40 jaar bestaat. Deze enkele omstandigheid is onvoldoende om de onjuistheid daarvan aan te nemen. Verder verdient opmerking dat het niet aangaat dat een kortgedingrechter zonder voldoende deskundige voorlichting over die maatschappelijke opvattingen een oordeel velt waarmee een eind zou worden gemaakt aan een regeling die al zo vele jaren kennelijk naar genoegen functioneert. 4.7 Het voorgaande leidt ertoe dat het gevraagde verbod op de VPCO om ten nadele van [de scholier] vanwege diens haardracht onderscheid te maken op grond van geslacht in dit kort geding niet voor inwilliging in aanmerking kan komen. 4.8 In dit oordeel ligt besloten dat ook de vordering van de ouders om de VPCO te gebieden om [de scholier] toegang tot het ABC te verlenen en hem in staat te stellen om de lessen te volgen zonder dat hij gehouden is om zijn haar eerst kort te knippen voor afwijzing gereed ligt. 4.9 De belangenafweging tussen de VPCO en [de scholier] leidt niet tot een andere beslissing. Onbetwist is immers dat [de scholier] zonder problemen zijn opleiding kan volgen bij een openbare school van hetzelfde type als het ABC. Dat hoeft voor hem geen bezwaar te zijn omdat deze school -aan de overkant van de straat tegenover" het ABC ligt. Ook speelt bij deze belangenafweging mee dat de keuze van de ouders voor het ABC weliswaar omschreven is als een bewuste keus, maar verder niet aangegeven is waarop deze is gebaseerd. Ten slotte heeft mee gewogen speelt dat [de scholier] de schoolverklaring voor akkoord heeft ondertekend nadat hem erop is gewezen dat lange haardracht verboden is. Het gaat niet aan om een nader inzicht van [de scholier] hierover te honoreren zonder dat wordt onderzocht wat de diepte en draagwijdte is van zijn bezwaar om zijn haar kort te knippen. De enkele door de ouders genoemde en door [de scholier] beaamde stelling -dat hij er nog niet aan toe is" om zijn haar kort te knippen maakt dit bezwaar niet inzichtelijk met als gevolg dat de rechter niet in staat is om de ernst daarvan te meten. 4.10 De slotsom van dit alles is dat de vorderingen van de ouders dienen te worden afgewezen. In de aard van de procedure en de verhouding van partijen vindt de rechter aanleiding om van een proceskostenveroordeling ten laste van de ouders of te zien. De beslissing in kort geding Weigert de gevraagde voorzieningen. Dit kortgedingvonnis is gewezen door mr. P.W. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.