ECLI:NL:OGHACMB:2010:BP1127
Registratienummer: AR 32/05 - H 141/09 Uitspraak: 17 december 2010 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curacao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS in de zaak van:
Partijen worden hierna "[appellanten]" en "TDKR" genoemd. Appellante sub 1 wordt ook "[appellante]" genoemd.
2.2 Bij het tussenvonnis heeft het Hof voorts de mogelijkheid geopperd dat [appellanten], indien zij het hiervoor bedoelde schriftelijk bewijs niet kunnen leveren, hun vordering aanpassen in die zin dat zij optreden ten behoeve van de gemeenschap als bedoeld in art. 3:171 BW (d.w.z. ten behoeve van de onverdeelde nalatenschap van de vader van [appellante]). [appellanten] hebben vervolgens in hun akte hun eis gewijzigd, waardoor zij thans vorderen dat het Hof, zakelijk weergegeven, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en zal verklaren voor recht dat het perceel omschreven in meetbrief 4/1966 behoort tot de onverdeelde nalatenschap van wijlen [xxx] en [yyy], alsook van [zzz], en dat de gezamenlijke erfgenamen gerechtigd zijn tot dat perceel, met veroordeling van TDKR in de proceskosten.
2.3 In haar akte uitlating heeft TDKR bezwaar gemaakt tegen bedoelde suggestie door het Hof en heeft zij verzocht, naar het Hof begrijpt, dat het Hof de zaak afdoet op grond van de oorspronkelijke vordering van [appellanten] Het Hof zal TDKR hierin niet volgen. Blijkens artikel 118 Rv, welk artikel ingevolge artikel 280 Rv ook van toepassing is in hoger beroep, is de rechter bevoegd om, indien hij dat voor de goede en geregelde gang van zaken nodig acht, partijen bij de behandeling van de zaak de nodige voorlichting te geven, hen te ondervragen en zelfs opmerkzaam te maken op de rechts- en bewijsmiddelen die zij kunnen aanwenden. Te meer gelet op de moeilijkheidsgraad van nalatenschapkwesties als de onderhavige, acht het Hof de gegeven vingerwijzing op haar plaats. Ook overigens is de eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het Hof zal dus recht doen op de gewijzigde eis.
2.4 TDKR heeft in haar laatste akte betwist dat [appellanten] deelgenoot zijn in de betrokken nalatenschappen. Aan deze betwisting zal het Hof voorbij gaan. Onbestreden is dat [appellante] een kleinkind respectievelijk kind van de erflaters is en ter plaatse heeft gewoond. Die omstandigheden en hetgeen overigens is aangevoerd maken naar het Hof genoegzaam aannemelijk dat [appellanten] als deelgenoot kunnen ageren op grond van artikel 3:171 BW.
2.5 [appellanten] zullen worden toegelaten tot bewijs als bedoeld onder 3.3 van het vonnis van 7 mei 2010.
2.6 Het Hof acht het dienstig om, voorafgaand aan het eventuele getuigenverhoor, een bezichtiging ter plaatse te houden. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Beslissing Het Hof: laat [appellanten] toe te bewijzen een bezit door [appellante] en/of de vader van [appellante] van het in meetbrief 4/1966 omschreven perceel, welk bezit
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, P.E. de Kort en E.M. van der Bunt, leden van het Hof en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 17 december 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.