Registratienummer: HAR-56/10 Uitspraak: 29 maart 2011 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: 1. [curator sub 1], en 2. [curator sub 2], voormalig curatoren in het faillissement van M.I.D. Capital Corporation N.V., beiden wonende in Curaçao, appellanten, gemachtigden: mrs. C.H.M. Fiévez en K. Frielink. Andere belanghebbende: Mr. P.E.A.L.M. van de Laarschot, curator in het faillissement van M.I.D. Capital Corporation N.V. Appellanten worden hierna aangeduid als [curator sub 1] en [curator sub 2], M.I.D. Capital Corporation N.V. als MIDCC. 1. Het verloop van de procedure 1.1 Bij afzonderlijke beschikkingen van 26 april 2010 heeft de rechter-commissaris in het faillissement van MIDCC, mr. A.M.P. Geelhoed, de salarissen vastgesteld van [curator sub 1] en [curator sub 2], toen de curatoren in dat faillissement. 1.2 In afzonderlijke brieven van 27 april 2010 aan [curator sub 1] en [curator sub 2] heeft de rechter-commissaris de beschikkingen toegelicht. Beiden heeft zij bericht dat vergoeding voor een deel van de werkzaamheden werd afgewezen, omdat het werkzaamheden betrof die het gevolg waren van niet-voldoening aan de verslagleggingsverplichting. 1.3 In haar brief aan [curator sub 2] heeft zij voorts geschreven dat voor de resterende werkzaamheden een vergoeding van 25% werd toegekend aangezien sprake was van excessief declareren. Voor het geval [curator sub 2] van mening zou zijn dat die correctie ten onrechte was toegepast, heeft de rechter-commissaris, kort weergegeven, hem in de gelegenheid gesteld zulks uiterlijk 10 mei 2010 aan haar kenbaar te maken door middel van een onderbouwde toelichting. In haar brief aan [curator sub 1] heeft de rechter-commissaris verder geschreven, zakelijk weergegeven, dat een aantal andere werkzaamheden buiten beschouwing werden gelaten omdat die bij gebreke van voldoende specificatie en verslaglegging niet konden worden getoetst, doch dat een toetsing nog zou kunnen plaatsvinden indien [curator sub 1] uiterlijk 3 mei 2010 het vijfde verslag zou indienen dan wel uiterlijk 10 mei 2010 een onderbouwde toelichting zou geven. 1.4 Bij afzonderlijke brieven van 2 juni 2010 aan [curator sub 1] en [curator sub 2] heeft de rechter-commissaris, voor zover van belang, een vergoeding – in het geval van [curator sub 2]: voor meer dan 25% – voor de onder 1.3 bedoelde werkzaamheden definitief afgewezen. Bij beschikking van 3 juni 2010 heeft de rechter-commissaris het aanvullend salaris van [curator sub 1] vastgesteld (en aldus de verzochte vergoeding ten dele toegewezen). 1.5 Bij op 7 juni 2010 ingekomen ‘akte van hoger beroep’, met bijlagen, zijn [curator sub 1] en [curator sub 2] in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 26 april 2010, 2 juni 2010 en 3 juni 2010 van de rechter-commissaris (hierna ook: de salarisbeschikkingen). 1.6 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzittingen van het Hof op 8 en 17 december 2010. [curator sub 2] was aanwezig op de zitting van 8 december 2010, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Fiévez. Op de zitting van 17 december 2010 zijn zowel [curator sub 2] als [curator sub 1] verschenen, evenals hun gemachtigden. Op beide zittingen was tevens aanwezig mr. P.E.A.L.M. van de Laarschot, in zijn hoedanigheid van (huidig) curator in het faillissement van MIDCC. [curator sub 1] en [curator sub 2] hebben hun standpunten nader toegelicht. Mr. Fiévez heeft in dat verband op beide zittingen pleitnotities, met bijlagen, overgelegd. Voorafgaande aan de zittingen, bij e-mailberichten van 3 en 13 december 2010, heeft zij het Hof, alsmede de (huidige) rechter-commissaris faillissementen, mr. P.E. de Kort, een aantal producties doen toekomen. Op de zitting van 17 december 2010 heeft ook mr. Van de Laarschot het woord gevoerd. Hij heeft voorafgaande aan die zitting, bij brief van 14 december 2010, een aantal producties gestuurd aan het Hof en, blijkens bedoelde brief, copie conform gemaild naar mrs. Fiévez en Frielink. 1.7 Beschikking is bepaald op heden. 2. De ontvankelijkheid en de beoordeling 2.1 Bij de beantwoording van de vraag naar de ontvankelijkheid van [curator sub 1] en [curator sub 2] in hun hoger beroep en, ingeval van ontvankelijkheid, de beoordeling van het hoger beroep stelt het Hof het volgende voorop. 2.2 De artikelen 63 en 67 van het in deze zaak toepasselijke Faillissementsbesluit 1931 (P.B. 1932, no. 58, nadien gewijzigd; hierna: Fb) luiden, voor zover van belang, als volgt: Artikel 63 1. Van de beschikkingen van den rechter-commissaris vermeld in de artikelen 55a derde lid, 59a, 64 tweede lid, 69 eerste lid, 82 en 93 is gedurende vijf dagen hoger beroep open op het Hof van Justitie. 2. (…) 3. Tegen de overige beschikkingen van den rechter-commissaris is hoger beroep niet toegelaten. Artikel 67 1. Onverminderd het bepaalde in het derde lid van artikel 12, stelt de rechter-commissaris het salaris van den curator in elk faillissement vast. 2. (…) Aangezien tot de beschikkingen van de rechter-commissaris waartegen artikel 63 lid 1 Fb hoger beroep op het Hof openstelt, niet behoort de vaststelling van het salaris van de curator, is hoger beroep van de beschikkingen van 26 april, 2 juni en 3 juni 2010 op grond van het derde lid van die bepaling uitgesloten. 2.3 [curator sub 1] en [curator sub 2] onderkennen dit. Zij stellen zich evenwel op het standpunt dat in het onderhavige geval gronden zijn om het appelverbod van artikel 63 lid 3 Fb te doorbreken nu bij de totstandkoming van de salarisbeschikkingen fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn geschonden, met als gevolg dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Kort weergegeven, voeren zij daartoe aan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.