HLAR 46120/10 Datum uitspraak: 20 mei 2011 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellant], ook handelend onder de naam […], wonend in Curaçao, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 23 november 2010 in zaak nr. Lar 2010/93 in het geding tussen: appellant en de Bank van de Nederlandse Antillen, thans: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: de Bank). 1. Procesverloop Bij beschikking van 30 september 2009 heeft de Bank een verzoek van appellant (hierna: [appellant]) om inschrijving in het register van assurantiebemiddelaars afgewezen. Bij beschikking van 8 februari 2010 heeft zij het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 november 2010 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd, doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij het Hof ingekomen op 14 december 2010, hoger beroep ingesteld. De Bank heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2011 waar [appellant], bijgestaan door mr. H.W. Braam, advocaat, en de Bank, vertegenwoordigd door mr. J. Sybesma, mr. A. Kelly, L. Prince en R. Rooi, bijgestaan door mr. L.M. Virginia, advocaat, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening Assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: de Lab) is het verboden als assurantiebemiddelaar op te treden zonder te zijn ingeschreven in het register van assurantiebemiddelaars dat door de Bank wordt gehouden. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, besluit de Bank tot inschrijving in het register, indien er naar haar oordeel geen reden is te veronderstellen dat de aanvrager als assurantiebemiddelaar het aanzien van het assurantiebedrijf zal schaden. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf (hierna: de Ltv) is het verboden het verzekeringsbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van de Bank. 2.2. Voor de uitoefening van onder meer de haar bij voormeld artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Lab verleende bevoegdheid heeft de Bank de "Beleidsregel betreffende de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van onder toezicht van de Bank staande instellingen, alsmede houders of (kandidaat)houders van gekwalificeerde deelnemingen in deze instellingen en andere betrokkenen" (hierna: de beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing) vastgesteld. Volgens artikel 1, sub 1, voor zover thans van belang, wordt in de beleidsregel onder betrouwbaarheid verstaan: het zich onthouden van een of meer gedragingen die naar het oordeel van de Bank in de weg staan aan het vervullen van de functie van beleidsbepaler of medebeleidsbepaler. Volgens dat artikel, sub 2, onder a tot en met k, wordt onder gedragingen verstaan: ten minste een doen of nalaten dat blijk geeft van de afwezigheid van eigenschappen als waarheidlievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid, openheid, oprechtheid, prudentie, punctualiteit, onkreukbaarheid, discretie, rechtschapenheid, eventuele nader te bepalen overige eigenschappen. Volgens dat artikel, sub 5.1, voor zover thans van belang, worden onder betrokkene verstaan: beleidsbepalers en medebeleidsbepalers van onder het toezicht van de Bank vallende instellingen. Volgens artikel 2, aanhef en onder c, is de beleidsregel toepasbaar op alle betrokkenen, bedoeld in artikel 1, sub 5. Volgens artikel 4 beoordeelt de Bank de betrouwbaarheid van de betrokkene door op basis van diens antecedenten te onderzoeken of die blijk geeft of heeft gegeven van gedragingen, waardoor diens betrouwbaarheid niet of niet meer buiten twijfel staat. Volgens artikel 6, eerste lid, staat de betrouwbaarheid van de betrokkene voor de Bank niet of niet meer buiten twijfel, indien zich blijkens diens antecedenten een of meer gedragingen, als bedoeld in artikel 1, sub 2, voordoen. Volgens het tweede lid betrekt de Bank bij haar oordeelsvorming:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.