ECLI:NL:OGHACMB:2011:BR7015
Datum beschikking: 23 augustus 2011 Nummer HAR-134/11 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba B E S C H I K K I N G gegeven op het verzoek ex artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van: [verzoeker], geboren op [datum] 1972 op Curaçao, thans gedetineerd in Curaçao, hierna te noemen: verzoeker.
1.2 Het verzoek is behandeld door het Hof in raadkamer van 16 augustus 2011 in Curaçao. Verschenen en gehoord zijn verzoeker en diens gemachtigde, mr. E.F. Sulvaran, en de (waarnemend) procureur-generaal, mr. S.B.P. Lukowski. De gemachtigde van verzoeker heeft pleitaantekeningen overgelegd.
1.3 Het Hof heeft een beschikking aangezegd welke heden wordt gegeven.
2.2 Verzoeker heeft een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor elektronisch toezicht zoals geregeld in de Beschikking elektronisch toezicht (P.B. 2005, 76).
2.3 Bij verzoek ex artikel 43 Sv van 6 juni 2011 heeft verzoeker het Hof verzocht het land Curaçao, althans de minister van Justitie te bevelen hem te vergunnen de gevangenis waarin hij zijn gevangenisstraf ondergaat, voorafgaande aan diens voorwaardelijk invrijheidsstelling, met verlof onder elektronisch toezicht te verlaten. Bij beschikking van het Hof van 21 juni 2011 heeft het Hof de minister van Justitie opgedragen om binnen zes weken na de datum van de uitspraak alsnog te beslissen op het verzoek om verlof met elektronisch toezicht van verzoeker.
2.4 Bij ministerieel schrijven van 8 juli 2011 heeft de minister van Justitie aan verzoeker kenbaar gemaakt afwijzend op diens verzoek te hebben besloten (hierna: de bestreden beschikking).
3.2 Op grond van artikel 3 lid 1 van de Beschikking elektronisch toezicht kan aan een gedetineerde die is veroordeeld tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, niet zijnde vervangende hechtenis, op diens verzoek of op verzoek van de directeur of op verzoek van een reclasseringsinstelling die dit verzoek mede in het algemeen belang en in het belang van de gedetineerde doet, door de minister van Justitie worden vergund om bij wijze van verlof, voorafgaand aan de ommekomst van de straf danwel van tweederde, of vier vijfde van de gevangenisstraf, tijdelijk het gesticht te verlaten onder de voorwaarde dat de gedetineerde onder elektronisch toezicht wordt gesteld.
3.3 Zoals uit het voorgaande volgt, is het vergunnen van elektronisch toezicht een wettelijke bevoegdheid van de minister van Justitie en komt bij de uitoefening van die bevoegdheid de minister een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Dit brengt mee dat het Hof de beschikking van de minister met terughoudendheid dient te toetsen en toetst of de minister in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
3.4 In de bestreden beschikking heeft de minister van Justitie aan zijn besluit onder andere ten grondslag gelegd, zakelijk weergegeven, dat verzoeker binnen vijf jaar heeft gerecidiveerd waardoor verzoeker eerst na het uitzitten van viervijfde van zijn straf in aanmerking kan komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, met als gevolg dat verzoeker op 11 augustus 2012 eventueel verlof onder elektronisch toezicht kan worden vergund.
3.5 Verzoeker neemt tot uitgangspunt dat hij, voorafgaande aan het verstrijken van tweederde van zijn gevangenisstraf, in mei 2011 in aanmerking had moeten komen voor verlof onder elektronisch toezicht en doet in essentie een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep kan evenwel niet slagen. In bijlage 3 bij het verzoekschrift wordt ten aanzien van twee personen gesteld dat zij na tweeënhalf jaar wederom gedetineerd raakten en na het uitzitten van slechts tweederde van hun gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld. Het gelijkheidsbeginsel heeft echter niet een zover reikende betekenis dat op grond daarvan de verplichting bestaat om een met de wet (artikel 18 Wetboek van Strafrecht en artikel 3 van de Beschikking elektronisch toezicht) strijdige beslissing tot vergunning van elektronisch toezicht te nemen. Wat betreft de overige drie in bijlage 3 opgegeven namen dient het beroep op het gelijkheidsbeginsel buiten beschouwing te blijven aangezien daarvan in (de desbetreffende bijlage bij) het verzoekschrift geen feitelijke onderbouwing wordt gegeven. De eerst in raadkamer gegeven feitelijke onderbouwing is tardief. De procureur-generaal is daardoor immers voorafgaand aan de behandeling niet in de gelegenheid geweest om te onderzoeken of de genoemde gevallen vergelijkbare gevallen betreffen. Het door de procureur-generaal in dit verband gedane verzoek om aanhouding wordt gelet op de aard van de onderhavige procedure afgewezen.
3.6 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING Het Hof: wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, P.E. de Kort en H.J. van Kooten, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier in Curaçao uitgesproken op 23 augustus 2011.