Datum beschikking: 18 oktober 2011 Registratienummer: EJ-2240/10-H-134/11 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: [appellant], wonend in Aruba, oorspronkelijk verzoeker, thans appellant, gemachtigde: mr. A.A. Ruiz, - tegen - de naamloze vennootschap COMPANIA ARUBIANO DI BUS N.V., gevestigd in Aruba, oorspronkelijk gerekwestreerde, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs. R.A. Wix en E.R. Zeppenfeldt. Partijen worden hierna “[appellant]” respectievelijk “Arubus” genoemd. 1. Het verloop van de procedure 1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak gegeven beschikking van 1 februari 2011. 1.2 [appellant] is in hoger beroep gekomen van deze beschikking door op 9 maart 2011 een beroepschrift, met producties, ter griffie van het GEA in te dienen. Het beroepschrift strekt ertoe dat het Hof, met vernietiging van de beschikking waarvan beroep, de vorderingen van [appellant] als in prima geformuleerd alsnog zal toewijzen met inachtneming van de in het beroepschrift geformuleerde wijziging van het petitum, met veroordeling van Arubus in de kosten van beide instanties. 1.3 Arubus heeft op 13 september 2011 een verweerschrift ingediend. Het verweerschrift strekt ertoe dat het Hof, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep ongegrond zal verklaren en de beschikking waarvan beroep zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. 1.4 Ten behoeve van de mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep hebben beide partijen op 15 september 2011 producties in het geding gebracht. 1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof in Aruba op 20 september 2011, waar [appellant] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en Arubus zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten bepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. 1.6 Beschikking is bepaald op heden. 2. De ontvankelijkheid Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1 Het GEA heeft in de beschikking waarvan beroep onder 2 feiten vastgesteld. Deze feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Het Hof heeft bij deze feitenvaststelling bovendien ambtshalve geen bedenkingen. Ook in hoger beroep zal daarom van deze feiten worden uitgegaan. 4.2 De (gewijzigde) vorderingen van [appellant] houden, kort gezegd, in dat het Hof: <u>primair</u> - voor recht verklaart dat het ontslag tegen 1 oktober 2010 kennelijk onredelijk is, en - de dienstbetrekking herstelt en Arubus gelast om aan [appellant] een vergoeding te betalen gelijk aan het bedrag dat hij gedurende de periode van de onderbreking met werken zou hebben verdiend, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente, dan wel - Arubus veroordeelt om aan [appellant] een schadevergoeding te betalen op grond van artikel 15 sub c van de arbeidsovereenkomst, althans een schadevergoeding ex aequo et bono terzake van kennelijk onredelijk ontslag, rente en kosten rechtens, en <u>subsidiair</u> - voor recht verklaart dat het ontslag tegen 1 oktober 2010 nietig is, en - Arubus gelast om het [appellant] toekomende loon plus emolumenten door te betalen sedert de dag van zijn ontslag, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente, totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd, kosten rechtens. 4.3 Ter afwering van de (gewijzigde) vorderingen heeft Arubus de wijze van ontstaan van de arbeidsovereenkomst tussen partijen aan de orde gesteld. Het Hof overweegt in dat verband het volgende. 4.4.1 Arubus stelt, kort samengevat, dat er sprake is geweest van politieke inmenging in de aanstelling van [appellant] bij Arubus als beleidsadviseur. 4.4.2 Deze stelling vindt naar het oordeel van het Hof steun in de onbestreden inhoud van de overgelegde brief d.d. 24 november 2008 van de toenmalige Minister van Toerisme en Transport, ing. [E], aan de directeur van Arubus, [F]. Deze brief moet in samenhang worden gelezen met het advies d.d. 21 november 2008 van P & O Adviseur Bureau MTT, [T], dat in opdracht van de Minister is opgesteld. Blijkens de brief d.d. 24 november 2008, in samenhang gelezen met het advies, heeft de Minister beslist om over te gaan tot de introductie van een formatieplaats voor een beleidsmedewerker bij Arubus. Vervolgens draagt de Minister in deze brief [appellant] als enige kandidaat voor de functie van beleidsmedewerker aan. Tot slot schrijft de Minister de directeur: ‘Ik verwacht van u een spoedig realisering van de vervulling van de functie van beleidsmedewerker […]’. 4.4.3 Voorts staat tussen partijen vast dat Arubus een overheids-N.V. is, waarvan de aandelen voor 100% worden gehouden door het Land Aruba. Bovendien is Arubus, dat tot doel heeft het onderhouden van autobusdiensten voor openbaar vervoer, en geen winstoogmerk heeft, afhankelijk van overheidssubsidie. De Minister van Toerisme en Transport vertegenwoordigt de aandeelhouder het Land Aruba inzake Arubus, terwijl [appellant] destijds als Statenlid voorzitter was van de Commissie Verkeer, Vervoer en Communicatie. Beiden hielden hun politieke functie voor de politieke partij MEP. 4.4.4 [appellant] heeft een verklaring d.d. 8 december 2010 van [B] voornoemd overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat Arubus een eigen bijdrage had bij de aanstelling van [appellant]. Uit deze verklaring blijkt echter niet wat deze eigen bijdrage concreet inhield. Uit het feit dat [B] vermeldt dat Arubus een ‘weinig creatieve houding’ had, volgt eerder het tegendeel. Tussen partijen is niet in geschil dat [K] voornoemd de arbeidsovereenkomst met [appellant] heeft ondertekend. Arubus stelt dat er feitelijk druk op [K] is uitgeoefend om de overeenkomst te ondertekenen omdat hij het oneens was met de introductie van de functie van beleidsmedewerker bij Arubus en ook met de hoogte van het salaris voor deze functie. Gelet op hetgeen hiervoor in rov. 4.4.2 en rov. 4.4.3 is overwogen, acht het Hof dit niet zonder meer onaannemelijk. 4.5.1 Voorts kunnen ten aanzien van de wijze van ontstaan van de arbeidsovereenkomst tussen partijen de volgende omstandigheden worden vastgesteld. 4.5.2 [appellant] heeft aangevoerd dat hij, anders dan het GEA in de beschikking waarvan beroep in rov. 4.3 heeft overwogen, wel heeft weersproken dat er geen daadwerkelijke vacature voor een beleidsmedewerker was. Voor zover hij daarmee niet bedoelt dat er bij Arubus de noodzaak bestond voor een beleidsmedewerker, stelt het Hof op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde vast dat de functie van beleidsadviseur zoals omschreven in de met [appellant] aangegane arbeidsovereenkomst niet reeds bestond bij Arubus. 4.5.3 Vaststaand feit is dat de arbeidsovereenkomst met [appellant] is aangegaan zonder dat derden via een open sollicitatieprocedure in de gelegenheid zijn gesteld om mee te dingen naar de vervulling van de vacature (zie hiervoor in rov. 4.1 in verbinding met rov. 2.5 van de beschikking waarvan beroep). Gesteld noch gebleken is dat [appellant] een sollicitatieprocedure heeft doorlopen, bestaande uit bijvoorbeeld één of meer gesprekken mede aan de hand van zijn curriculum vitae met een sollicitatiecommissie van Arubus, en/of een assessment. 4.5.4 Ook voldeed [appellant] niet aan de in het advies van [T] voornoemde functie-eisen voor de functie van beleidsadviseur. De taak van beleidsadviseur houdt volgens de arbeidsovereenkomst in het adviseren van de directeur voor wat betreft het beleid en het bestuur van Arubus. De beleidsadviseur ressorteert direct onder de directie; het Hof verwijst ook naar het overgelegde organogram van Arubus. [appellant] heeft naar voren gebracht dat hij voorheen (1984-1991) ook al dienst van Arubus was. In deze procedure is echter komen vast te staan dat hij toen werkzaam was als monteur in de garage. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat hij bij het hulpbestuurskantoor te San Nicolas (1991-1996) en bij de Directie Scheepvaart (1996-2001) heeft gewerkt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat dit relevante werkervaring oplevert. Tot slot heeft hij naar voren gebracht dat in de acht jaar dat hij Statenlid was, hij voorzitter is geweest van meerdere commissies, waaronder de Commissie Verkeer, Vervoer en Communicatie (2004-2008). Op grond van het enkele voorzitterschap van bedoelde commissies kan niet worden aangenomen dat [appellant], zoals voor de functie vereist, over een niveau beschikt dat gelijkwaardig is aan een HBO-opleiding op het gebied van openbaar vervoer. Hetzelfde geldt voor het functievereiste dat hij ervaring had met het opstellen van beleidsnota’s. Gezien zijn arbeidsverleden had [appellant] geen ervaring met het adviseren van de directie van een bedrijf als Arubus voor wat betreft het beleid en het bestuur. 4.6.1 Ten slotte heeft Arubus de in de arbeidsovereenkomst getroffen financiële voorzieningen voor [appellant] aan de orde gesteld. Het Hof zal in rov. 4.6.2 tot en met 4.6.4 eerst het bepaalde over de door de Arubus te betalen schadeloosstelling na opzegging door Arubus (artikel 15 sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.