BURGERLIJKE ZAKEN 2012 Registratienrs. KG 49566 - H 301/11 Uitspraak: 8 mei 2012 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Vonnis in kort geding in de zaak van: 1. [appellant sub 1] 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. allen wonende in Curaçao, oorspronkelijk gedaagden, thans appellanten, gemachtigde: mr. G.H.E. Camelia, tegen de stichting FUNDASHON NOS DESEO, gevestigd in Curaçao, oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. N.G. Navarro. Partijen worden hierna aangeduid met [appellanten] (in enkelvoud) en Nos Deseo. 1. Het verloop van de procedure 1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met nummer AR 49566 KG van 2011 in kort geding gewezen en op 6 juli 2011 uitgesproken vonnis, hersteld bij herstelvonnis van 11 juli 2011. De inhoud van die vonnissen geldt als hier ingevoegd. 1.2. [appellanten] is bij appelakte, ingekomen op 26 juli 2011, in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 6 juli 2011. In een op 16 augustus 2011 ingediende memorie van grieven, met producties, heeft [appellanten] vijf grieven aangevoerd en toegelicht, een ‘eisvermeerdering’ gedaan en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en Nos Deseo zal bevelen de namen van de leners met onbekende gegevens aan [appellanten] te doen toekomen, met veroordeling van Nos Deseo in de kosten van beide instanties. 1.3. Nos Deseo heeft in een memorie van antwoord het appel bestreden en geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep. 1.4. Op 10 januari 2012, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. 1.5. Bij brief van 21 februari 2012 heeft de griffier van het Hof betaling van aanvullend griffierecht verlangd. 1.6. [appellanten] heeft op 29 maart 2012 het griffierecht nabetaald. 1.7. Vonnis is bepaald op heden. 2. De ontvankelijkheid [appellanten] is tijdig en voor het overige op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen. 3. De grieven Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grie¬ven. 4. Waarvan in hoger beroep moet worden uitgegaan Het GEA heeft in het bestreden vonnis onder 2 feiten vastgesteld. Deze vaststelling is niet in geschil en ook het Hof zal ervan uitgaan. 5. Beoordeling 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of Nos Deseo dwangsommen heeft verbeurd door niet te hebben voldaan aan het kort gedingvonnis van 21 juli 2010 (productie 1 bij inleidend verzoekschrift). Het Hof stelt het volgende voorop. 5.2. In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, LJN: AE9400, NJ 2004, 410, <i>Van der Valk Plaza v. Eilandgebied Curaçao</i>). 5.3. Voor zover het gaat om een algemeen geformuleerd (met een dwangsom gesanctioneerd) rechterlijk bevel, behoort de executierechter dit aldus uit te leggen, dat slechts dan sprake is van een overtreding, wanneer in ernst niet kan worden betwijfeld dat het bevel niet is nageleefd (zgn. Lexington-norm; zie laatstelijk HR 19 januari 2007, LJN: AZ0431, NJ 2007, 59, <i>New Millenium v. Land Aruba</i>). 5.4. Het staat de executierechter vrij bij zijn uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren aldus dat geringe afwijkingen van de letterlijke tekst van de veroordeling, getoetst aan de veroordeling zoals naar haar strekking opgevat, geen grond opleveren voor het oordeel dat de dwangsommen zijn verbeurd (HR 20 mei 1994, NJ 1994, 652, <i>Van Weezenbeek v. Financieel Dagblad</i>). 5.5. Voorts moet de ‘executierechter’ er in beginsel van uitgaan dat de onder dwangsomsanctie veroordeelde tot de in redelijkheid te vergen inspanning en zorgvuldigheid gehouden is, maar niet tot stappen die rechtens en in redelijkheid niet van hem kunnen dan wel mogen worden verlangd. Vgl. wat voor de ‘dwangsomrechter’ als bedoeld in artikel 611<i>d</i> Rv geldt: ook dan is van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen als bedoeld in artikel 611<i>d</i> lid 1 Rv sprake, indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht (HR 13 juni 2003, LJN: AF5887, NJ 2003, 521). 5.6. Toepassing van deze oordelen op het onderhavige geval leidt ertoe dat het hoger beroep faalt. Getoetst dient te worden – op de wijze zoals hierboven aangeduid – aan de volgende in het kort gedingvonnis van 21 juli 2010 (productie 1 bij inleidend verzoekschrift) gegeven veroordeling: ‘beveelt FND, binnen een maand na betekening van dit vonnis, aan verzoekers (…) de volgende schriftelijke informatie te verstrekken:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.