HLAR 50880/11 Datum uitspraak: 28 mei 2012 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], wonend in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 4 mei 2011 in zaak Lar nr. 586 van 2010 in het geding tussen:
- appellante
- (…)
- (…)
- (…)
- (…) en de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu.
- Procesverloop Bij beschikking van 15 juli 2009 heeft de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) een verzoek van [belanghebbende] om aan appellante (hierna: de vreemdeling) een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen. Bij beschikking van 26 februari 2010 heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 4 mei 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking in zoverre vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in zoverre in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 15 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2012, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.B. Boyce, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.D. van Wilgen, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.
- Overwegingen 2.
- De vreemdeling betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belang heeft bij het door haar tegen de beschikking van 26 februari 2010 ingestelde beroep. Weliswaar is aan haar bij beschikking van 22 maart 2011 een vergunning tot tijdelijk verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst voor de periode van 29 april 2010 tot 29 april 2011 verleend, maar de afgewezen aanvraag strekte tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf voor verblijf bij echtgenoot gedurende een daaraan voorafgaande periode. Nu de duur van een aaneengesloten periode van rechtmatig verblijf bij de beoordeling van een eventuele aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf op de voet van artikel 7a van de Landsverordening toelating en uitzetting en een eventueel verzoek tot naturalisatie wordt betrokken, had zij belang bij het door haar ingestelde beroep, aldus de vreemdeling. 2.1.
- Dat betoog faalt. Nu aan de vreemdeling bij beschikking van 22 maart 2011 een vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend, zij de hiervoor onder 2.
- vermelde omstandigheden in beroep niet heeft gesteld en anderszins evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij het door haar ingestelde beroep, heeft het Gerecht dat terecht niet-ontvankelijk verklaard. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier. w.g. Drop voorzitter w.g. Isenia griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2012 Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de griffier, voor deze,