Registratienummer: AR 25272 - H 308/13 Uitspraak: 7 januari 2014 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: de stichting FUNDASHON KAS POPULAR, gevestigd in Curaçao, oorspronkelijk gedaagde, thans appellante, gemachtigde: mr. S.P. Martis, tegen [geintimeerde], wonende in Curaçao, oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde, procederende in persoon. De partijen worden hierna FKP en [geintimeerde] genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij akte van appel van 15 maart 2013 is FKP in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 4 februari 2013 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA). 1.2 Bij op 25 april 2013 ingekomen memorie van grieven heeft FKP tien grieven tegen het vonnis en tegen daaraan voorafgegane tussenvonnissen aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van 4 februari 2013 zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog geheel zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad. 1.3 Bij memorie van antwoord, met producties, heeft [geintimeerde] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal bevestigen, met veroordeling van FKP in de proceskosten in beide instanties, naar redelijkheid te begroten. 1.4 Op de voor pleidooi nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd. Aan de pleitnotities van [geintimeerde] is een productie gehecht. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden. 2De beoordeling 2.1 Tussen partijen staat het volgende vast. a. In 1996 hebben de ouders van [geintimeerde], die inmiddels beiden zijn overleden, een huis, bekend als Kaya Remiel C-19, gekocht van FKP. Al snel nadat zij hun pas gekochte woning hadden betrokken, bleek dat er scheurvorming ontstond, die alsmaar erger werd. b. In 2005 heeft [geintimeerde], samen met andere buurtbewoners, de onderhavige zaak aanhangig gemaakt bij het GEA. 2.2 In dit geding heeft [geintimeerde] vorderingen ingesteld en gewijzigd bij processtukken die kennelijk in het ongerede zijn geraakt. Het GEA heeft de gewijzigde vorderingen aldus opgevat dat deze primair inhouden dat FKP wordt veroordeeld het huis terug te kopen tegen een bepaalde waarde (zie het vonnis van het GEA van 23 maart 2009 in rov. 2.3.1) en subsidiair dat FKP wordt veroordeeld tot schadevergoeding (zie het vonnis van het GEA van 7 februari 2011 in rov. 2.1). Deze weergave van de vorderingen is in hoger beroep door geen van beide partijen aangevochten, zodat het Hof die als uitgangspunt zal nemen. In het vonnis van 7 februari 2011 heeft het GEA in rov. 2.5 overwogen dat de primaire vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. In het vonnis van 4 februari 2013 heeft het GEA FKP veroordeeld tot betaling van NAF. 60.000,00. Het hoger beroep van FKP strekt ertoe dat de vorderingen van [geintimeerde] alsnog geheel worden afgewezen. 2.3 Blijkens de toelichting op grief 10 stelt FKP zich in hoger beroep op het standpunt dat de vordering van [geintimeerde] is verjaard, aangezien er een verjaringstermijn is aangevangen en verstreken in de periode 1996-2005, dus voordat de onderhavige zaak aanhangig werd gemaakt. 2.4 [ geintimeerde] heeft hiertegen bij pleitnota in hoger beroep aangevoerd dat het beroep op verjaring een diametrale koerswijziging oplevert die indruist tegen een goede procesgang en procesorde. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep moet een beroep op verjaring, indien dit voor het eerst bij memorie van grieven wordt gedaan, tijdig worden geacht en moet het Hof er dus acht op slaan. In dit geval doet de bijzondere omstandigheid zich voor dat de procedure in eerste aanleg acht jaar (van 2005 tot en met 2013) heeft geduurd zonder dat een beroep op verjaring is gedaan. Die bijzondere omstandigheid is echter onvoldoende klemmend om het in strijd met de eisen van een goede procesorde te achten dat thans in hoger beroep wel een beroep op verjaring wordt gedaan. Ook de (gestelde) omstandigheden dat FKP (op enig moment) aansprakelijkheid heeft aanvaard, reparatiewerkzaamheden heeft doen uitvoeren en toezeggingen heeft gedaan, brengen niet het procesrechtelijke gevolg mee dat FKP zich thans niet meer mag beroepen op verjaring. Die omstandigheden brengen niet mee dat ([geintimeerde] redelijkerwijs mocht begrijpen dat) FKP afstand had gedaan van haar processuele recht zich op verjaring te beroepen. 2.5 Het huidige art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon moet aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. 2.6 In dit geval is deze verjaringstermijn (in elk geval: voor het eerst) beginnen te lopen toen de scheurvorming voldoende ernstig was geworden om zich te laten herkennen als schade die met voldoende mate van zekerheid was veroorzaakt doordat FKP een gebrekkig (non-conform) huis had geleverd. Uit de eigen stellingen van [geintimeerde] leidt het Hof af dat dit ergens in 1996 of 1997 moet zijn geweest. 2.7 Het huidige art. 7:23 lid 2 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van meer dan twee jaren na de (overeenkomstig art. 7:23 lid 1 BW gedane) kennisgeving dat hetgeen is afgeleverd, niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. 2.8 In dit geval is deze verjaringstermijn (in elk geval: voor het eerst) beginnen te lopen toen de ouders van [geintimeerde] voor het eerst aan FKP een mededeling deden van de strekking dat naar hun mening op grond van de scheurvorming moest worden aangenomen dat het huis niet de eigenschappen bezat die zij op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten. Ook dit tijdstip moet ergens in 1996 of 1997 zijn geweest; in elk geval is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat dit later was. 2.9 [ geintimeerde] heeft zich erop beroepen dat FKP (herhaaldelijk) reparaties heeft uitgevoerd. Het is mogelijk dat op grond daarvan op enig moment een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. Dat zou zo zijn in het geval dat [geintimeerde] (of haar ouders) op enig moment na de reparaties mocht(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.