← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2014:114

Burgerlijke zaken over 2014 Vonnis no.: Registratienummer: AR 49/2010 ghis 58053-H 280/12Uitspraak: 7 november 2014 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curacao, Sint Maarten envan Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS in de zaak van: de erfgenamen van [de erven 1], in deze domicilie kiezend ten kantore van hun gemachtigde in Sint Maarten,hierna ook te noemen: [de erven 1], oorspronkelijk eisers in conventie, tevens verweerders in voorwaardelijkereconventie, thans appellanten in het principaal hoger beroep, tevens geïntimeerden in hetvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep,gemachtigde: mr. C.H.J. Merx, tegen de erfgenamen van [de erven 2], in deze domicilie kiezend ten kantore van hun gemachtigde in Sint Maarten,hierna ook te noemen: [de erven 2], oorspronkelijk gedaagden in conventie, tevens eisers in voorwaardelijke reconventie,thans geïntimeerden in het principaal hoger beroep, tevens appellanten in hetvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep,gemachtigden: mrs. S.R. Bommel en C.A. Peterson. 1Het verdere verloop van de procedure Voor het verloop van de procedure tot 8 maart 2013 wordt verwezen naar hettussenvonnis van het Hof van die datum. De bij dat tussenvonnis gelaste comparitieter plaatse heeft plaatsgehad op 13 december 2013, waarvan een proces-verbaal isopgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is de zaak naar de rolverwezen voor akte uitlating regeling. Op een nadere rolzitting hebben de ervenRemou een akte uitlating regeling genomen. Vonnis is nader bepaald op heden. 2De verdere beoordeling 2.1 In het tussenvonnis van 8 maart 2013 heeft het Hof bij de weergave van degewijzigde eis een aantal keren "meetbrief nr. 457 van 1994" vermeld. Zulkskennelijk in navolging van het gewijzigde petitum in de memorie van grieven. Tussenpartijen staat echter vast dat meetbrief [nummer] op het litigieuze perceel betrekking heeft; zie ook het afschrift van de meetbrief overgelegd als productie 1 bijde conclusie van antwoord. Het Hof begrijpt dan ook dat in het petitum het jaartal1996 bedoeld is, en herstelt bij deze de vermelding in het tussenvonnis aldus dat daar1996 moet worden gelezen. 2.2 Zoals reeds in het tussenvonnis van 8 maart 2013 overwogen, hebben [de erven 1] bij de memorie van grieven hun eis gewijzigd. [de erven 2] hebbendaartegen bezwaar gemaakt onder aanvoering van het argument dat de eis wijzigingniet op de bij wet voorgeschreven wijze is geschied. Verder zijn [de erven 2]inhoudelijk op de gewijzigde vordering ingegaan. Gelet op deze gang van zaken en nude eiswijziging wel op de bij de wet voorgeschreven wijze is geschied en gesteld nochgebleken is dat de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde, zalhet Hof de wijziging toestaan en recht doen op de gewijzigde eis. 2.3 In eerste aanleg hebben [de erven 2] aangevoerd dat van degene die deonderhavige procedure heeft ingezet, [naam A], niet blijkt dat hij [de erven 1] rechtsgeldig en deugdelijk vertegenwoordigt. Dit exceptief verweergaat niet op. [de erven 1] hebben immers te kennen gegeven dat [naam A] procedeert als deelgenoot namens de gemeenschap en ingevolgeartikel 3:171 BW is iedere deelgenoot daartoe bevoegd, terwijl het feit dat hijdeelgenoot is voldoende blijkt uit de als productie 1 bij conclusie van repliek inconventie overgelegde stamboomverklaring. 2.4 In appel wordt allereerst opgekomen tegen het oordeel van het GEA dat er geensprake is van een onzekere grens en er daarom geen plaats is voor een vordering totgrensbepaling. 2.5 Op basis van de waarnemingen van het Hof bij de comparitie ter plaatse, demededelingen van partijen aldaar en de uitleg van de medewerkers van het Kadasteraldaar blijkt dat het geschil wordt bepaald door de vraag of de grens tussen degronden van partijen loopt langs de westelijke perceelgrens (standpunt [de erven 1])of langs de oostelijke perceelgrens (standpunt [de erven 2]) van het perceelbeschreven in meetbrief [nummer] (productie 1 conclusie van antwoord).Volgens [de erven 1] maakt dat perceel - een langwerpige, schuin gelegen strookgrond lopend van de bovenkant van de heuvel tevens de grens met de Franse kant (denoordelijke perceelgrens) tot de [straatnaam] bij de onderkant van de heuvel (dezuidelijke perceelgrens) - deel uit van hun ten oosten gelegen gronden en volgens de[de erven 2] maakt deze deel uit van de aan hen toebehorende ten westen gelegengronden (zie ook de aan het proces-verbaal van comparitie gehechte afschriften vande kaarten waarvan de medewerkers van het Kadaster zich bij de comparitie hebbenbediend). Anders gezegd is de vraag of deze strook grond verder naar het westengeprojecteerd had moeten worden, en wel een breedte van die strook verder. Het gaatimmers om de grens tussen de gronden verkregen bij de scabinale akte van 8 mei1867 ([de erven 2]) en de gronden verkregen bij scabinale akten van 14 augustus1866 nrs. 18 en 19 ([de erven 1]). 2.6 Weliswaar blijkt uit het voorgaande dat sprake is van twee vaststaande, in demeetbrief [nummer] nader omschreven lijnen, maar omdat het er twee zijn waarbij de ene partij uitgaat van de ene en de andere partij uitgaat van de andere lijn,en het perceel waarop die meetbrief betrekking heeft deel uitmaakt volgens de ervenRemou van hun gronden en volgens de [de erven 1] van hun gronden, is er sprakevan een onzekere grens. 2.7 Aldus zal worden overgegaan tot gerechtelijke grensbepaling. Uit de rapportenc.q. brief van het Kadaster van 7 mei 2008, 1 juli 2009 en 7 februari 2011 (producties2 en 3 inleidend verzoekschrift en productie 2 conclusie van repliek), alsmede denadere toelichting van de medewerkers van het Kadaster bij de comparitie ter plaatse,blijkt helder dat meetbrief [nummer] destijds verkeerd is opgemaakt enwestelijker geprojecteerd had moeten worden, en wel zodanig dat de oostelijkeperceelgrens had moeten lopen waar in die meetbrief de westelijke perceelgrens isgeprojecteerd. Aldus kan worden geconstateerd dat het perceel met meetbrief no. 457van 1996 deel uitmaakt van de onroerende zaak toebehorend aan [de erven 1]. Nuhet perceel met meetbrief [nummer 3], waarop de woning van "de oude dame"staat, deel uitmaakt van het perceel met meetbrief [nummer] kan eveneensworden vastgesteld dat die woning is gebouwd op de onroerende zaak toebehorendaan [de erven 1]. 2.8 Het door [de erven 2] gedane beroep op veijaring gaat niet op, alleen al nietomdat ingevolge artikel 5:47 lid 2 BW het wettelijke vermoeden dat de bezitter deeigenaar is niet geldt in het onderhavige geval. De vraag waaruit de bezitsdadenhebben bestaan voor het overgrote gedeelte van het perceel met meetbrief no. 457 van1996 - naar de waarneming van het Hof een vol begroeid stuk natuur dat niet wordtgebruikt (het gehele perceel behalve het perceel waarop de woning van de oude damestaat (meetbrief [nummer 3])) - behoeft dus niet meer te worden beantwoord. 2.9 De verwijzing door [de erven 2] naar de verkrijgende titels van de aan hen op[straatnaam] toebehorende gronden (producties 2 en 3 conclusie van antwoord) treftgeen doel, nu daaruit niets blijkt omtrent de ligging en de afgrenzing van het litigieuzeperceel omschreven in meetbrief [nummer]. 2.10 Uit het voorgaande volgt dat het principaal appel slaagt en het betreden vonnisgeen stand kan houden. Het gevorderde onder 1 en 2 van het gewijzigde petitum zalworden toegewezen, op de wijze als in het dictum vermeld. Het onder 3 primairgevorderde kan niet worden toegewezen, nu het Hof niet een meetbrief kanvernietigen, alleen al niet omdat het geen rechtshandeling betreft verricht door eenpartij bij deze procedure. Het onder 3 subsidiair gevorderde zal evenmin toegewezenworden omdat de inschrijving van dit vonnis in de openbare registers ingevolgeartikel 3:17 BW van rechtswege mogelijk is en daarvoor geen rechterlijke machtigingis vereist. 2.11 Het incidenteel appel, dat aan de orde is omdat de voorwaarde waaronder het isingesteld is vervuld, faalt gezien de nauwe samenhang op grond van het slagen vanhet principaal appel. 2.12 [de erven 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskostenin eerste aanleg en in hoger beroep van [de erven 1] worden veroordeeld. BESLISSINGHet Hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep; stelt de grens tussen de landerijen van partijen zodanig vast dat deze loopt langs dewestelijke perceelgrens van het perceel beschreven in meetbrief [nummer]; verklaart voor recht dat de onroerende zaken beschreven in de meetbrieven [nummer 2] en [nummer] deel uitmaken van de onroerende zaak toebehorend aan [de erven 1]; veroordeelt [de erven 2] in de kosten, tot op heden begroot op: in eerste aanleg: NAf 450,- aan griffierecht, NAf 214,50 aan oproepingskostenen NAf 2.700,- aan gemachtigdensalaris; in principaal en incidenteel hoger beroep: Naf 900,- aan griffierecht, NAf 499,-aan betekeningskosten en NAf 5.100,- aan gemachtigdensalaris; verklaart dè grensvaststelling en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en S. Verheijen,leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting vanhet Hof in Sint Maarten in-tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 7november 2014. /

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.