HLAR 50143/12 Datum uitspraak: 24 januari 2014 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellant], wonend in Trinidad en Tobago, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 21 augustus 2012 in zaak nr. Lar 2011/50143 in het geding tussen: appellant en de minister van Justitie van Curaçao (hierna: de minister) als rechtsopvolger van de gezaghebber van het eilandgebied Curaçao (hierna: de gezaghebber), namens de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen. Procesverloop Bij brief van 16 december 2009 heeft appellant de gezaghebber verzocht om te verklaren dat hij van rechtswege toelating tot verblijf in de Nederlandse Antillen heeft. Bij brief van 2 juni 2010 heeft de gezaghebber dat verzoek afgewezen. Bij besluit van 10 juni 2011 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, voor zover appellant met het verzoek heeft beoogd een verklaring te verkrijgen dat hij van rechtswege toelating tot verblijf in Curaçao heeft, en buiten behandeling gesteld, voor zover hij heeft beoogd een zogenoemde verklaring van rechtswege aan te vragen. Bij uitspraak van 21 augustus 2012 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het door hem gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak heeft appellant bij brief, bij het Hof ingekomen op 1 oktober 2012, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2013, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.C. Small, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.J. Victorina en mr. S.U. Nicolaas, beiden werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen. Overwegingen Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) wordt in deze landsverordening onder een beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is. Ingevolge artikel 2 van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) wordt toelating tot verblijf van rechtswege toegekend of bij vergunning verleend. Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover thans van belang, hebben van rechtswege toelating tot verblijf in Curaçao:a. personen, van overheidswege uitgezonden, zolang zij in overheidsdienst zijn; b. personen, die in dienst zijn geweest van Curaçao of vóór 10 oktober 2010 in dienst waren van de Nederlandse Antillen of het eilandgebied Curaçao en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige personen; c. t/m e. (…)f. de meerderjarige Nederlanders, niet vermeld in artikel 1, die ten genoegen van de Minister van Justitie aantonen dat zij beschikken over: 1° een verklaring van goed gedrag gedurende de laatste vijf jaar, afgegeven door het bevoegde gezag binnen twee maanden voor hun aankomst in Curaçao of een schriftelijke verklaring, waaruit genoegzaam van hun gedrag blijkt; 2° huisvesting en voldoende middelen van bestaan om in hun levensonderhoud te voorzien overeenkomstig bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nader te stellen regels. Ingevolge het vijfde lid wordt op een daartoe strekkend verzoek aan de personen, bedoeld in het eerste lid, door of namens de Minister van Justitie een verklaring verstrekt, dat zij van rechtswege toelating tot verblijf in Curaçao hebben. Ingevolge artikel 5 eindigt de toelating van rechtswege:a. door het vervallen van de reden, waarom zij is toegekend; b. ten aanzien van degene, die op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onderdeel i, van rechtswege is toegelaten, door een onafgebroken verblijf van langer dan drie jaar in het buitenland, tenzij de betrokkene in het buitenland verblijft voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling. c. ten aanzien van de meerderjarige Nederlander, die op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van rechtswege is toegelaten, door het niet langer beschikken over huisvesting en voldoende middelen van bestaan om in zijn levensonderhoud te voorzien; d. ten aanzien van de minderjarige Nederlander waarvan één van de ouders die het ouderlijk gezag uitoefent niet langer aan de voorwaarden, genoemd in onderdeel f, voldoet. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Toelatingsbesluit mogen toeristen zonder vergunning tot tijdelijk verblijf de Nederlandse Antillen binnenkomen en alhier gedurende een periode van maximaal veertien dagen verblijven. Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, is de in het eerste lid bedoelde periode maximaal drie maanden voor toeristen van Nederlandse nationaliteit. Ingevolge artikel 8, eerste lid, zal de autoriteit die tot het verlenen van vergunningen tot verblijf of tijdelijk verblijf in verband met het passagiersverkeer bevoegd is op verzoek van belanghebbenden de volgende verklaringen afgeven:1e. (…);2e. aan personen, op wie de "Landsverordening toelating en uitzetting" niet van toepassing is of aan personen die van rechtswege toelating tot verblijf in de Nederlandse Antillen hebben: een verklaring, waaruit van deze of gene status blijkt. Ingevolge het tweede lid worden de modellen van de in het eerste lid bedoelde verklaringen door de Minister van Justitie vastgesteld. Appellant betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de brief van 2 juni 2010 een voor bezwaar vatbare beschikking behelst, nu daarbij is geweigerd een verklaring af te geven dat hij van rechtswege toelating tot verblijf in Curaçao heeft. 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.