HLAR 62620/13 Datum uitspraak: 23 mei 2014 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellant], wonend in Curaçao, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 20 augustus 2013 in zaak nr. Lar 2007/33 in het geding tussen: appellant en de Sociale Verzekeringsbank. Procesverloop Bij beschikking van 3 augustus 2006 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant als gevolg van het bedrijfsongeval dat hem op 4 maart 2005 is overkomen, per 31 augustus 2006 op 15% vastgesteld en zijn aanspraak op ongevallengeld op Naf. 9,00 per dag. Bij beschikking van 13 maart 2007 heeft de SVB het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 augustus 2013 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. De SVB heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar appellant, bijgestaan door mr. E. Fa Si Oen, advocaat, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia en N. Huizing, beiden werkzaam in haar dienst, zijn verschenen. Overwegingen Ingevolge artikel 1 van de Landsverordening Ongevallenverzekering (hierna: de LvOV) wordt onder arbeidsongeschiktheid verstaan: de toestand, waarin de werknemer verkeert, die als gevolg van een ongeval gedurende een etmaal of langer niet in staat is om zijn normale arbeid te verrichten of deze arbeid zo lang niet mag verrichten, hetzij om een medisch noodzakelijk onderzoek mogelijk te maken, hetzij om te voorkomen dat zijn genezing wordt belemmerd. Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft de werknemer, die als gevolg van het ongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, aanspraak op een uitkering in geld, genaamd ongevallengeld, met ingang van de dag na die van de melding van het ongeval bij de bank. Ingevolge het tweede lid bedraagt het ongevallengeld bij gehele arbeidsongeschiktheid per dag:a. gedurende de eerste 52 weken: 100% van het dagloon van de werknemer;b. voor de verdere duur: 80% van het dagloon van de werknemer. Ingevolge het vierde lid bedraagt het ongevallengeld per dag bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid gedurende de in het tweede lid vermelde tijdvakken een in een evenredige verhouding tot het percentage van de arbeidsongeschiktheid staand deel van de in het tweede lid vermelde percentages van het dagloon. Appellant is op 4 maart 2005 een bedrijfsongeval overkomen. Na dit ongeval is hij uitgevallen voor zijn werk als zandblazer en spuiter in verband met klachten aan zijn linkerknie. In de door de medisch adviseur van de SVB (hierna: de adviseur) opgestelde rapportage arbeidsongeschiktheidsbepaling (hierna: de rapportage) staat, voor zover thans van belang, het volgende:“Verzekerde claimt zijn eigen werk als zandblazer/spuiter niet meer te kunnen uitoefenen. Bij het lichamelijk onderzoek blijkt dat de linker knie duidelijk is opgezet vergeleken met rechts. Drukpijn knieholte en mediale knie. Gemeten is de knie omvang links 50 cm en rechts 47 cm. Knie voelt niet warm aan, maar er is wel een huidsverkleuring. Geen crepitaties geconstateerd, flexie beperkt tot 80o door de zwelling. Extensie niet beperkt.“ Appellant betoogt dat het Gerecht, door te overwegen dat niet is gesteld of gebleken dat de adviseur een onjuist medisch oordeel heeft gegeven over het letsel van de linkerknie, heeft miskend dat de adviseur er ten onrechte van is uitgegaan dat zijn werkzaamheden voornamelijk staand zijn, nu hij ook moet hurken, klimmen, traplopen, knielen en soms liggend werk moet doen, waarbij de knieën extra zwaar belast worden. 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.