HLAR 68801/14 Datum uitspraak: 15 december 2014 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de naamloze vennootschap JMD Enterprises N.V., appellante (hierna: de werkgever), tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 6 januari 2014 in zaak nr. Lar 113/2013 in het geding tussen: de werkgever en de minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid. Procesverloop Bij beschikking van 13 december 2012 heeft de minister geweigerd de werkgever vergunning te verlenen om [naam vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) te werk te stellen. Bij beschikking van 9 juli 2013 heeft de minister het door de werkgever daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 januari 2014 heeft het Gerecht het door de werkgever daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de werkgever hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2014, waar de werkgever, vertegenwoordigd door mr. C. Marica, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, ook advocaat, zijn vertegenwoordigd. Overwegingen Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit arbeid vreemdelingen wordt de beschikking, houdende toekenning, dan wel weigering, van de tewerkstellingsvergunning, per fax of e-mail aan de werkgever verzonden en in uitzonderlijke gevallen per aangetekende post verzonden of persoonlijk aan de werkgever uitgereikt. In geval van uitreiking in persoon dient de werkgever voor ontvangst te tekenen, aldus die bepaling. De werkgever betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de minister de op 10 juli 2013 per e‑mail verzonden beschikking van 9 juli 2013 niet naar het in zijn bezwaarschrift vermelde e‑mailadres heeft verzonden, maar naar een ander e‑mailadres. Daardoor heeft die beschikking hem niet bereikt en mocht hem niet tegengeworpen worden dat hij het beroep niet binnen zes weken na de verzending heeft ingesteld, aldus de werkgever. Dat betoog slaagt. De minister heeft de beschikking van 9 juli 2013 op 10 juli 2013 per e‑mailbericht verzonden aan het adres [emailadres] en niet aan het door de werkgever in zijn bezwaarschrift opgegeven adres [emailadres]. Het Gerecht heeft daarom ten onrechte overwogen dat de beschikking op 10 juli 2013 aan het in het bezwaarschrift van de werkgever vermelde e‑mailadres is verzonden. Het heeft om die reden evenzeer ten onrechte overwogen dat de termijn, waarbinnen hij daartegen beroep kon instellen, duurde van 11 juli 2013 tot en met 21 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.