Burgerlijke zaken over 2015 Vonnisno.: Registratienummer: KG 71639 - H 196/2015 Uitspraak: 24 november 2015 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO, zetelend te Curaçao, oorspronkelijk gedaagde, thans appellant, gemachtigden: mrs. G.H.E. Camelia en I.U.C. Narain, tegen de besloten vennootschap KLINIEK DR. J. TAAMS B.V., thans in staat van faillissement, gevestigd te Curaçao, oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs. M.F. Murray en M.J. Eisden. Partijen worden hierna ook het Land en Taams genoemd. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 25 augustus 2015; - de akte uitlating van Taams. 1.2 Vervolgens is vonnis nader bepaald op heden. 2De verdere beoordeling 2.1 In het tussenvonnis is overwogen dat het Land zijn eis in zijn pleitnota heeft vermeerderd en dat Taams in de gelegenheid zal worden gesteld zich over deze eisvermeerdering uit te laten. Nu het Land evenwel in eerste aanleg als gedaagde geen reconventionele vordering heeft ingesteld, kan, zoals Taams in haar akte terecht heeft opgemerkt, van een eisvermeerdering geen sprake zijn. De oorspronkelijk gedaagde partij kan in hoger beroep geen vordering in reconventie meer instellen, omdat dit uiterlijk bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg moet gebeuren. Het instellen van vorderingen tegen anderen dan de eisende partij is evenmin mogelijk. Aan de door het Land geformuleerde eis zal dan ook worden voorbijgegaan. 2.2 Taams is bij beschikking van 1 juli 2015 failliet verklaard. Het Land heeft geen verzoek als bedoeld in artikel 23 van het Faillissementsbesluit 1931 ingediend. 2.3 Taams heeft zich in dit kort geding op het standpunt gesteld dat het Land onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en gevorderd dat het Land wordt veroordeeld om bij wege van schadevergoeding NAf 1.800.000,- aan haar te betalen. Het GEA heeft zichzelf bevoegd geacht de verzochte voorziening te beoordelen en Taams in haar vordering ontvankelijk verklaard. Tevens heeft het GEA overwogen dat het Land in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod op willekeur heeft gehandeld jegens Taams en dat gelet hierop, voorlopig geoordeeld, sprake is van onrechtmatig handelen van het Land. Het GEA heeft de vordering van Taams toegewezen zoals verzocht. Tegen deze oordelen en beslissing zijn de grieven gericht. 2.4 Nu het Land de stelling van Taams dat Taams, (mede) vanwege de omstandigheid dat de tarieven voor vergoeding van de zorglevering niet kostendekkend zijn, haar continuïteit niet kan waarborgen, niet, althans onvoldoende heeft weersproken, is de spoedeisendheid gegeven. 2.5 Het Hof verenigt zich met het oordeel van het GEA dat het bevoegd is de verzochte voorziening te beoordelen en dat Taams in haar vordering kan worden ontvangen. Het Hof onderschrijft hetgeen het GEA ter motivering van dit oordeel heeft overwogen en neemt die motivering over. Door het Land zijn ook in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. 2.6 Taams heeft aan haar stelling dat sprake is van onrechtmatig handelen door het Land ten grondslag gelegd dat het Land in strijd handelt met het zorgvuldigheids- en/of gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, nu het ondanks toezeggingen nalaat de tarieven voor vergoeding van de zorglevering aan te passen dan wel Taams op andere wijze te compenseren voor de te lage tarieven en omdat het voor een andere instelling, het Sehos, de tarieven wel heeft aangepast en aan deze instelling wel steun heeft verleend. 2.7 Dienaangaande geldt als volgt. 2.8 Gesteld noch gebleken is dat het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen strijdig is met hogere regelgeving. Voor het overige kan dit Besluit door de rechter slechts met terughoudendheid worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. Tussen partijen is niet in geschil dat de huidige tarieven voor vergoeding van onderdelen van de door Taams geleverde zorg niet kostendekkend zijn en dat Taams dus toelegt op die door haar aangeboden zorg. De enkele omstandigheid dat het Land de desbetreffende tarieven desondanks niet heeft verhoogd, brengt naar het voorlopig oordeel van het Hof nog niet mee dat sprake is van handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door het Land. Op grond van de wettelijke bepalingen bestaat geen verplichting om de tarieven te indexeren of op andere wijze (periodiek) aan te passen en daarnaast heeft het Land, zoals het gemotiveerd heeft aangevoerd, bij de besluitvorming over (eventuele) tariefaanpassingen niet alleen de belangen van Taams, maar ook andere belangen, zoals het maatschappelijk belang, in acht te nemen en daarin heeft het een redelijke mate van vrijheid. Dat Taams, zoals zij heeft betoogd, is toegezegd dat de tarieven zullen worden verhoogd, is in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door het Land vooralsnog onvoldoende gebleken. Zo volgt uit de door Taams gestelde toezegging dat een tarievenstudie wordt gestart teneinde tot kostendekkende tarieven te komen nog niet dat de tarieven ook daadwerkelijk zullen worden verhoogd. Weliswaar wordt in de (in het GEA-vonnis onder 2.8 weergegeven) brief uit 2011 van de Minister van Financiën aan Taams gesproken over het afronden van de herziening van de tarievenstructuur begin 2012, maar in het licht van de door Taams ontvangen (door het Land als productie 16 bij de pleitnota overgelegde) brief van het Land van 8 juli 2011 volgt daaruit niet zonder meer dat Taams er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de tarieven zouden worden aangepast. In de brief van 8 juli 2011 wordt immers door het Land bericht dat ‘de Ministerraad op 29 juni jl [heeft] besloten om tijdelijk alle (…) verzoeken om tariefvaststelling van (…) Taamskliniek tot eind oktober 2011 aan te houden’. Gelet op het voorgaande en nu dit kort geding zich voor bewijslevering aan de zijde van Taams niet leent, kan de stelling van Taams dat het Land onzorgvuldig dan wel in strijd met gerechtvaardigde verwachtingen jegens haar heeft gehandeld niet slagen. 2.9 Ook het betoog van Taams dat het Land in strijd met het gelijkheidsbeginsel en verbod van willekeur heeft gehandeld, treft vooralsnog geen doel. Weliswaar hebben aan het Sehos financiële tegemoetkomingen plaatsgevonden en zijn bepaalde bij wet vastgestelde tarieven voor het Sehos verhoogd, maar het Land heeft gemotiveerd weersproken dat het Sehos een met Taams vergelijkbare instelling is. Volgens het Land heeft het Sehos als enig “all-in” ziekenhuis met Poli-EHBO hier ten lande een (ten opzichte van Taams) bijzondere positie en heeft het een beschikbaarheidsfunctie. In tegenstelling tot Taams dient het Sehos vierentwintig uur per dag beschikbaar te zijn. Deze omstandigheden rechtvaardigen volgens het Land een ander beleid ten aanzien van onder meer de tarievenstructuur. Gelet op dit gemotiveerde verweer van het Land kan niet zonder meer worden gezegd dat het Land willekeurig handelt. Evenmin kan worden aangenomen dat ten aanzien van Taams en Sehos van gelijke gevallen sprake is, zodat vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het Land in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. 2.10 Nu in het kader van deze kort gedingprocedure niet kan worden gezegd dat sprake is van handelen in strijd met het zorgvuldigheids- en/of gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur, kan, voorlopig oordelend, evenmin worden gezegd dat het Land onrechtmatig jegens Taams heeft gehandeld. 2.11 De slotsom van het voorgaande is dat het beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering van Taams zal worden afgewezen. 2.12 Taams zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. Deze worden aan de zijde van het Land in eerste aanleg begroot op NAf 2.500,- aan salaris gemachtigde en in hoger beroep op NAf 1.068,45 aan explootkosten, NAf 15.000,- aan griffierecht en NAf 22.200,- aan salaris gemachtigde (derhalve in totaal op NAf 38.268,45). BESLISSING Het Hof: - vernietigt het vonnis waarvan beroep en beslist, opnieuw rechtdoende, als volgt; - wijst het gevorderde af; - veroordeelt Taams in de proceskosten, aan de zijde van het Land in eerste aanleg begroot op NAf 2.500,- en in hoger beroep op NAf 38.268,45. Dit vonnis is gewezen door mrs. E.J. van der Poel, T.A.M. Tijhuis en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 24 november 2015.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.