Burgerlijke zaken over 2015 Vonnisno.: Registratienummer: AR 123/2011 Ghis 69382 H- 205/14 Uitspraak: 9 oktober 2015 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS in de zaak van: de vennootschap naar vreemd recht SAGA TRANSPORT LTD., gevestigd te Sint Maarten, oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante, gemachtigden: mrs. S.R. Bommel en C.A. Peterson, tegen de vennootschap naar vreemd recht SOCIETE DE TRANSPORT MARITIME BATELEE SARL, gevestigd te Guadeloupe, oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde, gemachtigde: voorheen mr. M. Le Poole, thans mr. M. Unsal. Partijen worden hierna ook Saga en STMB genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 23 april 2015. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd. 1.2 Saga is in hoger beroep gekomen door indiening op 4 juni 2013 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Op 15 juli 2013 heeft Saga een memorie van grieven met producties ingediend, waarbij twee grieven zijn voorgedragen en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de conventionele vordering van Saga alsnog zal toewijzen en de reconventionele vordering van STMB alsnog zal afwijzen, met veroordeling van STMB in de kosten van beide instanties en alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. 1.3 STMB heeft op 13 november 2013 een memorie van antwoord ingediend waarin zij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van Saga in de kosten van deze procedure. 1.4 Op de daarvoor bepaalde dag hebben partijen ieder aan de hand van aan het Hof overgelegde pleitaantekeningen mondeling pleidooi gevoerd. 1.5 Vervolgens is vonnis nader bepaald op heden. 2De feiten 2.1 De in het bestreden vonnis onder 2.1 opgesomde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het Hof die feiten tot uitgangspunt kan nemen. Het Hof zal deze feiten wederom opsommen en aanvullen zoals hierna te vermelden. 2.2 STMB is eigenaar van het vrachtvervoerschip MS Sirena. BNP Paribas Guadeloupe (hierna: BNP) heeft ten behoeve van de financiering van de bouw van het schip aan STMB een hypothecaire geldlening verstrekt. 2.3 Partijen hebben op 20 mei 2010 een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten op grond waarvan Saga het MS Sirena vanuit Philipsburg te Sint Maarten chartert voor USD 3.500,- per dag. 2.4 STMB heeft het MS Sirena op 30 mei 2010 overeenkomstig de overeenkomst ter beschikking gesteld aan Saga. 2.5 Op 19 februari 2011 heeft BNP conservatoir beslag gelegd op het MS Sirena. 2.6 Door middel van een op 28 juni 2011 gedateerde brief aan STMB heeft Saga van STMB schadevergoeding gevorderd ten bedrage van in totaal USD 133.550,81, alsmede de verschuldigdheid van de wettelijke rente aangezegd. 3De beoordeling in conventie en in reconventie Bevoegdheid Hof 3.1 STMB heeft zich ter gelegenheid van pleidooi in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Hof niet bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu partijen blijkens de door Saga (ter gelegenheid van het mondeling pleidooi in hoger beroep) als nadere productie overgelegde tijdbevrachtingsovereenkomst een rechts- en forumkeuze hebben gemaakt voor het beslechten van tussen hen bestaande geschillen door arbiters te Guadeloupe en met toepassing van het recht van Guadeloupe (box 35 van de tijdbevrachtingsovereenkomst). Saga heeft hiertegen aangevoerd dat dit verweer tardief is gevoerd, nu dit niet tegelijk met het verweer op de hoofdzaak is voorgesteld. 3.2 Met Saga is het Hof van oordeel dat het beroep op de in de tijdbevrachtingsovereenkomst opgenomen forum- en rechtskeuze tardief is aangevoerd. Het Hof zal aan dit verweer dan ook voorbij gaan. Toepasselijk recht 3.3 Voorts heeft STMB als verweer gevoerd dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, zodat op basis van de regels van het internationaal privaatrecht de leer van de karakteristieke prestatie moet worden toegepast. Dit leidt er volgens STMB toe dat Frans recht van toepassing is. Ook dit verweer faalt. Bij gebreke aan een rechtskeuze is op een internationale overeenkomst in beginsel van toepassing de wet van het land waar de partij is gevestigd die de kenmerkende prestatie moet verrichten. Met STMB is het Hof van oordeel dat de kenmerkende prestatie van de overeenkomst het ter beschikking stellen van het schip is, zodat in beginsel het recht van het land waar STMB is gevestigd (te weten Frans recht) van toepassing is. Van voormeld uitgangspunt kan echter worden afgeweken indien omstandigheden bestaan welke zodanige aanknopingspunten opleveren met het recht van een ander land, dat het recht van dit andere land de overeenkomst behoort te beheersen. Daarvan is in dit geval sprake. Het MS Sirena is door STMB steeds in Sint Maarten aan Saga ter beschikking gesteld, Saga diende het schip voor haar wekelijkse routes vanaf Sint Maarten in te zetten en zij diende het schip ook weer te Sint Maarten aan STMB te retourneren. Aldus heeft de (uitvoering van) de overeenkomst tussen partijen zodanige aanknopingspunten met de rechtssfeer van Sint Maarten, dat het recht van Sint Maarten de overeenkomst dient te beheersen. 3.4 Het Hof zal de zaak dan ook naar Sint Maartens recht beoordelen. in conventie 3.5 Saga heeft in eerste aanleg - kort samengevat – gevorderd dat STMB wordt veroordeeld tot betaling aan haar van (onder meer) US$ 133.550,81 ter zake van door Saga geleden schade als gevolg van niet nakoming van de charterovereenkomst door STMB. Het GEA heeft geoordeeld dat niet aan het voor schadevergoeding vereiste condicio sine qua non-verband is voldaan en de vordering, vanwege de erkenning door STMB van de verschuldigdheid daarvan, tot een bedrag van US$ 70.172,97 toegewezen. 3.6 Het hoger beroep van Saga richt zich tegen het oordeel van het GEA dat tussen de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door STMB en de door Saga geleden schade als gevolg van deze tekortkoming, geen causaal verband bestaat (grief 1). Volgens Saga zijn partijen overeengekomen dat Saga bepaalde kosten voor STMB voor zou schieten, deze kosten aan STMB zou factureren en vervolgens zou verrekenen met de door haar aan STMB te betalen chartervergoeding. Nu Saga het MS Sirena vanwege het beslag niet meer kon charteren, heeft zij deze voor en namens STMB betaalde kosten niet meer kunnen verrekenen. Hierdoor heeft zij schade geleden, welke schade - van in totaal US$ 133.550,81 - STMB is gehouden te vergoeden, aldus nog steeds Saga. STMB heeft hiertegen aangevoerd dat de gestelde kosten, behoudens de kosten die door haar zijn erkend, krachtens de afspraken tussen partijen ten laste van Saga komen. 3.7 Dienaangaande geldt als volgt. 3.8 Vast staat dat op het MS Sirena beslag is gelegd en dat Saga het schip daardoor niet (meer) heeft kunnen charteren. Niet is in geschil dat STMB derhalve als gevolg van het beslag toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. De door deze tekortkoming door Saga geleden schade dient STMB te vergoeden, mits tussen de tekortkoming en de schade causaal verband bestaat. 3.9 Als tussen partijen niet in geschil zijnde staat voorts vast dat Saga bepaalde kosten voor STMB heeft voorgeschoten en dat zij deze met de door haar te betalen charterfees mocht verrekenen. Blijkens de stellingen van partijen en de overgelegde overeenkomst maakt deze afspraak geen onderdeel uit van de charterovereenkomst, maar betreft het een afzonderlijke afspraak tussen partijen. Dit brengt mee dat van een causaal verband tussen de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de charterovereenkomst en schade ten gevolge van het niet kunnen verrekenen, geen sprake is. De op de toerekenbare tekortkoming gebaseerde vordering is daarom niet toewijsbaar. 3.10 Evenmin is, zoals Saga in haar eerste grief voorts heeft betoogd, van onverschuldigde betaling sprake. Uit de stellingen van Saga volgt immers dat zij de betaling op grond van de afspraak met STMB heeft voldaan, zodat de betalingen niet zonder rechtsgrond zijn verricht. 3.11 Met Saga is het Hof van oordeel dat STMB door de door Saga voor en namens haar verrichte betalingen ten koste van Saga ongerechtvaardigd is verrijkt. Enerzijds is Saga verarmd, omdat zij kosten heeft betaald die ten laste van STMB dienen te komen. Anderzijds is STMB verrijkt, omdat zij deze voor haar rekening komende kosten niet heeft voldaan terwijl de daar tegenover staande prestaties wel ten gunste van haar zijn gekomen en/of verricht. Voor deze verrijking van STMB ten koste van Saga is geen redelijke grond aanwezig. STMB is in beginsel dan ook gehouden het bedrag waarvoor zij ten koste van Saga is verrijkt, aan Saga te betalen. 3.12 Blijkens de stellingen van Saga is STMB ongerechtvaardigd verrijkt tot een bedrag van US$ 133.550,81. Dit bedrag ziet volgens Saga op door haar ten behoeve van STMB betaalde kosten van medische behandelingen en voeding van bemanningsleden, verwerking van afval, betaling van gages en kosten van transport van bemanningsleden, kosten van telecommunicatie, agentschapsvergoedingen en kosten van bevoorrading, bunkeren en reparatie van het MS Sirena. STMB heeft hiertegen aangevoerd dat de gestelde kosten, behoudens voor zover zij de verschuldigdheid daarvan heeft erkend, op grond van de overeenkomst tussen partijen ten laste van Saga komen en dat de (omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.