← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2016:177

HLAR 77732/15 Datum uitspraak: 22 december 2016 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de naamloze vennootschap Comestibles Preferible Arubano N.V. (hierna: Compra), gevestigd in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 16 november 2015 in zaak nr. LAR nr. 1505 van 2015 in het geding tussen: Compra en de minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport. Procesverloop Bij brief van 6 augustus 2014 heeft de minister het verzoek van Compra van 9 augustus 2013 om haar toestemming te verlenen vlees uit Colombia te importeren afgewezen. Bij beschikking van 22 juni 2015 heeft de minister beslist op het daartegen door Compra gemaakte bezwaar en de afwijzing gehandhaafd. Bij uitspraak van 16 november 2015 heeft het Gerecht het daartegen door Compra ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd, zelf in de zaak voorzien en het door Compra gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft Compra hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2016, waar Compra, vertegenwoordigd door haar directeur Hubert A. Dirkz, bijgestaan door mr. E.J.M. Cafarzuza, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.L. Ras-Orman, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen. Overwegingen Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan. Ingevolge artikel 5a, aanhef en onder a, van de Slacht- en keuringsverordening kan, onverminderd het bepaalde in de Landsverordening invoer kleine dieren (A.B. 1988, no. GT 43), en onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, eerste lid, bij of krachtens beschikking van de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid tot wering van enige besmettelijke veeziekte de in- en doorvoer worden verboden of niet dan onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan van: vee, vlees, eieren, melk en melkproducten, huiden en aanhangsels van huiden en andere van vee of pluimvee afkomstige producten, mest en veevoeder. Ingevolge artikel 1 van de Regeling in- en doorvoer van vlees en vleeswaren niet afkomstig uit de Verenigde Staten of de Europese Unie (hierna: de Regeling) is de invoer van vlees en vleeswaren afkomstig uit andere slachthuizen dan die in de Verenigde Staten van Amerika of in een lidstaat van de Europese Unie verboden, tenzij het vlees of de vleeswaren afkomstig zijn van een slachthuis dat is goedgekeurd voor export naar de Verenigde Staten van Amerika of de lidstaten van de Europese Unie. Bij ministeriële regeling van 25 juni 2004 (A.B. 2004, no. 43) is de Regeling gewijzigd en is artikel 1, tweede lid, van de Regeling vervallen. Het tweede lid bepaalde dat het in het eerste lid bedoelde verbod niet van toepassing was op vlees afkomstig uit een slachthuis in Colombia, mits het slachthuis een geldige goedkeuring had van een ambtenaar belast met de leiding van de Veterinaire Dienst van Aruba en voldaan werd aan de in die goedkeuring gestelde voorwaarden, en mits het desbetreffende vlees vergezeld was van een recentelijk afgegeven goedkeuring van het Institutio Colombiano Agropecuario. De voor de inwerkingtreding van deze wijziging gegeven goedkeuringen bleven gedurende één jaar na inwerkingtreding van de wijziging van kracht. Het Gerecht heeft het door Compra tegen de brief van 6 augustus 2014 bij de minister gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit volgens het Gerecht niet is gericht tegen een beschikking in de zin van 2, eerste lid, van de Lar. Daartoe heeft het overwogen dat die brief niet is gericht op enig rechtsgevolg, omdat daarin volgens het Gerecht slechts informatie wordt gegeven over de ingevolge de Slacht- en keuringsverordening en de Regeling bestaande onmogelijkheid om vlees uit Colombia te importeren, nu dat vlees niet afkomstig is van een slachthuis in de Verenigde Staten van Amerika of een slachthuis in een lidstaat van de Europese Unie, noch van een goedgekeurd slachthuis in Colombia. Compra betoogt terecht dat het Gerecht met deze overweging heeft miskend dat de minister in de brief van 6 augustus 2014 heeft geweigerd haar toe te staan vlees uit Colombia te importeren en die brief aldus op enig rechtsgevolg is gericht. Dat rechtstreeks uit de Regeling voortvloeit dat de invoer van vlees afkomstig uit Colombia verboden is, laat onverlet dat de minister daarbij moest beoordelen of de in die bepaling gegeven uitzondering zich voordeed. In de brief van 6 augustus 2014 heeft de minister beslist dat die uitzondering zich in dit geval niet voordoet. Aldus heeft de minister in die brief een bindend, op rechtsgevolg gericht besluit genomen. Derhalve is die brief een beschikking, in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar. Het standpunt van de minister in deze procedure is voorts niet verenigbaar met wat de minister eerder ten overstaan van het Hof als burgerlijke rechter heeft betoogd, te weten dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is om van het voorliggende geschil kennis te nemen. Het Hof heeft in die civiele procedure in navolging daarvan bij vonnis van 26 maart 2013 (ECLI:NL:OGHACMB:2013:BZ8849) overwogen dat het aan Compra is om door het indienen van een aanvraag inzake invoer in Aruba van vlees afkomstig van Colombia een bestuursrechtelijke procedure te starten en aldaar antwoord te krijgen op de vraag, of zij vlees en vleesproducten afkomstig uit Colombia kan invoeren in Aruba, hetgeen Compra heeft gedaan, waarna de minister de in deze procedure bestreden beschikking van 6 augustus 2014 heeft genomen. Het Gerecht heeft het beroep derhalve op onjuiste gronden gegrond en het door Compra gemaakte bezwaar ten onrechte niet‑ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. 4.

  1. Ter zitting hebben beide partijen desgevraagd te kennen gegeven te wensen dat het Hof bij vernietiging van de aangevallen uitspraak het tegen de beschikking van 22 juni 2015 ingestelde beroep, doende hetgeen het Gerecht zou behoren te doen, inhoudelijk behandelt. Daarvoor pleit voorts dat het in deze procedure voorliggende geschil partijen al verdeeld houdt sinds Compra bij brief van 10 mei 2005 de minister heeft verzocht de wijziging van de Regeling waarbij artikel 1, tweede lid, van de Regeling is vervallen, in te trekken. Sedertdien zijn door de burgerlijke rechter en de bestuursrechter uitspraken in deze zaak gedaan, waaronder de onderscheiden vonnissen in kort geding van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 29 juni 2005 (no. 1499 van 2005) en 11 januari 2012 (no. 2825 van 2011), het laatste vonnis gevolgd door eerdergenoemd vonnis in hoger beroep van 26 maart 2013, waarbij de burgerlijke rechter in dit geval de bestuursrechter bevoegd heeft geacht. In deze procedures hebben partijen zich inhoudelijk over dit geschil kunnen uitlaten en dat hebben zij ook gedaan. Derhalve bieden de stukken, in samenhang met het verhandelde ter zitting, voldoende grond om het beroep inhoudelijk af te doen.
  2. Compra betoogt dat in het vonnis in kort geding van 29 juni 2005 is overwogen dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de wijziging van de Regeling onverbindend is wegens strijd met artikel 5a van de Slacht- en keuringsverordening en dit artikel buiten toepassing moet worden gelaten. Ook in het vonnis in kort geding van 11 januari 2012 is overwogen dat de wijziging van de Regeling buiten toepassing moet worden gelaten. Indien zij aan alle wettelijke vereisten voor de import van vlees heeft voldaan, moet de minister er voor zorgdragen dat een ambtenaar van de Veterinaire Dienst van Aruba een keuring verricht van het slachthuis in Colombia van waaruit zij vlees wil importeren, aldus Compra. 5.
  3. Dit betoog faalt. In het vonnis in kort geding van 11 januari 2012 is overwogen dat uit het vonnis van 29 juni 2005 volgt dat de vervallenverklaring van artikel 1, tweede lid, van de Regeling buiten toepassing moet worden gelaten en import uit Colombia moet worden toegestaan, indien het slachthuis van waaruit Compra vlees wenst te importeren een geldige goedkeuring heeft van een ambtenaar belast met de leiding van de Veterinaire Dienst van Aruba, terwijl ook aan de overige in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan. Weliswaar is het vonnis van 11 januari 2012 in hoger beroep bij vonnis van het Hof van 26 maart 2013 vernietigd, maar daarbij heeft het Hof geen inhoudelijk oordeel gegeven over de in het vonnis van 11 januari 2012 gebezigde overwegingen over het buiten toepassing laten van artikel 1, tweede lid, van de Regeling. Dat op grond van de door Compra genoemde vonnissen in kort geding de vervallenverklaring van artikel 1, tweede lid, van de Regeling, buiten toepassing moet worden gelaten, brengt, wat daar verder van zij, echter niet met zich dat de minister het slachthuis in Colombia van waaruit Compra vlees wil importeren door een ambtenaar van de Veterinaire Dienst van Aruba moet laten keuren. Daartoe wordt overwogen dat de minister bij die beslissing beleidsruimte heeft en blijkens het vonnis van 11 januari 2012 heeft gesteld, dat keuring ter bescherming van de volksgezondheid en de voedselveiligheid in de vorm van integrale ketenbewaking dient te geschieden, de keuring van individuele slachthuizen daarvan slechts een beperkt onderdeel is en het alleen keuren van een individueel slachthuis niet zinvol is. Dat is door Compra niet bestreden, althans niet op een zodanige wijze dat het Hof tot het oordeel komt dat de minister zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen. In het vonnis van 11 januari 2012 is voorts overwogen, dat door de minister aannemelijk is gemaakt dat keuring volgens integrale ketenbewaking een langdurig en omvangrijk proces is en de Veterinaire Dienst van Aruba niet beschikt over voldoende mensen en middelen om dit transparant en consistent uit te voeren. Hetgeen Compra heeft aangevoerd geeft het Hof geen aanleiding daarover anders te oordelen. De slotsom is dat de minister de afwijzing van het verzoek van Compra om haar toestemming te verlenen om vlees uit Colombia te importeren bij beschikking van 22 juni 2015 in redelijkheid heeft kunnen handhaven. 5.
  4. Het beroep is ongegrond.
  5. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 16 november 2015 in zaak nr. LAR nr. 1505 van 2015; III. verklaart de in die zaak door de naamloze vennootschap Comestibles Preferible Arubano N.V. ingestelde beroep ongegrond; IV. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport tot vergoeding van bij de naamloze vennootschap Comestibles Preferible Arubano N.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 1.400,-- (zegge: duizend vierhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat de minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport aan de naamloze vennootschap Comestibles Preferible Arubano N.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,-- (zegge: vijf en zeventig gulden) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier. w.g. Van der Poel voorzitter w.g. Beerse griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2016 Verzonden: 22 december 2016

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.