← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2017:123

Burgerlijke zaken over 2017 Beschikking no.: Registratienummer: E 79531/16 - H 9/17 Uitspraak: 24 oktober 2017 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba B E S C H I K K I N G in de zaak van: [DE MAN], wonende in Curaçao, oorspronkelijk verzoeker, thans appellant, gemachtigde: E. Cijntje, tegen [DE VROUW], wonende in Curaçao, oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. G.C.A. Scheperboer-Parris. De partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij geschrift (beroepschrift) van 18 januari 2017 is de man in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 10 januari 2017 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA). Bij "beroepschrift" (aanvullend beroepschrift) van 17 februari 2017 heeft hij het hoger beroep aangevuld. 1.2 De vrouw heeft een verweerschrift met een productie ingediend. 1.3 Het hoger beroep is mondeling behandeld op 12 september

  1. Partijen en hun gemachtigden zijn verschenen en gehoord. De man heeft pleitaantekeningen overgelegd, met producties. De vrouw heeft een productie overgelegd (een ontslagbrief). Beschikking is aangezegd en bepaald op heden. 2De beoordeling 2.1 Partijen zijn op 18 december 2014 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren. 2.2 In dit geding heeft de man echtscheiding verzocht. De vrouw heeft een zelfstandig verzoek om partneralimentatie gedaan. Het GEA heeft bij beschikking van 25 oktober 2016 de echtscheiding uitgesproken en bij beschikking van 10 januari 2017 de door de man te betalen partneralimentatie bepaald op NAf 200,00 per maand. 2.3 Het hoger beroep van de man is erop gericht dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld, omdat de man geen draagkracht heeft en de vrouw geen behoefte. Subsidiair heeft hij het Hof verzocht in de beschikking tot uitdrukking te brengen dat de duur van de alimentatieplicht beperkt is tot achttien maanden. 2.4 De vrouw heeft bij verweerschrift in hoger beroep verzocht om vaststelling van een hoger bedrag aan partneralimentatie dan NAf 200,00 per maand, maar bij de mondelinge behandeling heeft zij te kennen gegeven akkoord te gaan met dat door het GEA vastgestelde bedrag. 2.5 Enerzijds moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de man en anderzijds met de behoefte van de vrouw. 2.6 Het Hof verenigt zich met de uitgangspunten die het GEA heeft genoemd ter bepaling van de draagkracht van de man, maar leidt uit die uitgangspunten af dat de man draagkrachtruimte heeft voor slechts NAf 100,
  2. Van zijn neveninkomsten uit appartementenverhuur of werkzaamheden als monteur is onvoldoende gebleken om een hogere draagkrachtruimte te kunnen aannemen. Er is geen reden om zijn schulden buiten beschouwing te laten. 2.7 Vast staat dat de vrouw bij een snackbar heeft gewerkt, maar aangenomen moet worden dat zij daar inmiddels is ontslagen. Vast staat dat de vrouw enige inkomsten heeft doordat zij eten klaarmaakt en verkoopt vanuit huis. Niettemin is het Hof van oordeel dat de vrouw een zodanige behoefte heeft dat een partneralimentatie van NAf 100,00 in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. 2.8 Het Hof zal de alimentatieverplichting dus op NAf 100,00 stellen. Het Hof zal de betalingsverplichting laten ingaan op dezelfde datum als het GEA heeft gedaan. Ter terechtzitting is gebleken dat de man de door de eerste rechter vastgestelde alimentatie niet heeft betaald. Daarom roept de door het Hof te hanteren ingangsdatum geen terugbetalingsverplichting voor de vrouw in het leven, maar wordt daardoor de betalingsachterstand die de man inmiddels heeft, verlaagd. Die uitkomst acht het Hof redelijk. 2.9 De man heeft terecht aangevoerd dat sprake is van een kortdurend kinderloos huwelijk. Ingevolge art. 1:157 lid 6 BW eindigt de alimentatieplicht daarom van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Aangezien dit rechtsgevolg voortvloeit uit de wet, is het niet nodig dat dit rechtsgevolg ook tot uitdrukking wordt gebracht in het dictum van deze beschikking. 2.10 Gelet op de aard van het geschil en de hoedanigheid van partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. B E S L I S S I N G Het Hof: vernietigt de bestreden beschikking van 10 januari 2017; en opnieuw rechtdoende: bepaalt de door de man maandelijks te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op een bedrag van NAf 100,00, ingaande op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte; compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.