LARAUA2017H00040 Datum uitspraak: 12 december 2017 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 24 april 2017 in zaak nr. Lar 2689 van 2016/AUA201600628, in het geding tussen: appellante en de minister van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur. Procesverloop Bij verzoek van 2 februari 2016 heeft appellante de minister verzocht om haar een taxivergunning te verlenen. Appellante heeft tegen het uitblijven van een beschikking op haar verzoek bezwaar gemaakt. Op 26 oktober 2016 heeft appellante tegen het met een afwijzende beschikking gelijk gestelde uitblijven van een beschikking (hierna: de fictieve afwijzende beschikking) op haar bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 24 april 2017 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2017, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.A.J. van der Biezen, advocaat, en de minister vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, procesgemachtigde bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen. Overwegingen Voor de tekst van de relevante wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak. Appellante betoogt dat het Gerecht het beroep ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard, omdat de minister op woensdag 31 augustus 2016 nog tijdig een beslissing had kunnen nemen op het bezwaar van appellante, waardoor de minister door het niet nemen van een beslissing op het bezwaar op donderdag 1 september 2016 in gebreke is geraakt. De beroepstermijn is dan ook op die dag ingegaan en is op donderdag 27 oktober 2016 geëindigd, aldus appellante. Voorts voert appellante aan dat zelfs indien de minister op 31 augustus 2016 in gebreke zou zijn geraakt, dan nog het beroepschrift op 26 oktober 2016 tijdig is ingediend, daar acht weken na woensdag 31 augustus 2016 op woensdag 26 oktober 2016 eindigt. Appellante heeft op 7 juni 2016 bezwaar gemaakt. Zoals het Gerecht heeft overwogen, dient met toepassing van artikelen 15, aanhef en onder a (twee weken), artikel 19, eerste lid (vier weken) en artikel 20, eerste lid (zes weken) van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), te worden aangenomen dat het bestuursorgaan op 31 augustus 2016 in gebreke is geraakt tijdig op het bezwaarschrift te beslissen. Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Lar, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift indien het beroepschrift betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het bezwaar, acht weken en gaat deze in op de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt tijdig op het bezwaar te beslissen, in dit geval op 31 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.