Burgerlijke zaken over 2017 Vonnisno.: Registratienummer: KG 78225 - H 40/16 Uitspraak: 29 augustus 2017 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba VONNIS In kort geding in de zaak van: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], beiden wonende te [woonplaats 1], oorspronkelijk gedaagden in conventie, eisers in reconventie, thans geIntimeerden, hierna ook te noemen: [geïntimeerden], gemachtigden: mrs. A.J. Henriquez en R.C. Luttikhuizen, tegen [geïntimeerde 3], wonende te [woonplaats 2], oorspronkelijk eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, thans geIntimeerde, hierna ook te noemen: [geïntimeerde 3], in hoger beroep niet verschenen. 1. Het verdere verloop van de procedure 1.1. Voor het eerdere verloop van de procedure verwijst het Hof naar het op 16 mei 2017 door dit Hof gewezen tussenvonnis. 1.2. De griffier heeft dit hoger beroep aanvankelijk belast met een griffierecht van NM 900,00. Bij tussenvonnis van het Hof van 16 mei 2017 zijn [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 13 juni 2017 NM 5.900,00 aan nageheven griffierecht te betalen en op de rol van die datum een akte te nemen. Nu [geïntimeerden] voomoemde tussenvonnis als gevolg van een administratieve fout van het Hof eerst op 8 juni 2017 hadden ontvangen, heeft het Hof de zaak naar de rol van 25 juli 2017 verwezen voor het nemen van de desbetreffende akte. 1.3. Bij op 14 juni 2017 bij het GEA binnengekomen verzetschrift ex artikelen 35 en 36 van het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Ltbz) met producties hebben [geïntimeerden] zich verzet tegen het uiteindelijk op NM 6.800,00 vastgestelde griffierecht. 1 1.4. [ geïntimeerden] hebben het nageheven griffierecht niet betaald. Op de rolzitting van 25 juli 2017 hebben zij de 'akte uitlating betaling griffierecht' niet genomen, maar volstaan met verwijzing naar en overlegging van een kopie van het hiervoor onder 1.2. genoemde verzetschrifl met producties. De zaak is naar de ml van 29 augustus 2017 verwezen voor vonnis. 1.5. Bij e-mail van 17 augustus 2017 heeft het Hof mr. Henriquez voornoemd meegedeeld dat in dit vonnis tevens zal worden beslist op het verzet ex artikelen 35 en 36 Ltbz. 2. De beoordeling van het verzet ex art. 35 en 36 Ltbz, tevens verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis heeft het Hof vastgesteld dat de financiele administratie ter gelegenheid van het instellen van het hoger beroep van [geïntimeerden] een voorschot van vermoedelijke griffierechten groot NAf 900,00 heeft ontvangen. De vordering van [geïntimeerde 3] in eerste aanleg (in conventie) strekt onder meer tot nakoming door [geïntimeerden] van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst door bij de notaris mee te werken aan de levering van het registergoed te [adres 1]. Vast staat dat de koopprijs NAf 340.000,00 bedraagt. (De griffier van) het Hof heeft ingevolge artikel 20 lid 3 in verbinding met artikel 20 leden 2 sub f en 7 Ltbz het direct geldelijk belang van het hoger beroep dan ook op het bedrag van NM 340.000,00 gewaardeerd en het in hoger beroep te betalen griffierecht alsnog vastgesteld op NAf 6.800,00 (in plaats van NAf 900,00). Nu [geïntimeerden] al NM 900,00 griffierecht hadden betaald zijn zij in de gelegenheid gesteld het nageheven bedrag van NM 5.900,00 uiteindelijk uiterlijk op 25 juli 2017 te betalen. 2.2. [ geïntimeerden] hebben een verzetprocedure op grond van de Ltbz aanhangig gemaakt. Een appellant die meent dat het bedrag ten onrechte is nageheven, kan verzet instellen, maar moet niettemin tijdig binnen de bij tussenvonnis gestelde termijn het nageheven bedrag betalen. Artikel 36 lid 1 Ltbz luidt: "Gedurende een maand na de mededeling van de uit het voorschot verrekende rechten en verschotten, en bij rechtstreekse betaling daarvan, binnen een maand na die betaling kunnen in het eerste geval de voorschotgever, in het tweede geval hij die de rechten en verschotten betaalde, bij het Gerecht of het Hof ter griffie waarvan voorschot werd gestort of werd betaald (...) tegen de beslissing van de griffier, bij verzoekschrift, in verzet komen." Indien het verzet slaagt, wordt het te veel geheven en betaalde bedrag terugbetaald of verrekend. 2.3. Hoewel zij daartoe door het Hof in de gelegenheid zijn gesteld, hebben [geïntimeerden] verzuimd het nageheven griffierecht te betalen. [geïntimeerden] dienen daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de verzetprocedure. Het Hof zal aldus beslissen. 2.4. Overigens geldt dat, ook indien [geïntimeerden] het nageheven griffierecht — tijdig — hadden betaald, het verzet ongegrond zou zijn verklaard. Daartoe overweegt het Hof als volgt. 2 2.5. [ geïntimeerden] onderbouwen het verzet als volgt. Het Hof, althans de griffier, heeft in het tussenvonnis van 16 mei 2017 ten onrechte verwezen naar artikel 20 lid 2 (sub 1), leden 3 en 7 Ltbz. [geïntimeerde 3] heeft in eerste aanleg NAf 450,00 betaald aan griffierechten. Hieruit volgt dat het GEA, dan wel de griffier, op grond van artikel 20 lid 3 Ltbz heeft geoordeeld dat het tweede lid van voomoemd artikel niet van toepassing was en dat het tarief van NM 450,00 gold in de kort geding procedure waar het her om gaat. 2.6. In hoger beroep verzoeken [geïntimeerden] het Hof primair om het vonnis van het GEA te vernietigen en [geïntimeerde 3] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering en subsidiair dat vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van [geïntimeerde 3] tot nakoming of te wijzen. Deze vorderingen betreffen volgens [geïntimeerden] geen betaling van een geldsom zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 sub b, c en d Ltbz. In artikel 20 lid 7 wordt bepaald dat het vast recht bij het Hof het tweevoud bedraagt van dat bij het Gerecht. [geïntimeerden] betogen dat zij bij het indienen van de memorie van grieven terecht NAf 900,00 aan griffierechten hebben betaald. 2.7. Verder stellen [geïntimeerden] dat zij minvermogend zijn, althans niet in staat om NAf 5.900,00 aan aanvullende griffierechten te betalen. Daar komt bij dat [geïntimeerde 3] in eerste aanleg de mogelijkheid heeft gekregen om NAf 450,00 aan griffierecht te betalen, terwijl het Hof, althans de griffier in het hoger beroep het verschuldigde griffierecht plots afhankelijk stelt van een vergezocht geldelijk belang, waardoor dit op een veel hoger bedrag uitkomt dan het dubbele van het in eerste aanleg betaalde griffierecht. [geïntimeerden] worden daarom in emstige mate benadeeld in hun hoger beroep. De onmogelijkheid tot betaling van het griffierecht en de daarmee samenhangende blokkering van een toegang tot de rechter, in casu het Hof, is in strijd met artikel 6 EVRM. De beslissing van het Hof in zijn tussenvonnis van 16 mei 2017 leidt tot een resultaat dat Met voldoet aan de eisen van een eerlijk proces, aldus nog steeds [geïntimeerden] 2.8. Het Hof stelt voorop dat voor de berekening van het griffierecht moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het hoger beroep is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd. Zo kan ook een verklaring voor recht worden aangemerkt als een vordering met een bepaalde waarde indien daarbij een concreet schadebedrag wordt genoemd, hoewel niet de betaling van dit bedrag wordt gevorderd (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1014 en ECLI:NL:PHR:2017:287). 2.9. Verder geldt ook in kort geding dat indien de eisende partij een direct geldelijk belang heeft dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd, dit bedrag bepalend is voor de hoogte van het verschuldigde griffierecht (artikel 20 lid 3 Ltbz, tweede zin). In kortgedingprocedures geldt dus niet altijd het tarief van NAf 450,00 (zie ook art. 129 van het Procesreglement). 2.10. [ geïntimeerde 3] heeft in eerste aanleg in kort geding, voor zover thans van belang, gevorderd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.