Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.: Registratienummers: AR 1536/12 - AUA201700156 - HAR 10/18 Uitspraak: 23 maart 2018 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S op de vordering tot (onder meer) schorsing in de zaak van: de vennootschap naar buitenlands recht VEOLIA WATER SOLUTIONS & TECHNOLOGIES NORTH AMERICA INC., voorheen N.A. Water Systems, LLC, gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika, oorspronkelijk gedaagde, thans appellante, eiseres tot schorsing, gemachtigden: mrs. B.J. Huiskes en R.M.T. van den Bosch, tegen de naamloze vennootschap ALBO ARUBA N.V., gevestigd in Aruba, oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde, verweerster tegen de vordering tot schorsing, gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en M.A. Kock. De partijen worden hierna Veolia en Albo genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij akte van appel van 4 oktober 2017 is Veolia in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 19 november 2014, 24 augustus 2016 en 23 augustus 2017 uitgesproken vonnissen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder respectievelijk: het eerste tussenvonnis, het tweede tussenvonnis, het eindvonnis en het GEA). 1.2 Bij op 15 februari 2018 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, getiteld 'akte', met producties, heeft Veolia gevorderd, samengevat weergegeven, dat het Hof de tenuitvoerlegging van het eindvonnis zal schorsen en de door Albo getroffen executoriale maatregelen zal opheffen, althans Albo zal bevelen een bankgarantie terug te geven op straffe van verbeurte van dwangsommen, met veroordeling van Albo in de kosten. 1.3 Bij op 12 maart 2018 ingekomen verweerschrift, met een productie, heeft Albo geconcludeerd tot gedeeltelijke onbevoegdverklaring, althans afwijzing van de vorderingen van Veolia, met haar veroordeling in de kosten. 1.4 Op 19 maart 2018 hebben partijen pleitnotities ingediend. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden. 2De beoordeling 2.1 Bij de beoordeling van een vordering op de voet van art. 272 Rv moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Hierbij is een belangrijk gezichtspunt dat het GEA de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Bij de afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing. Indien het GEA zijn beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft gemotiveerd, zal de veroordeelde die schorsing van de tenuitvoerlegging wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door het GEA gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van het GEA hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien een dergelijke motivering ontbreekt, zoals in dit geval, geldt die eis niet. 2.2 In voorgaand toetsingskader ligt besloten dat de vordering toegewezen wordt, indien degene die de veroordeling verkreeg, mede gelet op de belangen aan de zijde van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het ten uitvoer te leggen vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de veroordeelde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. 2.3 In dit geding heeft het GEA vastgesteld dat het Arubaanse bouwbedrijf Albo bij overeenkomst van 17 november 2010 delen van een Arubaans bouwproject in onderaanneming heeft aangenomen van het Amerikaanse bedrijf Veolia, dat zich bezig houdt met het ontwerpen en bouwen van waterzuiveringsinstallaties. Albo is aangevangen met de werkzaamheden. Zij heeft die op 8 mei 2012 gestaakt. Partijen verwijten elkaar over en weer toerekenbare tekortkoming. Zij hebben over en weer vorderingen ingesteld. Bij vonnis van 23 augustus 2017 heeft het GEA (onder meer) bevelen gegeven om bepaalde bedragen nader bij schadestaat te bepalen ter vereffening volgens de wet en Veolia veroordeeld tot betaling van US$ 2.894.968,97 met contractuele rente. Het GEA heeft de veroordelingen in zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het bedrag van US$ 2.894.968,97 is de uitkomst van de volgende berekening van het GEA: a. Restant aanneemsom US$ 1.225.831,34 b. Veldlaminaties 1.232.149,38 c. Dakbedekking 378.389,07 d. Fundering beachwell 58.599,18 ----------------------- + US$ 2.894.968,97 2.4 Veolia heeft aangevoerd dat het GEA een kennelijke denkfout c.q. rekenfout heeft gemaakt met betrekking tot vordering b betreffende veldlaminaties. 2.5 Over die vordering heeft het GEA, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. In rov. 4.36-4.38 van het eerste tussenvonnis heeft het GEA te kennen gegeven dat de vordering aan de orde zal worden gesteld bij een comparitie van partijen (met plaatsopneming). In het tweede tussenvonnis wordt het bedrag genoemd in het kopje boven rov. 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.