← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2018:11

Burgerlijke zaken over 2018 Beschikking no.: Registratienummer: AR 78075/16 en 79404/16 - HAR 56/17 Uitspraak: 9 januari 2018 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba B E S C H I K K I N G in de zaak met nummer 78075 van: [verzoekers 1 tot en met 96] verzoekers om vergunning voor tussentijds appel, gemachtigden: mrs. R.F. van den Heuvel en R.B. van Hees, tegen de naamloze vennootschap First Curaçao International Bank N.V., gevestigd in Curaçao, verweerster tegen het verzoek om vergunning voor tussentijds appel, gemachtigden: mrs. M.W.J.H. Welten en P.S. Bakker, en in de zaak met nummer 79404 van [verzoeker 1], in zijn hoedanigheid van liquidator van [verzoeker 4], gedaagde 4 in de gevoegde zaak, wonende te [adres], Verenigd Koninkrijk, verzoeker om vergunning voor tussentijds appel, gemachtigden: mrs. R.F. van den Heuvel en R.B. van Hees, tegen de naamloze vennootschap First Curaçao International Bank N.V. ("FCIB"), gevestigd in Curaçao, verweerster tegen het verzoek om vergunning voor tussentijds appel, gemachtigden: mr. M.W.J.H. Welten en mr. P.S. Bakker. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij verzoekschrift van 13 november 2017, met producties, hebben verzoekers het Hof verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, het tussen partijen gewezen en op 30 oktober 2017 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA) te vernietigen en zich onbevoegd te verklaren, althans vergunning te verlenen voor afzonderlijk hoger beroep van dat vonnis en verzoekers in de gelegenheid te stellen grieven te formuleren, kosten rechtens. 1.2 Op 5 december 2017 hebben partijen pleitnota's ingediend. 1.3 Beschikking is bepaald op heden. 2De beoordeling 2.1 Verzoekers hebben zich primair op het standpunt gesteld dat zij geen vergunning van het Hof behoeven voor afzonderlijk hoger beroep tegen het vonnis van het GEA, omdat het een deelvonnis is. 2.2 Dat standpunt is niet juist. Een vonnis wordt geen (gedeeltelijk) eindvonnis doordat in het vonnis een voorziening is getroffen met betrekking tot de proceskosten. Weliswaar is het vonnis in zoverre een eindvonnis dat het GEA zich in het dictum ervan onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van een deel van vordering II, maar tegen die eindvonniscomponent willen verzoekers niet appelleren. Zij willen uitsluitend appelleren tegen de tussenvonniscomponent van het vonnis. Daarvoor hebben zij vergunning van het Hof nodig. 2.3 Het Hof zal de gevraagde vergunning verlenen, omdat de proceseconomie ermee is gediend. 2.4 In hun pleitnota van 5 december 2017 hebben verzoekers reeds van grieven gediend. Omdat de pleitnota op de rolzitting van het Hof is ingediend, is betekening ervan aan FCIB niet nodig. In verband hiermee zal het Hof bepalen dat FCIB bevoegd is om binnen zes weken na heden een memorie van antwoord in te dienen, langs de gebruikelijke weg, waarna op de gebruikelijke wijze gelegenheid zal worden geboden voor pleidooi in hoger beroep. 2.5 De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindvonnis in hoger beroep. B E S L I S S I N G Het Hof: verleent verzoekers vergunning om afzonderlijk hoger beroep in te stellen van het vonnis van het GEA; verstaat dat het afzonderlijk hoger beroep reeds is ingesteld en dat reeds van grieven is gediend; bepaalt dat FCIB bevoegd is binnen zes weken na heden een memorie van antwoord in te dienen; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.