BURGERLIJKE ZAKEN 2018 VONNIS NO. Registratienrs. AUA201703594 en AUA2017H00271 KG 217/17 - Ghis 83436 – H 132/17 Uitspraak: 22 mei 2018 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Vonnis in kort geding in de zaak van: de naamloze vennootschap ARUBA HOTEL ENTERPRISES N.V., gevestigd in Aruba, hierna te noemen: AHE, oorspronkelijk gedaagde, thans appellante, gemachtigde: mr. R. Wix, tegen de naamloze vennootschap WRS INTERNATIONAL N.V., gevestigd in Aruba, hierna te noemen: WRS, oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde, gemachtigden: mrs. W.G.T.M. Kloes en J.L. Peterson. 1Het verloop van de procedure 1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met KG nummer 217 van 2017 in kort geding gewezen en op 8 maart 2017 uitgesproken vonnis. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd. 1.2. AHE is door op 9 maart 2017 een akte van hoger beroep in te dienen in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. Bij brief d.d. 10 maart 2017 heeft AHE om een spoedige behandeling gevraagd. In een op 14 maart 2017 ingekomen memorie van grieven heeft AHE twee grieven voorgedragen en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van WRS alsnog zal afwijzen, met veroordeling van WRS in de kosten van beide instanties. 1.3. Blijkens de stempel op de akte van hoger beroep heeft AHE het begrootte griffierecht betaald op 9 april 2017 en blijkens de kwitantie op 13 april 2017. 1.4. WRS heeft in een memorie van antwoord het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van AHE in de kosten van het beroep uitvoerbaar bij voorraad. 1.5. Op 17 oktober 2017, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen pleitaantekeningen, met over en weer bekende producties, ingediend. 1.6. Vonnis is nader bepaald op heden. 2De ontvankelijkheid AHE is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen. 3Griffierecht Het verschuldigde griffierecht is in dit kort geding te laat betaald (artikel 270 lid 5 jo artikel 271 jo artikel 235 Rv), maar het Hof zal daaraan, nu aan AHE desondanks gelegenheid is gegeven tot een verdere inhoudelijke behandeling (het dienen van pleidooi), geen consequenties verbinden, gelet op HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:284. 4Beoordeling 4.1. WRS huurt van AHE ruimte, waarin WRS een casino exploiteert. De vraag in dit kort geding is of AHE de toegang tot het casino kan ontzeggen aan de in de pokerwereld bekende pokerspeler Russell Wert Hamilton (hierna: Russ Hamilton), die via zijn onderneming Hamilton Casino Consultants Inc. door WRS is gecontracteerd om als consultant diensten te verlenen binnen het casino en die regelmatig poker speelt in het casino. Het GEA heeft deze vraag ontkennend beantwoord en het door WRS ter zake gevorderde veroordeling aan AHE gegeven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 4.2. Naar het voorlopig oordeel van het GEA (rov. 4.2), de Haviltex-maatstaf toepassende, valt Russ Hamilton, die nimmer strafrechtelijk is vervolgd of veroordeeld, niet onder het bereik van artikel 9.2 van de huurovereenkomst (‘having a criminal felony record or having been convicted of a crime of moral turpitude’). 4.3. Voorts valt Russ Hamilton volgens het GEA (rov. 4.3) niet onder de term ‘employees’ in artikel 10.6 van de huurovereenkomst. Evenmin – en met de uitleg van dit artikel 10.6 samenhangend – wordt volgens het GEA het door WRS, via Hamilton Casino Consultants Inc., contracteren van Russ Hamilton getroffen door het verbod in artikel 8 lid 1 van de casinovergunning van AHE, luidende: ‘Niemand mag in de in artikel 7 bedoelde lokaliteiten te werk worden gesteld zonder een door het Bestuurscollege daartoe verleende schriftelijke vergunning.’ 4.4. Volgens het GEA (rov. 4.4) is een reëel risico dat AHE haar casinovergunning verliest in dit kort geding niet aannemelijk geworden. 4.5. Hiertegen richt zich het appel van AHE tevergeefs. Het Hof sluit zich aan bij de voorshands gegeven oordelen van het GEA en maakt deze tot de zijne. Het voegt daaraan nog het volgende toe. 4.6 AHE noemt onder i),
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.