LARAUA2017H00047 en LARAUA2017H00048 Datum uitspraak: 24 januari 2018 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: Centrale Bank van Aruba (hierna: de Bank), gevestigd in Aruba appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 8 mei 2017 in zaaknummers AUA201600165 en AUA201600167, in het geding tussen: 1. de besloten vennootschap KPMG Accountants B.V. (hierna: KPMG) en 2. de naamloze vennootschap Ennia Caribe Leven (Aruba) N.V. en Ennia Caribe Schade (Aruba) N.V. (hierna: Ennia) en de Bank. Procesverloop Bij beschikking van 20 november 2015 heeft de Bank op de voet van artikel 15a van de Landsverordening toezicht verzekeringsbedrijf (hierna: de Ltv) bepaald dat de door Ennia voorgestelde accountant, de heer [A], en de overige partners van KPMG niet langer bevoegd zijn om de met betrekking tot Ennia de in de Ltv bedoelde verklaringen te ondertekenen. Bij beschikking van 9 augustus 2016 heeft de Bank het daartegen door KPMG onderscheidenlijk Ennia gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 mei 2017 heeft het Gerecht het door KPMG onderscheidenlijk Ennia daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking van 9 augustus 2016 vernietigd en bepaald dat de Bank binnen drie maanden een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van KPMG onderscheidenlijk Ennia, met in achtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de Bank hoger beroep ingesteld. KPMG en Ennia hebben een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak, samen met zaak nrs. LARAUA2017H00045 en LARAUA2017H00046, ter zitting behandeld op 3 november 2017, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.R.C. Brown, advocaat, en KPMG, vertegenwoordigd door mr. C. Bres, advocaat, en Ennia, vertegenwoordigd door mr. M.A. Kock, advocaat en, zijn verschenen. Overwegingen Voor de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak. Het Gerecht heeft overwogen dat tussen partijen geen geschil bestaat over de feiten en omstandigheden, die door de Bank aan de beschikking van 9 augustus 2016 ten grondslag zijn gelegd. Deze feiten en omstandigheden houden in dat [B] directeur van Ennia Caribe Holding N.V., aandeelhouder van Ennia, en voormalig bestuursvoorzitter van KPMG is. Hij is voorts samen met acht anderen, ieder voor gelijke delen, vennoot van de commanditaire vennootschap Emancipatie C.V., de verhuurder van het pand waarin KPMG op Curaçao kantoor houdt. Onder de vennoten zijn drie partners, waaronder [C], en drie voormalige partners van KPMG, en twee partners en een voormalig partner van Meijburg Caribbean, evenals KPMG ‘member firm’ van KPMG International. Beherend vennoot van Emancipatie C.V. is de naamloze vennootschap Respo N.V., waarvan [B] bestuurder is. In de beschikking van 9 augustus 2016 heeft de Bank zich op grond van deze feiten en omstandigheden op het standpunt gesteld, dat de partners van KPMG niet of niet meer de nodige waarborgen bieden dat zij hun taak met betrekking tot Ennia naar behoren zullen kunnen vervullen. Daarbij heeft de Bank artikel 34, eerste lid, van de door de ledenvergadering van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (de NBA) vastgestelde Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (hierna: de ViO) als uitgangspunt genomen en gesteld dat een lid van het assurance-team, voernoemde [C], een materieel gezamenlijk zakelijk belang heeft met een verbonden derde, [B] voornoemd. Het Gerecht heeft overwogen dat ingevolge artikel 9 van de ViO, artikel 34, eerste lid, van die verordening niet van toepassing is op de betrekking tussen KPMG en Ennnia. De Bank heeft laatst vermelde bepaling in dit geval als leidraad toegepast. Voorts heeft het Gerecht overwogen dat de Bank zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [C] lid van het assurance-team is, als bedoeld in die bepaling, omdat de Bank niet heeft gemotiveerd op welke wijze [C] rechtstreeks invloed op de uitkomst van de assurance-opdracht kan uitoefenen. Het Gerecht heeft verder overwogen dat in artikel 1 van de ViO een definitie van de term assurance-team wordt gegeven met een opsomming van personen die rechtstreeks invloed op de uitkomst van een assurance‑opdracht kunnen uitoefenen en dat de Bank niet heeft gemotiveerd dat, en waarom, [C] onder een van de opgesomde categorieën kan worden geschaard. Gegeven de toelichting op artikel 34 van de ViO heeft de Bank zich weliswaar terecht op het standpunt gesteld dat het gedeelde belang in dit geval een gezamenlijk zakelijk belang is, maar de Bank heeft ondeugdelijk gemotiveerd dat en waarom dit belang eveneens een materieel belang is, als bedoeld in die bepaling, inhoudende dat door deze zakelijke relatie het onaanvaardbaar risico ontstaat dat economische belangen het oordeel of de conclusie van de accountant over het assurance-object of de verantwoording daarover beïnvloeden. Voor zover de Bank in het verweerschrift en ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat zij op een aantal punten een strenger beoordelingskader dan artikel 34, eerste lid, van de ViO heeft toegepast, heeft de Bank niet gemotiveerd dat, waarom en op welke punten van deze bepaling is afgeweken, aldus het Gerecht. De Bank betoogt dat de feiten en omstandigheden voldoende zijn om in ieder geval aan de schijn van onafhankelijkheid van KPMG te twijfelen, wanneer een accountant van KPMG de controle uitoefent op de jaarrekening van Ennia waarvan een van de beleidsbepalers, [B], een voormalig partner van KPMG is, die samen met al dan niet voormalige partners van KPMG zogezegd de huisbaas van KPMG is. De Bank heeft geen inzicht in de interne rol- en taakverdeling binnen KPMG. Het Gerecht had desnoods aan KPMG en Ennia moeten opdragen aan te tonen dat [C] niet onder de in artikel 1 van de ViO vermelde categorieën van personen kan worden geschaard, die rechtstreeks invloed op de uitkomst van de assurance-opdracht kunnen uitoefenen. De Bank moet in het belang van het goed functioneren van de financiële markten in het kleinschalige Aruba en daarbuiten rekening houden met de negatieve perceptie die in de gegeven omstandigheden bij het publiek leeft of kan gaan leven ten aanzien van de controle op de jaarrekening van Ennia door KPMG. Voldoende is dat KPMG de schijn tegen heeft, dat onaanvaardbaar risico ontstaat dat economische belangen het oordeel of de conclusie van KPMG over Ennia of de verantwoording daarvan beïnvloeden. Rekening houdend met deze perceptie kan en mag de Bank stringentere en verdergaande toetsingsnormen hanteren dan in de als leidraad gehanteerde ViO zijn neergelegd, aldus de Bank. 5.1. Het Gerecht heeft terecht als uitgangspunt genomen dat het op de weg van de Bank ligt om bij het voorbereiden van een ongevraagde, belastende beschikking waarbij de maatregel van artikel 15a van de Ltv wordt opgelegd, de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat alvorens de Bank tot het opleggen daarvan komt, zij zorgvuldig voorbereidend onderzoek moet verrichten en het in beginsel aan haar is om aannemelijk te maken dat die maatregel moet worden opgelegd. 5.2. Niet in geschil is dat [A] geen vennoot is van en geen belang heeft in Emancipatie C.V. Voorts is niet gebleken dat de partners van KPMG die vennoot zijn van Emancipatie C.V., waaronder [C], lid zijn van het assurance-team en zij met betrekking tot de assurance-opdracht bij of aan Ennia toezichthoudende of leidinggevende werkzaamheden uitvoeren of vaktechnische consulten bieden. Verder is niet gebleken dat de bij Emancipatie C.V. betrokken partners van KPMG aanbevelingen doen over de beloning van [A]. De Bank heeft niet aannemelijk gemaakt dat de partners van KPMG die vennoot zijn van Emancipatie C.V., desondanks rechtstreeks invloed kunnen uitoefenen op de uitkomst van de assurance-opdracht die [A] voor Ennia uitvoert. Dat [C] en andere partners van KPMG een gezamenlijk zakelijk belang hebben met [B], betekent niet dat zij de resultaten van de voor Ennia uit te voeren assurance-opdracht kunnen beïnvloeden. 5.3. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat de Bank bij de beschikking van 9 augustus 2016 onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat en waarom de accountants van KPMG die de assurance-opdracht voor Ennia uitvoeren, niet of niet meer de nodige waarborgen bieden dat zij hun taak met betrekking tot Ennia naar behoren zullen kunnen vervullen. De feiten en omstandigheden die de Bank aan de beschikking van 9 augustus 2016 ten grondslag heeft gelegd bieden, mede in aanmerking genomen dat [A] geen vennoot van Emancipatie C.V. is, onvoldoende grond voor het standpunt van de Bank, dat KPMG de schijn tegen heeft dat onaanvaardbaar risico ontstaat dat economische belangen het oordeel of de conclusie van KPMG over Ennia of de verantwoording daarover beïnvloed. 5.4. Het betoog faalt. 6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.T. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier. w.g. Saleh voorzitter w.g. Beerse griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018 Verzonden: 24 januari 2018 Voor eensluidend afschrift, de griffier, voor deze, BIJLAGE Landsverordening toezicht verzekeringsbedrijf Artikel 15a 1. Indien naar het oordeel van de Bank een accountant of actuaris niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat hij zijn taak met betrekking tot een kredietinstelling naar behoren zal kunnen vervullen, kan de Bank ten aanzien van deze accountant of actuaris bepalen dat hij niet langer bevoegd is de in deze landsverordening bedoelde verklaringen met betrekking tot die kredietinstelling te ondertekenen. 2. De Bank maakt een besluit als bedoeld in het eerste lid, terstond bekend aan de desbetreffende kredietinstelling. Supervisory Guidelines and Directives II.2 Directive on the appointment of an external auditor Directive on the appointment of an external auditor by virtue of Section 10 in conjunction with section 15a of the State Ordinance on the Supervision of the Insurance Business (AB 2000 no. 82) (SOSIB) for insurance companies licensed by the Central Bank of Aruba (the Bank). 1. Introduction It is important that insurance supervisors get the information they need to properly form an opinion on the financial strength of the operation of each insurance company. This information is obtained amongst others from the financial reports that are filed, supported by information obtained through communication with the external auditor. Therefore, insurance supervisors have a clear interest in ensuring that external audits performed are acceptable and that exists an adequate relationship between them and the insurance companies’ external auditors, essentially based on the principles and guidance papers formulated by the International Association of Insurance Supervisors. In this respect, high standards of auditing are indispensable. Therefore, the audit performed should be carried out by external auditors who: • are properly licensed and in good standing; • have relevant professional experience and competence; • are subject to a quality assurance program; • are independent in fact and in appearance; • are objective and impartial; and • comply with all ethical requirements. Pursuant to section 1 of the SOSIB an external auditor is defined as an auditor, who is not employed by an insurance company, and who is listed either in the register of the Royal Netherlands Institute of Certified Public Accountants or is listed elsewhere with a similar institute as the Royal Netherlands Institute of Certified Public Accountants and, in the opinion of the Bank, is subject to a similar regime of rules of conduct, professional code and discipline. 2. Directive For any appointment of, or change in external auditor, the Bank’s prior written approval is required. In case of change, the Bank should be informed on the reasons of the intended change. The Bank will grant its approval if the external auditor complies with the requirements as stipulated in section 1 of the SOSIB and if there are no circumstances that, in the opinion of the Bank, would make the external auditor unfit for the assignment. With regard to the independence in fact and in appearance of the external auditor, there may not be any material business interest between
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.