AUA2017H00110 Datum uitspraak: 6 augustus 2018 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Aruba, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 3 juli 2017 in zaak nr. LAR nr. 2884 van 2015, in het geding tussen: appellante en de minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid. Procesverloop Bij beschikking van 10 december 2014 heeft de minister de aan appellante op grond van artikel 8, eerste lid, van het Landsbesluit bijstandsverlening (Lb) toegekende gehandicaptenuitkering met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Bij beschikking van 24 november 2015 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 juli 2017 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2018, waar appellante, bijgestaan door mr. D.G. Kock, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.P. Jansen, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen. Overwegingen Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Lb, voor zover thans van belang, verleent de minister, indien ten genoegen van deze door een of meer doktersverklaringen en een advies van de directeur van de Directie Arbeid is aangetoond dat een inwonend werkloos kind van zestien jaar of ouder als gevolg van een lichamelijk of geestelijk gebrek in overwegende mate langdurig arbeidsongeschikt zal zijn, zelfstandige maatschappelijke hulp aan deze in de vorm van een gehandicaptenuitkering, tenzij het betrokken kind beschikt over geregelde eigen inkomsten, hoger dan het bedrag, genoemd in het tweede lid. Ingevolge artikel 20, derde lid, wordt de behoefte aan voortzetting van of wijziging in de mate van de bijstand per geval op door de directeur te bepalen tijdstippen opnieuw onderzocht, van welk onderzoek schriftelijk rapport wordt opgemaakt. Indien de resultaten van dit onderzoek daartoe aanleiding geven wordt eerdere beschikking ter zake gewijzigd of ingetrokken. Van een dergelijke beslissing wordt de betrokkene terstond in kennis gesteld. Aan de beschikking van 24 november 2015, waarbij de minister de intrekking van de gehandicaptenuitkering van appellante heeft gehandhaafd, heeft de minister een advies van de bezwaaradviescommissie van 30 oktober 2015 ten grondslag gelegd. Dit advies houdt in dat gebleken is dat artikel 8, eerste lid, van het Lb, ruim wordt toegepast, hetgeen betekent dat niet alleen inwonende kinderen van 16 jaar en ouder in aanmerking komen voor een gehandicaptenuitkering, maar ook andere personen. Volgens de memorie van toelichting bij die bepaling dient een persoon permanent en volledig arbeidsongeschikt te zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een gehandicaptenuitkering. Op grond van een rapport van een verzekeringsarts van 15 september 2015 en een rapport van een arbeidskundige van 10 september 2015 heeft de bezwaaradviescommissie geconcludeerd dat appellante permanent en voor 58%, dus niet volledig, arbeidsongeschikt is en het bezwaar ongegrond moet worden verklaard. De bezwaaradviescommissie heeft ten overvloede in haar advies opgenomen dat zij heeft geconstateerd dat er discrepantie bestaat tussen artikel 8, eerste lid, van de Lb, waarin is opgenomen dat een persoon “in overwegende mate langdurig arbeidsongeschikt” moet zijn en de nota van toelichting bij die bepaling, waarin is opgenomen dat een persoon “permanent en volledig arbeidsongeschikt” moet zijn om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenuitkering. De bezwaaradviescommissie geeft de minister met klem in overweging om haar op de memorie van toelichting gebaseerde gedragslijn bij de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Lb, aan te passen. Het Gerecht heeft overwogen dat de minister zich in navolging van de bezwaaradviescommissie op grond van de rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante niet in overwegende mate arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Lb. Appellante betoogt dat het onbegrijpelijk is dat het Gerecht heeft overwogen dat zij niet in overwegende mate arbeidsongeschikt is. Vaststaat dat hetgeen appellante heeft blijvend van aard is en met de tijd alleen erger wordt, zodat de constatering in 2015 dat zij voor 58% arbeidsongeschikt is, met zich brengt dat zij in overwegende mate arbeidsongeschikt is. 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.