LARSXM2017H00034 Datum uitspraak: 9 mei 2018 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellante], gevestigd in Sint Maarten, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 27 februari 2017 in zaak nr. Lar 016/145, in het geding tussen: appellante en de minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid. Procesverloop Bij beschikking van 15 maart 2016 heeft de minister op de voet van artikel 6, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit arbeid vreemdelingen (het Uitvoeringsbesluit) geweigerd om appellante een tewerkstellingsvergunning te verlenen voor de vreemdeling [naam] (de vreemdeling), omdat appellante niet heeft aangetoond dat de vreemdeling over de vereiste kwalificaties beschikt. Bij beschikking van 28 september 2016 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft de minister zich aanvullend op het standpunt gesteld dat de vreemdeling heeft gehandeld in strijd met de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) en de tewerkstellingsvergunning ook op grond van artikel 8, eerste lid, onder d, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen (Lav) wordt geweigerd. Bij uitspraak van 27 februari 2017 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2018, waar appellante, vertegenwoordigd door Adolphus Richardson, bijgestaan door mr. Brenda B. Brooks, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen. Overwegingen De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Het Gerecht heeft overwogen dat niet in geschil is dat de vreemdeling ten tijde van de aanvraag om verlening van een tewerkstellingsvergunning in Sint Maarten verbleef en voor appellante werkzaam was, zonder dat hij beschikte over een vergunning tot tijdelijk verblijf en een tewerkstellingsvergunning. In dit geval is sprake van eerste toelating tot Sint Maarten. Volgens paragraaf 3.1.1 van de Richtlijnen van de minister van Justitie met betrekking tot de toepassing van de Ltu van mei 2012 moet een aanvraag om eerste toelating in principe in het buitenland worden afgewacht (hierna: het uitlandigheidsvereiste). De vreemdeling heeft gehandeld in strijd met het uitlandigheidsvereiste. Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder d, van de Lav, wordt een tewerkstellingsvergunning geweigerd, indien de desbetreffende vreemdeling heeft gehandeld in strijd met bij of krachtens de Ltu gegeven regels. Dat de vreemdeling naar gesteld door de Immigration and Border Protection Service (IBP) is geadviseerd om een aanvraag in te dienen voor zelfstandig verblijf doet aan het vorenstaande niet af. Evenmin brengt het foutieve advies van de IBP aan de vreemdeling met zich dat jegens appellante het vertrouwen is gewekt dat in weerwil van de dwingende weigeringsgrond van artikel 8, eerste lid, onder d, van de Lav, een tewerkstellingsvergunning aan haar zou worden verleend. Het betoog van appellante dat het uitlandigheidsvereiste niet aan de vreemdeling mag worden tegengeworpen omdat hij naar Sint Maarten moest komen omdat zijn land van herkomst Dominica in augustus 2015 ernstig door orkaan Erika is getroffen is niet onderbouwd. De vreemdeling heeft niet verklaard en uit de stukken blijkt niet dat hij vanwege orkaanschade naar Sint Maarten heeft moeten uitwijken, aldus het Gerecht. Appellante betoogt dat het Gerecht niet heeft onderkend dat de vreemdeling in het verleden in Sint Maarten woonachtig en werkzaam was met de nodige vergunningen. Uit de stukken blijkt dat hij is teruggekeerd naar Dominica. Na orkaan Erika is hij teruggekeerd naar Sint Maarten. Hij heeft zich binnen zijn rechtmatig toeristenverblijf voor advies gewend tot de IBP om zijn papieren weer in orde te krijgen. Bij de IBP is hem meegedeeld dat hij inkomen moet hebben. Teneinde dit te bewerkstelligen zonder terug te moeten keren naar de erbarmelijke situatie in Dominica, heeft hij zich tot appellante – zijn oud-werkgever – gewend. Appellante heeft vervolgens op advies van het Ministerie van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid een tewerkstellingsvergunning aangevraagd. Onder deze omstandigheden mag aan appellante niet worden tegengeworpen dat de vreemdeling heeft gehandeld in strijd met de Ltu. Appellante verwijst daartoe naar de onderscheiden uitspraken van het Hof van 8 mei 2017 (ECLI:NL:OGHACMB:2017:81) en 12 mei 2017 (ECLI:NL:OGHACMB:2017:86), inhoudende dat niet in alle gevallen het uitlandigheidsvereiste mag worden tegengeworpen. Voorts had de IBP de zaak moeten beoordelen en hem op humanitaire gronden toelating moeten verlenen, aldus appellante. Appellante is op 18 augustus 2016 door de bezwaaradviescommissie gehoord. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de vreemdeling in de periode 2005-2011 in het bezit is geweest van een tewerkstellingsvergunning. In 2011 is hij teruggekeerd naar Dominica om zijn zieke vader te gaan verzorgen. In augustus 2015 is hij teruggekeerd in Sint Maarten. Appellante heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat de vreemdeling in 2015 weer voor haar is gaan werken. Op 12 mei 2016 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel het verrichten van arbeid in loondienst. Deze aanvraag is bij beschikking van 13 juni 2016 op de voet van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ltu afgewezen, omdat de vreemdeling niet heeft kunnen aantonen dat hij over voldoende middelen van bestaan zal beschikken, nu de tewerkstellingsvergunning is geweigerd vanwege het feit dat de vreemdeling niet over de vereiste kwalificaties beschikt. In de beschikking van 13 juni 2016 heeft de minister zich voorts op het standpunt gesteld dat evenmin is gebleken dat op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een verblijfsvergunning moet worden verleend. Tegen deze beschikking zijn geen rechtsmiddelen aangewend. 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.