LARCUR2017H00031 Datum uitspraak: 15 januari 2018 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: de stichting Stichting Particulier Fonds Mountain View, gevestigd in Curaçao, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 14 maart 2017 in zaak nr. 2016/80526, in het geding tussen: appellante en de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning. Procesverloop Bij uitspraak van 30 augustus 2016 heeft het Gerecht bepaald dat de minister binnen één maand moet beslissen op het door appellante gemaakte bezwaar tegen de ongedateerde beschikking waarbij een bouwaanvraag van appellante is afgewezen. Bij uitspraak van 14 maart 2017 heeft het Gerecht het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 98, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) een vergoeding toe te kenen dan wel te bepalen dat de minister alsnog aan de uitspraak van 30 augustus 2016 gevolg geeft, afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2017, waar appellante, vertegenwoordigd door S. Jansen en bijgestaan door mr. A.J. Henriquez, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door M. Jonker en mr. A.C. van Hoof, advocaat, zijn verschenen. Overwegingen De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Tegen een beslissing van het Gerecht op een verzoek als bedoeld in artikel 98 van de Lar staat ingevolge artikel 75, eerste lid, van die wet geen hoger beroep open. Voor doorbreking van het appelverbod kan aanleiding bestaan indien het Gerecht buiten het toepassingsgebied van artikel 98 is getreden of dit artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zo fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Appellante betoogt dat het Gerecht de brief van de minister van 26 oktober 2016 ten onrechte als beslissing op bezwaar heeft aangemerkt en daaraan eveneens ten onrechte de conclusie heeft verbonden dat daarmee gevolg is gegeven aan de in de uitspraak van 30 augustus 2016 gegeven opdracht opnieuw op bezwaar te beslissen. Van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden kan dan ook niet worden gesproken. Voorts heeft de Hoge Raad (arrest van 14 april 1989; ECLI:NL:HR:1989) overwogen dat in bepaalde gevallen een wetsbepaling buiten toepassing kan worden gelaten op de grond dat toepassing van die bepaling in verband met de door de wetgever daarin niet verdisconteerde omstandigheden in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel. In dit geval is het oordeel van het Gerecht een niet verdisconteerde omstandigheid als vorenbedoeld (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 2001; ECLI:NL:RVS:AS3827), aldus appellant. 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.