Zaaknummer: H 141/2018 Parketnummer: 500.00108/18 Uitspraak: 8 november 2018 Tegenspraak Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), van 13 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte: [VERDACHTE], geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], thans alhier gedetineerd. Hoger beroep Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van feit 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. H.M.M. Alejandra, advocaat in Curaçao, naar voren is gebracht. De procureur-generaal heeft primair gevorderd dat het Hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep. Subsidiair heeft de procureur-generaal gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, onder aanvulling van de bewijsvoering, behoudens ten aanzien van de beslissing aangaande de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen verdovende middelen. Van de zijde van de verdediging is geen verweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De procureur-generaal heeft de niet-ontvankelijkheid van de verdachte bepleit aangezien door of namens hem geen schriftuur houdende grieven is ingediend en hij evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Naar de reden van het hoger beroep gevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij ontlastend voor de medeverdachten wilde gaan verklaren. Daarmee heeft hij naar het oordeel van het Hof niet ondubbelzinnig afstand gedaan van zijn recht op behandeling van zijn zaak in hoger beroep. De verdachte zal daarom in het hoger beroep worden ontvangen. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt, onder aanvulling van de bewijsmiddelen, met vervanging van de strafmotivering en de overweging met betrekking tot de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen verdovende middelen. Overneming en aanvulling van het door het Gerecht gebezigde bewijs Het Hof verenigt zich met de door het Gerecht gemaakte selectie van de bewijsmiddelen. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen dan ook over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring. Het Hof vult deze bewijsmiddelen aan met de hierna volgende bewijsmiddelen. De inhoud van elk bewijsmiddel is telkens zakelijk weergegeven. a. Op 25 maart 2018 heeft verbalisant [verbalisant] het volgende gerelateerd: “Ik, verbalisant, verklaar het volgende: Aanhouding op: 25 maart
- Tijdstip: 01.30 uur. Plaats: binnen de territoriale wateren van Curaçao op 5,2 mijlen ten zuiden van Klein Curaçao. Naamsopgave verdachte: [verdachte].” b. De verdachte heeft op 25 maart 2018 de volgende verklaring afgelegd: “Wij moesten een partij verdovende middelen naar Curaçao brengen. Wij bestuurden alle vier de boot. Er was geen kapitein. Wij zouden in de omgeving van Curaçao een andere boot tegenkomen die de partij verdovende middelen zou overnemen.” c. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 25 maart 2018 de volgende verklaring afgelegd: “Wij waren met ons vieren aan boord. Wij hadden allemaal een beetje geholpen met het besturen van de boot. Er was geen kapitein aan boord. Het is zo dat wij door een onbekende man werden benaderd om een partij verdovende middelen naar Curaçao te transporteren.” De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Aanvullende bewijsoverweging De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als enige er op de hoogte van was dat de pakketten aan boord verdovende middelen bevatten, welke naar Curaçao vervoerd moesten worden. Volgens de verdachte waren de medeverdachten hier niet van op de hoogte. Ze waren alleen aan boord, omdat ze naar Curaçao kwamen om te werken. Het Hof vat dit op als een verweer van de verdachte gericht tegen het medeplegen. Het Hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 25 maart 2018 samen met de medeverdachten is aangetroffen in de territoriale wateren van Curaçao - vijf mijl ten zuiden van Klein Curaçao - aan boord van een onverlicht vaartuig. In het vaartuig troffen medewerkers van de Kustwacht onder meer een grote hoeveelheid cocaïne en hennep aan, welke in beslag werd genomen. Verder had de verdachte noch de medeverdachten een identificatiebewijs bij zich. Zowel de verdachte als de medeverdachten hebben aanvankelijk verklaringen over het invoeren en vervoeren van de verdovende middelen afgelegd, waarin ze elkaar en zichzelf hebben belast. Vervolgens hebben ze wisselende verklaringen afgelegd, waarin ze een andere versie van de gebeurtenissen hebben gegeven. Het Hof is van oordeel dat gelet op de te ontlenen feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen, de door de verdachte gestelde alternatieve lezing niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Het verweer wordt verworpen. Oplegging van straf Het Hof heeft evenals het Gerecht bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het invoeren en vervoeren van cocaïne en het invoeren van hennep. Het Hof verenigt zich met de hoogte van de straf en vervangt de overwegingen ten aanzien van de strafmotivering als volgt. Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. De verdachte is aangehouden op een boot waarin een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne en hennep werd aangetroffen, welke door hem en zijn mededaders vanuit Venezuela binnen de territoriale wateren van Curaçao is gebracht. De verdachte was, evenals zijn mededaders, op de hoogte van de aanwezigheid van de verdovende middelen aan boord en van het feit dat deze vervoerd moesten worden naar Curaçao. Ze hebben allemaal afwisselend de boot bestuurd. De verspreiding van en handel in cocaïne en hennep vormen een bedreiging voor de samenleving door de criminaliteit en overlast die daarmee gepaard gaan. Ook leveren deze verdovende middelen grote gevaren voor de gezondheid van gebruikers op. De criminaliteit en overlast die de handel in deze verdovende middelen met zich brengt, hebben de verdachte er desondanks niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het Hof is, met het Gerecht en de procureur-generaal van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden passend en geboden is. In beslag genomen voorwerpen De procureur-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het niet nodig is de in beslag genomen drugs te onttrekken aan het verkeer, omdat zij van rechtswege in eigendom zijn vervallen van het Land. Dit standpunt is gelet op het bepaalde in artikel 11, zesde lid, van de Opiumlandsverordening 1960 juist. Tot vernietiging van het bestreden vonnis behoeft dat niet te leiden, omdat daarbij geen belang bestaat (Vgl. ECLI:OGHACMB:2016:127). BESLISSING Het Hof: bevestigt het vonnis van het Gerecht met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Radder, S.A. Carmelia en D. Gruijters, leden van het Hof, bijgestaan door R.A. Caupain, (zittings)griffier, en op 8 november 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao. uitspraakgriffier: Proces-verbaal van bevinding bij voorgeleiding d.d. 25 maart 2018, PV-nummer
- Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 maart 2018, PV-nummer 201803251055/V01-
- Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 25 maart 2018, PV-nummer 201803251155/V02-1.