Uitspraak CUR2017H000156 t/m -159 en CUR2017H000161 en -162 Datum uitspraak: 7 januari 2019 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [ Belanghebbende ], wonend te [Nederland ] (Nederland), belanghebbende, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 6 oktober 2017 in de zaken BBZ nrs. CUR201600442 t/m CUR201600447 in het geding tussen: belanghebbende, en de inspecteur der belastingen in Curaçao, verweerder (de Inspecteur), 1Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 10 juli 2015 over de jaren 2008 en 2009 aanslagen inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ (de aanslagen) en boetes (boetebeschikkingen) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft op 19 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen en de boetebeschikkingen. 1.3. Gedagtekend 23 december 2015 heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan, gericht tegen de aanslagen en boetebeschikkingen, en de aanslagen en boetebeschikkingen gehandhaafd (de uitspraken op bezwaar). 1.4. Op 24 februari 2016 zijn door de Griffie van het Gerecht de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar in beroep in ontvangst genomen. Ter zake van de indiening van het beroep heeft belanghebbende een bedrag van NAf 50 aan griffierecht voldaan. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend. 1.5. Het Gerecht heeft in de uitspraak van 6 oktober 2017 het beroep niet-ontvankelijk verklaard. 1.6. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 29 november 2017 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van NAf 200. De Inspecteur heeft op 2 mei 2018 een verweerschrift ingediend. 1.7. De zitting heeft plaatsgehad op 23 oktober 2018 te Willemstad. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde, [ A ], alsmede, namens de Inspecteur [ B ]. 1.8. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van een bij deze pleitnota behorende bijlage, zijnde een ‘CHECKLIST Curaçao: Beroepschriften inzake BELASTINGZAKEN’. 1.9. Ter zitting zijn onder ede twee getuigen gehoord, te weten [ DW ], dochter van belanghebbende, alsmede [AF ], hoofd van de Griffie ten tijde van de indiening van het beroepschrift bij de Griffie van het Gerecht. 1.10. Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten. 1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, die alleen ziet op de ontvankelijkheid van belanghebbende bij het Gerecht, de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Op 23 december 2015 heeft de Inspecteur de uitspraken op bezwaar gedaan. 2.2. Op 24 februari 2016 heeft (de Griffie van) het Gerecht het beroepschrift van belanghebbende ontvangen. Het beroepschrift heeft als dagtekening 15 februari 2016. 3Geschil in hoger beroep 3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het Gerecht belanghebbende had moeten ontvangen in zijn beroep tegen de uitspraken op bezwaar van 23 december 2015. Belanghebbende beantwoordt genoemde vraag bevestigend. De Inspecteur geeft in zijn verweerschrift aan niet te kunnen beoordelen of het beroepschrift al dan niet verschoonbaar te laat is ingediend. Hij verzoekt evenwel in zijn Conclusie de uitspraak van het Gerecht te bevestigen en belanghebbende derhalve niet-ontvankelijk te verklaren. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht. 4Het oordeel van het Gerecht Het Gerecht heeft het volgende overwogen: “2.1 In artikel 31, lid 1, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (verder: ALL) is geregeld dat belanghebbende die bezwaar heeft tegen een ingevolge de belastingverordening door de Inspecteur gedane uitspraak, binnen twee maanden na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep kan komen bij het Gerecht. Gelet op de dagtekening van de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur en de datum van binnenkomst van het beroepschrift, stelt het Gerecht vast dat het beroep niet is ingediend binnen de termijn van twee maanden na dagtekening van de uitspraken op bezwaar. 2.2 In artikel 5, lid 4 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken is, voor zover hier van belang, bepaald dat de termijn waarbinnen beroep moet zijn ingesteld niet verbindend is, indien ten genoegen van het Gerecht wordt aangetoond dat de inachtneming ervan door bijzondere omstandigheden is verhinderd (verschoonbare termijnoverschrijding) Belanghebbende heeft in dit verband ter zitting aangevoerd dat hij eerder verschillende keren aan de balie van het Gerecht is geweest om het beroepschrift in te leveren maar dat het toen niet lukte omdat het niet volledig was. 2.3 Het Gerecht stelt voorop dat een beroepschrift niet volledig hoeft te zijn om in te kunnen dienen. Van een bijzondere omstandigheid zou naar het oordeel van het Gerecht sprake kunnen zijn indien belanghebbende het al of niet volledige beroepschrift tijdig zou hebben aangeboden aan de balie van het Gerecht en het Gerecht vervolgens geweigerd zou hebben om het in ontvangst te nemen. Dat die situatie zich heeft voorgedaan heeft belanghebbende echter niet aannemelijk gemaakt. Voor het overige is het de verantwoordelijkheid van belanghebbende om het beroepschrift tijdig in te dienen. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en is het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke behandeling van de zaak komt het Gerecht niet toe. 2.4 Ten overvloede merkt het Gerecht op dat de Inspecteur ter zitting toegezegd heeft dat de Inspecteur voor beide jaren een bedrag van NAf 2.500 aan rente in aftrek zal toestaan.” 5Gronden 5.1. Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroepschriften ingediend. De beroepschriften zijn alle gedagtekend 15 februari 2016. Alle beroepschriften zijn voorzien van een stempel met de tekst ‘Op heden, 24 februari 2016 ter Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao ingediend. De Griffier’. Bij de tekst is een handtekening geplaatst. 5.2. Niet in geschil is dat uitgaande van indiening op 24 februari 2016, de beroepschriften één dag te laat (buiten de daarvoor geldende termijn) zijn ingediend. Immers, ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) dient een belanghebbende binnen twee maanden na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep komen bij het Gerecht. De uitspraken op bezwaar dateren van 23 november 2015, zodat de beroepschriften uiterlijk 23 februari 2016 ingediend hadden moeten zijn. Artikel 5, vierde lid, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) bepaalt evenwel dat voor het instellen van beroep de bepaalde termijnen niet verbindend zijn, indien ten genoegen van het Gerecht wordt aangetoond, dat de inachtneming daarvan door bijzondere omstandigheden is verhinderd. 5.3. Belanghebbende betoogt dat de overschrijding van de in artikel 31, eerste lid, van de ALL bepaalde termijn door bijzondere omstandigheden is verhinderd. Daartoe voert belanghebbende aan dat zijn dochter, [DW], de beroepen meermaals heeft aangeboden in de periode van 15 februari 2016 tot en met 24 februari 2016 en dat de Griffie van het Gerecht drie keer geweigerd heeft de beroepen in ontvangst te nemen, telkens om verschillende reden. Bij de eerste aanbieding zou de dochter naar huis zijn gestuurd omdat zij niet passend gekleed zou zijn, bij de tweede aanbieding zou het beroepschrift niet in ontvangst zijn genomen, omdat het beroep gericht zou zijn tegen meerdere uitspraken en bij de derde aanbieding zouden de beroepschriften niet in ontvangst zijn genomen, omdat de originele beschikkingen niet aanwezig zouden zijn. 5.4. Ter zitting in hoger beroep is gepoogd om met behulp van de door belanghebbende meegebrachte getuige, [DW ], en de door het Hof opgeroepen getuige, [AF ], toentertijd hoofd van de Griffie, te reconstrueren hoe, kortgezegd, de indiening van de beroepen destijds is verlopen. Bij die reconstructie is mede gebruik gemaakt van de door belanghebbende in hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaringen van [PV ], vriendin van [DW ], en [ AD], echtgenoot van [DW ]. Voor de beoordeling of sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 5, vierde lid, van de LBB acht het Hof het hierna overwogene van belang. 5.5. [ DW ] heeft geloofwaardig verklaard dat zij op of omstreeks 15 februari 2016 heeft gepoogd de beroepen in te dienen, maar dat zij door de portier de toegang tot het Gerecht is geweigerd vanwege als ongepast aangeduide kleding. De genoemde datum van 15 februari 2016 correspondeert met de data die op de uiteindelijk ingediende beroepschriften zijn vermeld (zie onder 2.2.) en [ AF ] heeft bevestigd dat de portier destijds geïnstrueerd was om personen die niet gepast gekleed waren de toegang tot het Gerecht te weigeren. [DW ] heeft voorts geloofwaardig verklaard dat zij nadien nog twee keer zonder succes heeft gepoogd de beroepen in te dienen, en dat de beroepschriften pas bij de vierde poging, op 24 februari 2016, door de balie van de Griffie in ontvangst zijn genomen. Het is het Hof niet duidelijk geworden wanneer exact [DW ] de beroepen bij de tweede en derde poging heeft gepoogd in te dienen. Mogelijkerwijs heeft de derde poging op dezelfde dag als de vierde (geslaagde) poging, op 24 februari 2016, plaatsgevonden. Het Hof heeft wel de overtuiging gekregen dat de tweede poging tot indiening heeft plaatsgevonden op een of meer dagen vóór 24 februari 2016, derhalve uiterlijk op 23 februari 2016. Bij die tweede poging zouden de beroepen volgens de geloofwaardige verklaring van [DW ] niet in ontvangst zijn genomen, omdat de beroepen in één geschrift zouden zijn verenigd en gericht waren tegen alle uitspraken op bezwaar. 5.6. Dat de beroepen bij de tweede poging niet in ontvangst zouden zijn genomen, omdat het één beroepschrift zou betreffen, gericht tegen alle uitspraken op bezwaar, is aannemelijk mede (naast de geloofwaardige verklaring van [ DW ]) in het licht van de getuigenis die door [AF ] omtrent de werkwijze van de Griffie (op dit punt) is afgelegd. Kort samengevat heeft [AF ] als volgt over deze werkwijze verklaard. In de periode vóór 1 januari 2016 hanteerde de Griffie de regel dat een beroepschrift dat was gericht tegen meerdere uitspraken op bezwaar, niet in ontvangst werd genomen. Op of omstreeks 1 januari 2016 zijn er nieuwe richtlijnen uitgevaardigd en is de werkwijze van de Griffie op diverse onderdelen gewijzigd. Vanaf toen zijn beroepschriften met een vormverzuim wel in ontvangst genomen en is aan de indiener van het beroepschrift een checklist meegegeven waarop (onder meer) is vermeld welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.