Zaaknummer: H-26/2019 Parketnummers: 100.00043-18 (zaak A) en 100.00151/18 (zaak B, ttz in ea gevoegd) Uitspraak: 11 september 2019 Tegenspraak Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 20 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte: [VERDACHTE], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], thans gedetineerd in het huis van bewaring te Sint Maarten. Hoger beroep Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 2, 3 en 4 in zaak A en het onder 1 primair in zaak B ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 5, 6, 7 en 8 in zaak A en het onder 1 subsidiair en 2 in zaak B ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. M.A.W. Mol, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.H.M. Ibrahim, naar voren is gebracht. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het in zaak A onder 1, 4 subsidiair, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is ten aanzien van een aantal feiten vrijspraak bepleit en is een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de feiten 7 (Home Invasion) en 8 in zaak A en de beslissing ten aanzien van feit 1 in de zaak B en met uitzondering van de straf en de motivering daarvan– in zoverre zal het vonnis worden vernietigd –en met dien verstande dat het Hof: - ten aanzien van feit 1 (Toermalijn) een andere bewijsoverweging en bewijsconstructie hanteert; - ten aanzien van de feiten 2 en 3 (Zinkiet) een andere motivering ten aanzien van de vrijspraken hanteert; - ten aanzien van feit 4 subsidiair (Celestiet) de overweging ten aanzien van de vrijspraak verbetert; - ten aanzien van feit 5 (Droomkwartz) een andere bewijsconstructie hanteert. Bewijsoverweging feit 1 zaak A (Toermalijn) De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte weliswaar betrokken was bij dit feit, maar dat geen sprake is geweest van medeplegen, zodat partiële vrijspraak dient te volgen. Het Hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte samen hebben gesproken over het beroven van een casino en dat zij samen een balletjespistool hebben opgehaald. De verdachte en de medeverdachte zijn samen naar het casino gereden. De medeverdachte bestuurde op dat moment de auto. Zij zijn samen het casino binnen gegaan. De verdachte is degene geweest die een vuurwapen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft getoond, de bedreigingen heeft geuit en [slachtoffer 1] een geldbedrag van USD 22.537 afhandig heeft gemaakt. De verdachte en de medeverdachte hebben vervolgens het casino verlaten en zijn samen weggerend, zijn de auto ingestapt en zijn samen weggereden. Zij hebben vervolgens de buit gedeeld. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan. Hoewel de medeverdachte niet degene is geweest die het vuurwapen op de aangevers heeft gericht en de bedreigingen heeft geuit, is de bijdrage van de medeverdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van het Hof van voldoende gewicht en kan deze worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het Hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Bewijsmiddelen feit 1 zaak A (Toermalijn) Het Hof verenigt zich met de selectie en waardering van de bewijsmiddelen die het Gerecht onder 2), 3) en 4) op pagina’s 3 en 4 van het vonnis heeft opgenomen. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring. Het Hof voegt daaraan het navolgende bewijsmiddel toe. Een proces-verbaal van (derde) verhoor van de verdachte met nummer 201802081156.V01 van 8 februari 2018 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] (bijlage 24). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 februari 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte: I committed the robbery on [naam casino] Casino. I robbed the casino with another person. In Sandy Ground we got the bb-gun. My friend was driving and we were talking about robbing a casino. My friend and I both went into the casino. I went to the cashier and asked her for money. I pulled out the bb-gun and pointed it out at the cashier. When I robbed the casino, my friend and I went out of the casino to go. We got into the car and went to the French site. He dropped me in Marigot. I did put the money in a black plastic sack. We divided the money. Vrijspraakmotivering feiten 2 en 3 van zaak A (Zinkiet) Aangever [naam aangever] heeft verklaard dat hij de drie mannen die hem hebben overvallen en hem van zijn vrijheid hebben beroofd alle drie kent, maar dat hij hun namen niet kent. Hij heeft voorts verklaard dat hij ze altijd ziet op straat in [naam buurt] en dat hij hen direct zou herkennen als hij hen zou zien. Tijdens de fotoconfrontatie heeft hij de verdachte niet herkend. Getuige [getuige 1] heeft de verdachte tijdens de fotoconfrontatie wel herkend. Het Hof is met de procureur-generaal van oordeel dat deze herkenning niet opweegt tegen de contra-indicatie van het niet herkennen van de verdachte door aangever ondanks diens stellige verklaring dat hij de overvallers direct zou herkennen. Dit geldt temeer omdat aangever gedurende langere tijd met de drie mannen geconfronteerd is geweest en hij de medeverdachte wel direct herkende, terwijl getuige [getuige 1] de overvallers maar kort heeft gezien. Gelet op het voorgaande heeft het Hof niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in zaak A onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan. Verbetering overweging vrijspraak feit 4 zaak A (Celestiet) Het Hof verenigt zich met de vrijspraakmotivering op pagina 2 bovenaan van het vonnis van het Gerecht. Het Hof neemt deze motivering over en verwijst daarnaar met dien verstande dat het Hof deze op een klein punt verbetert zoals hieronder is weergegeven. Het Gerecht heeft in regel 6 en 7 overwogen: Daar heeft een ruzieachtig gesprek plaatsgevonden en heeft [naam 1] en [naam 2] met een vuurwapen bedreigd. Het Hof verbetert die zin als volgt: Daar heeft een ruzieachtig gesprek plaatsgevonden en heeft [naam 1] en [naam 3]met een vuurwapen bedreigd. Bewijsmiddelen feit 5 zaak A (Droomkwartz) Het Hof verenigt zich met de selectie en waardering van de bewijsmiddelen die het Gerecht onder 1), 2) en 3) op pagina’s 4 en 5 van het vonnis heeft opgenomen. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring. Het Hof voegt daaraan het navolgende bewijsmiddel toe. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2019.Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik heb op 8 januari 2018 in Sint Maarten met een ander een overval op [bedrijfsnaam 1] gepleegd. Ik was daarbij in het bezit van een vuurwapen. Ik heb om geld gevraagd en zij hebben mij een tas gegeven. Ik heb gedeeld in de buit. Vrijspraak feit 7 zaak A (Home Invasion) De procureur-generaal heeft betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte betrokken was bij de onder 7 ten laste gelegde overval. Volgens haar heeft de medeverdachte de naam genoemd van de verdachte als medepleger van de overval en wordt het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit ondersteund door een schoen die tijdens de huiszoeking in de woning van de verdachte en de medeverdachte is aangetroffen en waarop het bloed van de aangever en het DNA van de verdachte is aangetroffen. De raadsvrouw heeft vrijspraak ten aanzien van dit feit bepleit. Het Hof is van oordeel dat uit de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 1] op 18 oktober 2018 bij de politie heeft afgelegd, niet zonder meer volgt dat hij de verdachte als zijn mededader aanwijst. [medeverdachte 1] heeft alleen verklaard dat hij de verdachte samen met een andere man heeft gevraagd om de aangever te controleren (“to go check this man”), waarmee [medeverdachte 1] niets heeft verklaard over de betrokkenheid van de verdachte bij de overval. Ook de resultaten van het DNA-onderzoek van de schoen bieden onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit. Dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op een schoen tezamen met het DNA van de aangever is niet onvoorstelbaar nu de schoen van medeverdachte [medeverdachte 1] is, die zijn betrokkenheid bij dit feit heeft bekend, en is aangetroffen in de woning waar de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] samen verbleven. Het Hof is daarom van oordeel dat voor het in zaak A onder 7 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is en zal de verdachte daarom ten aanzien van dat feit vrijspreken. Bewezenverklaring feit 8 in zaak A Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak A onder 8 ten laste is gelegd, met dien verstande dat: hij op 13 februari 2017 in of in de buurt van [naam plaats 1] (Toermalijn), 1 december 2017 in of in de buurt van [bedrijfsnaam 2] (Zinkiet), 14 december 2017 in of in de buurt van [naam straat 1] (Celestiet), 8 januari 2018 in of in de buurt van [naam plaats 2] (Droomkwartz), 20 januari 2018 in of in de buurt van [naam straat 2] Road (Eldoriet) en/of 21 januari 2018 in of in de buurt van [naam buurt] (Home Invasion), in elk geval in of omstreeks de periode van 16 november 2017 tot en met 21 januari 2018 in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapens, in de zin van de Vuurwapenverordening, te weten een of meer zwarte handvuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkende voorwerpen, voorhanden heeft gehad. Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen feit 8 in zaak A Het Hof verwijst voor de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 8 in zaak A naar de bewijsmiddelen die zijn opgenomen ten aanzien van de feiten 1 (Toermalijn), 5 (Droomkwartz), 6 (Eldoriet) en 7 (Home Invasion). Strafbaarheid en kwalificatie van het onder 8 in zaak A bewezen verklaarde Het onder 8 in zaak A bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 van de Vuurwapenverordening gegeven verbod, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 8 in zaak A bewezen verklaarde uitsluiten. Bewezenverklaring feit 1 primair in zaak B Het Hof acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 5 december 2017 in Sint Maarten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer 3] en/of vervolgens (eenmaal) een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid. Bewijsmiddelen feit 1 primair in zaak B Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Bewijsmiddelen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.