← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2019:205

CUR2018H00485 Datum uitspraak: 6 juni 2019 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellante], wonend in Curaçao, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 8 november 2018 in zaak nr. CUR201700974, in het geding tussen: appellante en de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB). Procesverloop Bij beschikking van 14 juli 2017 heeft de SVB een verzoek van appellante om haar op grond van de Landsverordening Ongevallenverzekering (de LvOv) ongevallengeld toe te kenen afgewezen. Bij uitspraak van 8 november 2018 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De SVB heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2018, waar appellante, bijgestaan dor mr. R.E.F.A. Bijkerk, advocaat, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia, werkzaam bij de SVB, zijn verschenen. Overwegingen Op grond van artikel 1 van de LvOv wordt onder ongeval verstaan een ongeval dat de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking is overkomen, alsook de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen aan te wijzen ziekten en lichamelijke letsels, in betrekkelijk korte tijd ontstaan, mits voldaan is aan de daarbij gestelde voorwaarden (hierna: een dienstongeval). In de memorie van toelichting is opgenomen dat met “in verband met zijn dienstbetrekking” in de definitie van ongeval wordt beoogd dat een ongeval dat de werknemer is overkomen gaande van huis naar zijn werk en omgekeerd, als dienstongeval kan worden aangemerkt. Vaststaat dat appellante op de ochtend van 31 oktober 2016, op het tijdstip waarop zij gewoonlijk naar haar werk vertrok, gekleed in haar werkkleding, na het dichttrekken van de deur van haar woning, op de buitentrap bij haar woning is uitgegleden en ten val is gekomen, waarbij zij letsel heeft opgelopen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat om een ongeval als dienstongeval te kunnen aanmerken het ten minste is vereist dat dit op objectieve wijze kan worden gerelateerd aan de dienstvervulling. Uit de memorie van toelichting valt op te maken dat de wetgever van mening was dat woon-werkverkeer voldoende in verband staat met de dienstvervulling om dit onder de dekking van de LvOv te brengen. Er is geen grond om aan te nemen dat daarmee is beoogd het objectieve onderscheid tussen privéleven en dienstvervulling los te laten of te relativeren. Naar het oordeel van het Gerecht is hetgeen de werknemer in de privésfeer overkomt dan ook nimmer een dienstongeval. Gelet daarop valt hetgeen de werknemer in zijn woonplaats - daaronder is te verstaan zijn woning met aanhorigheden – overkomt, niet onder “gaande van huis naar werk”. Nu vaststaat dat appellante op haar eigen erf, en dus binnen haar woonplaats, ten val is gekomen, heeft de SVB het ongeval niet hoeven aan te merken als dienstongeval. Appellante betoogt dat de wetgever een ruime uitleg van het begrip dienstongeval voor ogen heeft gehad. Het door het Gerecht gemaakte onderscheid tussen privéleven en dienstvervulling brengt met zich dat, als de voordeur van de woning van een werknemer direct aan de openbare weg is gelegen wel een dienstongeval wordt aangenomen en als iemand op eigen terrein een ongeval overkomt niet. Voor dit verschil is volgens appellante geen legitieme reden. 5.1 Het Hof onderschrijft het betoog van appellante. Voor het oordeel dat een ongeval op eigen terrein nooit een dienstongeval kan zijn, bieden artikel 1 van de LvOv en de toelichting daarop geen aanknopingspunt. Gelet op de onder 2 weergegeven vaststaande feiten, was appellante ten tijde van het ongeval gaande van huis naar het werk. Daarmee is het ongeval een dienstongeval als bedoeld in artikel 1 van de LvOv. 5.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 14 juli 2017 vernietigen. Het Hof zal de SVB opdragen om binnen vier weken na de datum van deze uitspraak een nieuwe beschikking op het verzoek om toekenning van ongevallengeld te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Dit betekent dat ongevallengeld moet worden toegekend. 5.3. De SVB moet worden veroordeeld in de proceskosten. Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 8 november 2018 in zaak nr. 201700974; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank van 14 juli 2017; V. draagt de Sociale Verzekeringsbank op om binnen vier weken na de datum van deze uitspraak een nieuwe beschikking op het verzoek om toekenning van ongevallengeld te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; VI. veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding aan [appellante] van bij haar in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van NAf. 2.800,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat de Sociale Verzekeringsbank aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van NAf. 150,00 vergoedt. . Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier. w.g. Saleh voorzitter w.g. Beerse griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2019

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.