AUA2017H00220 en AUA2017H00223 Datum uitspraak: 24 juli 2019 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellant], appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 6 november 2017 in zaken nrs. AUA201700607 en AUA201700946, in de gedingen tussen: appellant en de minister van Financiën en Overheidsorganisaties (hierna: de minister). Procesverloop Bij landsbesluit van 10 november 2015, voor zover thans van belang, is het eerder bij landsbesluit van 25 juli 2012 vastgestelde ministerspensioen van appellant in voor appellant ongunstige zin gecorrigeerd. Bij beschikking van 23 maart 2017, voor zover thans van belang, heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellant op 2 mei 2017 beroep ingesteld bij het Gerecht. Bij brief van 16 mei 2017 heeft de minister de beschikking van 23 maart 2017 nader toegelicht. Daartegen heeft appellant op 30 mei 2017 beroep ingesteld bij het Gerecht. Bij uitspraak van 6 november 2017 heeft het Gerecht de beroepen gegrond verklaard, de beschikking van 23 maart 2017 (zoals nader toegelicht bij de brief van 16 mei 2017) vernietigd en bepaald dat de minister binnen drie maanden een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant moet nemen met inachtneming van de uitspraak. In de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht, voor zover thans van belang, overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vaststelling van het pensioen in het landsbesluit van 25 juli 2012 onjuist was. Daartegen heeft appellant hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2018, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.J. Swaen, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Lumenier en V.M. Emerecia, beiden werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Justitiële Zaken (hierna: DWJZ), zijn verschenen. Bij brief van 24 januari 2019 heeft het Hof partijen bericht dat het onderzoek wordt heropend. Daarbij zijn aan de minister twee vragen voorgelegd. Bij brief van 21 februari 2019 heeft de minister de vragen beantwoord. Daarop heeft appellant bij brief van 11 maart 2019 gereageerd. Het Hof heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 5 april 2019, waar appellant, bijgestaan door mr. A.J. Swaen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C. Geerman, werkzaam bij DWJZ en vergezeld door A. Maduro, werkzaam bij het Departamento Recurso Humano, zijn verschenen. Overwegingen De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Appellant is van 30 oktober 2001 tot 29 oktober 2009 minister geweest. Op 30 oktober 2009 is hem eervol ontslag verleend. Bij het landsbesluit van 25 juli 2012 is aan hem, met toepassing van de artikelen 6 en 7 van de Landsverordening rechtspositionele bepalingen ministers en gewezen ministers (hierna: de Lrbm), met ingang van 31 december 2010 een pensioen toegekend. Bij het landsbesluit van 10 november 2015 is het landsbesluit van 25 juli 2012 ingetrokken, omdat volgens de minister bij controle is gebleken dat bij de berekening van het pensioen abusievelijk een toelage van 25% is meegerekend. Appellant vecht de aangevallen uitspraak aan voor zover daarbij is geoordeeld dat bij de beschikking van 23 maart 2017 (zoals nader toegelicht bij de brief van 16 mei 2017) de hoogte van het pensioen zoals gecorrigeerd bij het landsbesluit van 10 november 2015, terecht is gehandhaafd. Appellant betoogt dat zijn pensioen niet op juiste wijze is berekend, omdat daarbij is uitgegaan van een onjuiste pensioengrondslag. Daartoe voert hij aan dat op grond van het Landsbesluit bijzondere ambtelijke pensioengrondslag (hierna: het Lbap; AB 2003, no. 84, gewijzigd bij AB 2008, no. 40) vanaf 1 februari 2008 de pensioengrondslag voor ambtenaren die worden bezoldigd volgens schaal 16 Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (hierna: de BrA), is verhoogd met 25% (hierna: de verhoogde pensioengrondslag). Volgens appellant moet op grond van artikel 7, tweede lid, van de Lrbm het pensioen van de (gewezen) minister Afl. 1.000,- meer bedragen dan het hoogste jaarlijkse pensioen van deze ambtenaren. Dit brengt met zich dat de verhoogde pensioengrondslag ook moet worden gehanteerd bij de berekening van het pensioen van (gewezen) ministers. Dit blijkt volgens appellant ook uit de considerans van het Lbap, waarin staat dat de bezoldiging van de hoogst bezoldigde ambtenaar (schaal 16), vermeerderd met 25%, als basis moet dienen voor de bepaling van de hoogte van de bezoldigingen van politieke ambtsdragers. De regering heeft met dit uitgangspunt ingestemd. Dat dit zo is, blijkt ook uit een brief van de directeur van DWJZ van 22 oktober 2009 (kenmerk: DWJZ/G1780) aan de Directie Personeel en Organisatie (hierna: de brief van 22 oktober 2009), aldus appellant. Het Gerecht heeft overwogen dat, gelet op de bewoordingen van artikel 7, tweede lid, van de Lrbm, deze bepaling er niet toe strekt dat aan een gewezen minister onder alle omstandigheden Afl. 1.000,- meer aan pensioen moet worden toegekend dan het hoogste jaarlijkse pensioen dat door een ambtenaar kan worden genoten. Deze bepaling strekt er slechts toe het met inachtneming van artikel 7, eerste lid, van de Lbrm berekende pensioen te maximeren. 5.
- Het Hof heeft in zijn uitspraak van 20 november 2015 (ECLI:NL:OGHACMB:2015:20) overwogen dat in de BrA van de definitie van ambtenaar is uitgesloten de ambtenaar waarvan de bezoldiging en de pensioengrondslag in een andere regeling zijn geregeld. Dit betekent dat personen die niet onder deze definitie worden begrepen, niet rechtstreeks een aanspraak aan het Lbap kunnen ontlenen. Voor zover appellant heeft willen betogen dat hij aan het Lbap rechtstreeks een aanspraak op de verhoogde pensioengrondslag ontleent, stuit dit betoog daarom (reeds) af op het feit dat de pensioengrondslag van (gewezen) ministers is (was) geregeld in de Lrbm. 5.
- Het betoog van appellant met betrekking tot artikel 7, tweede lid, van het Lbap slaagt evenmin. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat artikel 7, tweede lid, van de Lbap geen andere strekking heeft dan maximering van het met toepassing van artikel 7, eerste lid, van het Lbap berekende pensioen. Met name kan, anders dan appellant heeft betoogd, in deze bepaling niet worden gelezen dat het pensioen van (gewezen) ministers is gekoppeld aan het pensioen van de hoogst bezoldigde ambtenaar en daarom de verhoogde pensioengrondslag als maatstaf moet dienen voor de berekening van zijn pensioen. Dat het in artikel 7, eerste lid, van het Lbap neergelegde (basis)bedrag is afgeleid van de bezoldiging van de hoogst bezoldigde ambtenaar, dwingt (ook) niet tot die conclusie. 5.
- Het Hof heeft in de uitspraak van 20 november 2015 verder overwogen dat het Lbap is gegeven in afwijking van het voor de pensioengrondslag bepaalde in de BrA. In het Lbap is niet bepaald dat het daarin geregelde eveneens heeft te gelden voor de berekeningen van de pensioengrondslag (lees: de vaststelling van de pensioengrondslag en de berekening van het pensioen) van anderen dan degenen die ingevolge de BrA ambtenaar zijn. Het Hof voegt daaraan thans toe dat uit de nota van toelichting bij het Lbap kan worden afgeleid dat het ook inderdaad niet de bedoeling is geweest deze verhoging van de pensioengrondslag voor een specifieke groep van ambtenaren, te laten doorwerken in andere regelingen. Het beroep van appellant op de considerans van het Lbap slaagt (reeds) om die reden niet. Daar komt het volgende nog bij. Omdat, aldus de considerans, nog geen wettelijke regeling tot stand is gebracht ter uitvoering van het standpunt van de Staten ten aanzien van de hoogte van de bezoldiging van ambtenaren in schaal 16 en dit met zich brengt dat het pensioen van die ambtenaren nog niet kan worden gebaseerd op de met 25% verhoogde bezoldiging, achtte de regering het wenselijk om voor (gewezen) ambtenaren die na die standpuntbepaling met pensioen zijn gegaan, in afwijking van de BrA bijzondere regels te stellen om, in overeenstemming met de bij betreffende ambtenaren gewekte verwachtingen, hen in het genot te kunnen stellen van een pensioen dat is gebaseerd op een met 25% verhoogde pensioengrondslag. Uit de considerans blijkt echter niet dat het Lbap ertoe strekt om in afwijking van de Lrbm het pensioen van (gewezen) ministers op de verhoogde pensioengrondslag te baseren. Evenmin is in de considerans implementatie van de verhoogde pensioengrondslag in de Lrbm in het vooruitzicht gesteld. Dat in de brief van 22 oktober 2009 - foutief - naar het Lbap wordt verwezen, leidt niet tot een ander oordeel. In de brief van 16 mei 2017 is vermeld dat de vaste gedragslijn ten aanzien van politieke ambtsdragers is dat zij geen aanspraak hebben op de verhoogde pensioengrondslag. Dat in het voorliggende individuele geval (en in het geval dat aan de orde was in de uitspraak van 20 november 2015) aanvankelijk abusievelijk wel de verhoogde pensioengrondslag is gehanteerd, is geen reden om de thans bestreden besluitvorming waarbij aldus van de juiste grondslag is uitgegaan als rechtens onjuist te kwalificeren.
- Het Hof stelt voor de goede orde nog vast dat uit de bij het landsbesluit van 10 november 2015 gevoegde berekeningsstaat blijkt dat bij de berekening een vaste toeslag van Afl. 1.000,- is toegekend. De minister heeft in zijn brief van 21 februari 2019 bevestigd dat bij de toepassing van artikel 7, tweede lid, van de Lrbm vast beleid is dat bij de berekening van het pensioen van (gewezen) ministers een vaste toeslag van Afl.1.000,- wordt toegekend. Appellant is hiermee dus niet tekort gedaan.
- De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep biedt de Landsverordening administratieve rechtspraak geen mogelijkheid.
- Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 6 november 2017 in zaken nrs. AUA201700607 en AUA201700946, voor zover aangevochten. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier. w.g. Saleh voorzitter w.g. Beerse griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2019 BIJLAGE Landsverordening rechtspositionele bepalingen ministers en gewezen ministers Artikel 6
- Aan de aftredende minister wordt met ingang van de datum van ontslag als zodanig, indien hij op die datum de 45jarige leeftijd heeft bereikt, een pensioen toegekend ten laste van 's Lands kas.
- Wanneer de minister op de datum van ontslag als zodanig de 45jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt het pensioen eerst toegekend met ingang van de dag van het bereiken daarvan. Artikel 7
- Het pensioen van een gewezen minister bedraagt Afl. 2.650,- 's jaars voor elk jaar gedurende hetwelk hij minister was, en wordt berekend over het gehele tijdvak dat de minister in functie was.
- Bij de berekening van het pensioen wordt een gedeelte van een maand voor een volle maand meegeteld. Het pensioen wordt naar boven afgerond tot het naaste bedrag in volle florins, dat een veelvoud is van drie, en bedraagt maximaal Afl. 1.000,- meer dan het hoogste jaarlijkse pensioen, dat door een landsdienaar op de voet van de Pensioenverordening landsdienaren (AB 1991 no. GT 25) kan worden genoten.
- Op het pensioen wordt een duurtetoeslag toegekend, volgens bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen bepalingen. Bezoldigingsregeling Aruba 1986 Artikel 1 In dit landsbesluit wordt verstaan onder "ambtenaren" de ambtenaren in dienst van het land Aruba, voor zover hun bezoldiging en pensioengrondslag niet bij afzonderlijke wettelijke regeling zijn geregeld. Artikel 2
- In de bij dit landsbesluit behorende bijlage A zijn de bezoldigingsschalen en de pensioengrondslagen van de gehuwde en de ongehuwde ambtenaren vermeld, alsmede de daarbij behorende betrekkingen die door de ambtenaren kunnen worden bekleed.
- De jaarlijkse en maandelijkse bezoldigingen, alsmede de pensioengrondslagen van de ambtenaren worden naar de betrekking die zij bekleden, vastgesteld aan de hand van de in de bijlage A vermelde bezoldigingsschalen, tenzij het bepaalde in de in artikel 5 bedoelde bijlage C van toepassing is. Volgens Bijlage A bedraagt de bezoldiging in hoofdschaal 16 80.340 per jaar (6.695 per maand) en is de pensioengrondslag 80.
- Landsbesluit bijzondere ambtelijke pensioengrondslag Artikel 1 In afwijking van de bij artikel 2 van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (AB 1996 no. GT 10) behorende bijlage A wordt de pensioengrondslag van de ambtenaren, die worden bezoldigd volgens hoofdschaal 16 en die met pensioen zullen gaan in de periode vanaf 1 februari 2008, met ingang van 1 februari 2006 verhoogd met 25%.