GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Beschikking in de zaak van: [APPELLANT], hierna te noemen: [appellant], wonende in Aruba, oorspronkelijk verweerder, thans appellant, gemachtigden: mrs. G. de Hoogd en D.L. Emerencia, tegen de naamloze vennootschap POST ARUBA N.V., hierna te noemen: Post, gevestigd in Aruba, oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. D.G. Kock. 1Verloop van de procedure 1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met nummer EJ AUA201802240 gegeven en op 4 september 2018 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd. 1.2. [ [appellant] heeft in een beroepschrift, met producties, ingekomen per fax op 16 oktober 2018, dus tijdig, hoger beroep ingesteld van voornoemde beschikking. Hierin heeft hij het beroep toegelicht en verzocht dat het Hof de bestreden beschikking waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Post en [appellant] alsnog zal afwijzen, althans de zaak zal terugverwijzen naar de eerste rechter, met veroordeling van Post in de kosten van beide procedures. 1.3. Post heeft op 21 maart 2019 een productie ingediend. 1.4. Op 25 maart 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Post is de heer Raymond verschenen. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van de ingediende pleitnotities. 1.5. Beschikking is bepaald op heden. 2De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift. 3Beoordeling 3.1. [ [appellant] was werknemer van Post. Op 18 oktober 2016 heeft een incident plaatsgevonden tijdens een personeelsfeest, waarna [appellant] op non-actief is gesteld met behoud van loon. Bij beschikking van 7 maart 2017 heeft het GEA geoordeeld dat dit incident op zich onvoldoende was om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het GEA is er daarbij van uit gegaan dat [appellant] verder een vlekkeloos arbeidsverleden had. Op 30 maart 2017 heeft Post een tweede verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, waarin, anders dan in het eerste verzoek, naast het incident in 2016 ook het verdere arbeidsverleden van [appellant] naar voren is gebracht. Vast staat dat zich in het verleden meerdere incidenten hebben voorgedaan, waaronder vele malen te laat komen en ongeoorloofd verzuim, een aangifte door een collega wegens bedreiging en een weigering om een opdracht uit te voeren. Bij beschikking van 30 mei 2017 heeft het GEA dit verzoek afgewezen op de grond dat deze wijze van procederen in strijd is met de goede procesorde. Post had het arbeidsverleden in de eerste procedure aan de orde moeten stellen. Nu zij dat niet heeft gedaan en zich geen nieuwe feiten hebben voorgedaan, is het tweede verzoek in wezen een verkapt hoger beroep, aldus het GEA, en dus niet toelaatbaar. 3.2. Het inleidende verzoekschrift in de onderhavig zaak is ingediend op 24 juli 2018. Aan dit derde ontbindingsverzoek zijn wederom het incident in 2016 en het verdere arbeidsverleden van [appellant] ten grondslag gelegd. Daarnaast is naar voren gebracht dat [appellant] sinds het vonnis van 7 maart 2017 doorbetaald thuis zit en dat hij gearresteerd zou zijn wegens betrokkenheid bij een wietplantage. In de bestreden beschikking heeft het GEA geoordeeld dat de beschikking van 7 maart 2017 geen bindende kracht heeft tussen partijen in die zin dat het arbeidsverleden bij de beoordeling van het derde ontbindingsverzoek kan worden betrokken. De arbeidsovereenkomsten is wegens dringende redenen ontbonden met ingang van 1 oktober 2018, zonder toekenning van een vergoeding. Geoordeeld is dat de arbeidsrelatie verstoord is en dat een vruchtbare samenwerking niet langer mogelijk is. Het GEA heeft dit afgeleid uit de stellingen van partijen, het feit dat [appellant] inmiddels bijna twee jaar geen werkzaamheden had verricht met behoud van loon en uit zijn kennelijke berusting in de ontstane situatie. 3.3. Artikel 7A:1615w lid 8 BW luidt: ‘Tegen een beschikking krachtens dit artikel is generlei voorziening toegelaten’. Volgens vaste jurisprudentie wordt op deze regel in een drietal gevallen een uitzondering gemaakt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.