← Nederland

ECLI:NL:OGHACMB:2019:95

Burgerlijke zaken over 2019 Registratienummers: EUX201800063 - EUX2018H00007 Uitspraak: 17 mei 2019 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S I N K O R T G E D I N G in de zaak van:

  1. [APPELLANT SUB 1],
  2. [APPELLANT SUB 2]
  3. [APPELLANT SUB 3]
  4. [APPELLANT SUB 4]
  5. [APPELLANT SUB 5]
  6. de vereniging PROGRESSIVE LABOR PARTY OF SINT EUSTATIUS, wonend dan wel gevestigd in Sint Eustatius, oorspronkelijk eisers, thans appellanten, procederend in persoon, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), met zetel in Den Haag (Nederland), oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimideerde, gemachtigden: mr. C.R. Rutte en mr. J.W.H. van Wijk. De partijen worden hierna [appellanten] c.s. en de Staat genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Sint Eustatius (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis in kort geding van 11 december
  7. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd. 1.2 Bij akte van appel van 19 december 2018 zijn [appellanten] c.s. van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij op 22 januari 2019 ingekomen memorie van grieven hebben zij grieven tegen het vonnis aangevoerd. Deze strekken ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en zo begrijpt het Hof - de vorderingen van [appellanten] c.s. alsnog zal toewijzen. 1.3 Op 14 en 19 maart 2019 heeft de Staat het Hof verzocht te beslissen over het al dan niet vervallen van het hoger beroep. 1.4 Op 21 maart 2019 heeft het Hof [appellanten] c.s. in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of het hoger beroep is vervallen. 1.5 Op 29 maart 2019 heeft de Staat een memorie van antwoord ingediend. 1.6 Op 4 april en 11 april 2019 hebben [appellanten] c.s. gereageerd op de brief van het Hof van 21 maart
  8. 1.7 Vonnis is bepaald op vandaag. 1.8 Bij e-mail van 3 mei 2019 heeft de Staat nog een inhoudelijke reactie met producties naar het Hof gemaild. Nu de Staat was meegedeeld dat de zaak voor vonnis stond en hij niet tot het indienen van een nader stuk in de gelegenheid is gesteld, zal het Hof op die reactie geen acht slaan. 2De beoordeling 2.1 Bij e-mail van 10 april 2019 heeft de griffier aan partijen meegedeeld dat nu geen reactie was ontvangen op de brief van 21 maart 2019, het hoger beroep was vervallen. Op 11 april 2019 hebben [appellanten] c.s. een het Hof gemaild dat zij op 4 april 2019, dus binnen de door het Hof gestelde termijn, aan het Gerecht te Sint Maarten een reactie hadden gestuurd. De eerdere e-mail aan de griffie van het Gerecht te Sint Maarten is daarbij overgelegd. De mail van de griffier van 10 april 2019 is daarmee achterhaald. Het Hof zal de zaak met inachtneming van de reactie van [appellanten] c.s. beoordelen. 2.2 Het gaat in dit vonnis om de vraag of het griffierecht tijdig is betaald. Het betreft een kort geding, zodat de termijn voor het indienen van een memorie van grieven en het betalen van het griffierecht drie weken beloopt na het instellen van hoger beroep (zie art. 270 lid 5, art. 271 en art. 235 Rv). Indien het griffierecht niet binnen deze termijn wordt betaald, dan vervalt het hoger beroep, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. 2.3 Nu het hoger beroep is ingesteld op 19 december 2018, diende het verschuldigde griffierecht dus te zijn voldaan op 9 januari
  9. Vast staat dat het griffierecht is bijgeschreven op de bankrekening van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten op 30 januari 2019, dus te laat. 2.4 [ Appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat deze termijnoverschrijding hun niet kan worden aangerekend. Zij hebben aangevoerd dat de griffier op grond van artikel 270 lid 5 Rv het bedrag van het in hoger beroep verschuldigde griffierecht moet taxeren, dat deze dat pas op 22 januari 2019 heeft gedaan en dat [appellanten] c.s. het verschuldigde bedrag vervolgens direct hebben betaald. 2.5 Navraag bij het Gerecht in Sint Maarten heeft geleerd dat de appelakte van 19 december 2019 aldaar fysiek is afgegeven. Dit strookt met het gegeven dat op de akte een originele zegel is geplakt. Uit het feit dat op de appelakte ook het e-mailadres van de front office van het Hof in Curaçao is vermeld, kan dus niet worden afgeleid dat de appelakte (alleen) per e-mail is ingediend. 2.6 Op de appelakte is door een griffiemedewerker van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten een stempel geplaatst die vermeldt dat op de dag van indiening door de griffier aan de indiener van het appel mededeling is gedaan van het te betalen griffierecht van NAf 900,-. De stempel biedt ruimte voor akkoordverklaring door de indiener van de appelakte, maar daarop is niets ingevuld. Het is vaste werkwijze dat dit wel gebeurt en dat een kopie van de akte aan de indiener wordt afgegeven, zodat de indiener een bewijs van indiening heeft en daarnaast aantoonbaar is dat aan de indiener de hoogte van het verschuldigde griffierecht is meegedeeld. Kennelijk en om niet opgehelderde redenen is daarvan door de griffie in Sint Maarten in dit geval afgezien. 2.7 Op 22 januari 2019, derhalve buiten de termijn van art. 271 Rv, hebben [appellanten] c.s. hun memorie van grieven ingediend. Op 23 januari 2019 heeft een medewerker van het Gerecht te Sint Maarten naar aanleiding van het indienen van de grieven per e-mail aan [appellanten] bericht dat griffierecht van USD 500,- verschuldigd is ‘to be paid at your earliest convenience’. Op 28 januari 2019 hebben Van [appellant sub 1] c.s. om de bankgegevens gevraagd, die op dezelfde dag zijn verstrekt. Kort daarna hebben zij opdracht gegeven voor de betaling, die dus op 30 januari 2019 op de bankrekening van het Gerecht te Sint Maarten is ontvangen. 2.8 Het Hof is van oordeel dat de te late betaling van het griffierecht in dit geval verschoonbaar is. Uit artikel 270 lid 5 Rv vloeit voort dat het aan de griffier is om de hoogte van het griffierecht te taxeren en daarvan mededeling te doen aan de indiener en dat het vervolgens aan de indiener is om dat bedrag binnen de termijn te betalen. Uit de appelakte blijkt dat de griffier in dit geval het griffierecht heeft getaxeerd op NAf 900,- maar dat dit direct bij de indiening aan de indiener van de appelakte is meegedeeld kan niet worden vastgesteld. Evenmin gebleken is dat door de griffier aan Van [appellant sub 1] c.s. op of kort na de indiening van de appelakte mededeling is gedaan van het getaxeerde bedrag. Op [appellanten] c.s., die zonder advocaat procederen, rustte niet de plicht om op straffe van het vervallen van het hoger beroep onderzoek te doen naar de hoogte van het verschuldigde griffierecht. Die verplichting volgt niet uit de wet en, hoewel ook van zelf procederende partijen de nodige alertheid en kennis van zaken mag worden verwacht, zou het aannemen van een onderzoeksplicht met als mogelijke consequentie verval van het hoger beroep, de toegang tot de rechter op onaanvaardbare wijze belemmeren. Pas nadat [appellanten] c.s. hun memorie van grieven hadden ingediend, zijn zij er door de griffier op gewezen dat en tot welk bedrag zij griffierecht verschuldigd waren. Vervolgens hebben [appellanten] c.s. voldoende voortvarend gehandeld door het griffierecht binnen een week te betalen. 2.9 Dit betekent dat het hoger beroep niet is vervallen en dat zal worden doorgeprocedeerd. De zaak zal worden verwezen naar de zitting van 23 augustus voor schriftelijk pleidooi. 2.10 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3De beslissing Het Hof: - verstaat dat het hoger beroep niet is vervallen; - verwijst de zaak naar de rol van 23 augustus 2019 voor schriftelijk pleidooi. Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, H.J. Fehmers en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 17 mei 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.