Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.: Registratienummers: AUA201600886 (AR2016/186) – AUA2018H00214 Uitspraak: 21 april 2020 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [APPELLANTE], wonende te Aruba, oorspronkelijk eiseres, thans appellante, gemachtigde: mr. G.L. Griffith, tegen [GEINTIMEERDE], wonende te Aruba, oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. M.G.A. Baiz. De partijen worden hierna [Appellante] en [Geïntimeerde] genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Bij akte van appèl van 23 november 2018 is [Appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 17 oktober 2018 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA). 1.2 Bij op 18 december 2018 ingekomen memorie van grieven met producties, heeft [Appellante] één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [Geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. 1.3 Bij memorie van antwoord heeft [Geïntimeerde] de grief bestreden en geconcludeerd dat het Hof het betreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [Appellante] in de kosten. 1.4 [ Appellante] heeft op de daarvoor bepaalde dag pleitnotities overgelegd. Aan [Geïntimeerde] is akte van niet dienen verleend. 1.5 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden. 2De beoordeling 2.1 [ Appellante] heeft een bewijs van onvermogen in het geding gebracht zodat zij ook in hoger beroep zal worden toegelaten om kosteloos te procederen. 2.2 Tegen de vaststelling van de vaststaande feiten door het GEA zijn geen grieven gericht. In hoger beroep kan worden uitgegaan van het volgende. 2.3 Bij beschikking van het GEA van 10 april 2012 is de vordering van [Appellante] strekkende tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens het aan haar door de naamloze vennootschap Jabs N.V. gegeven ontslag op staande voet afgewezen. 2.4 Bij beschikking van 13 januari 2014 (EJ 12/2011 Ghis 57510 – H254/12) heeft het Hof de beschikking van het GEA vernietigd en is geoordeeld dat het ontslag op staande voet dat door haar werkgever, de naamloze vennootschap Jabs N.V., aan [Appellante] op 19 augustus 2010 is gegeven geen stand houdt. Jabs N.V. is veroordeeld om aan [Appellante] te betalen wegens wettelijke schadeloosstelling en cessantia in totaal Afl. 14.628,70, de wettelijke rente daarover alsmede de proceskosten van de eerste instantie en het hoger beroep van in totaal Afl. 7.900,00. 2.5 Omdat Jabs N.V. de door het Hof toegewezen bedragen niet betaalde heeft [Appellante] [Geïntimeerde], de enige statutaire bestuurder van Jabs N.V., op grond van onrechtmatige daad, in rechte betrokken. [Appellante] beoogt dat [Geïntimeerde] in persoon zal worden veroordeeld tot betaling van de aan haar in de procedure tegen Jabs N.V. toegewezen bedragen. In het bestreden vonnis is haar vordering afgewezen en is zij in de proceskosten veroordeeld. 2.6 [ Geïntimeerde] is sinds 13 november 1998 statutair bestuurder en groot-aandeelhouder van Jabs N.V., h.o.d.n. Dazzlers. Deze vennootschap is op 23 februari 2011 doorgehaald in de registers van de Kamer van Koophandel wegens staking van haar activiteiten. De vennootschap is niet vereffend zodat zij nog altijd bestaat. Zowel in de procedure in eerste instantie als in de procedure in hoger beroep heeft Jabs N.V., met gebruikmaking van een gemachtigde, verweer gevoerd. Op 14 januari 2014 heeft de gemachtigde van [Appellante] de gemachtigde van Jabs N.V. aangeschreven met het verzoek te voldoen aan het Hofbeschikking van 13 januari 2014. Toen kreeg zij voor het eerst te horen dat Jabs N.V. reeds sinds februari 2011 niet meer actief zou zijn en geen vermogen meer zou hebben. [Appellante] heeft tevergeefs executoriale beslagen ten laste van Jabs N.V. gelegd op grond van de Hofbeschikking. 2.7 Door [Appellante] wordt aan [Geïntimeerde] het verwijt gemaakt dat hij heeft bewerkstelligd dat Jabs N.V. niet aan haar betalingsverplichtingen, zoals vermeld in de beschikking van het Hof van 13 januari 2014, heeft kunnen voldoen. Dat komt neer op betalingsonwil en is onrechtmatig jegens haar omdat zij hierdoor is benadeeld. 2.8 Het GEA heeft overwogen dat de vordering van [Appellante] moet worden afgewezen omdat haar stelling, dat [Geïntimeerde] Jabs N.V. bewust leeghaalde voor het geval zij de rechtszaak tegen het ontslag op staande voet zou winnen, onaannemelijk wordt geacht en dat dit verwijt ook onvoldoende feitelijk onderbouwd is. 2.9 Met haar grief wil [Appellante] het geschil in volle omvang aan het Hof voorleggen. In de grief verwijt zij [Geïntimeerde] dat hij tijdens de procedure over het ontslag op staande voet de bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt om het verhaal van haar vordering te frustreren. Ook maakt [Appellante] [Geïntimeerde] het verwijt dat hij wel stelt maar in het geheel niet onderbouwt dat er een bedrijfseconomische noodzaak was om de onderneming van Jabs N.V. te staken. Tot slot stelt [Appellante] dat een andere juwelierszaak, die ook (indirect) aan [Geïntimeerde] toebehoort, te weten Diamante Jewels & Time, de exploitatie van de winkel van Jabs N.V. heeft voortgezet. 2.10 [ Geïntimeerde] ontkent deze verwijten. Hij stelt dat Jabs N.V. verlies leed en daarom haar winkel heeft gesloten. Dat heeft niets te maken met de rechtszaak tegen [Appellante]. Er is geen rechtsregel die belet dat een niet actieve vennootschap verweer in een procedure mag voeren. Het verwijt dat hij vermogensbestanddelen aan Jabs N.V. heeft onttrokken is onjuist. 2.11 Het Hof stelt het volgende voorop. In de jurisprudentie zijn voor externe bestuurdersaanprakelijkheid de volgende normen ontwikkeld. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627). In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.