GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA VONNIS in de zaak van de naamloze vennootschap CORE LABORATORIES SALES N.V., gevestigd in Curaçao, oorspronkelijk eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het bevoegdheidsincident, tevens verweerster tegen het verzoek om tussentijds appel in de zaak met nummer HAR 60/17 en verzoekster om tussentijds appel in de zaak met nummer HAR 61/17 en nu appellante in het principaal appel en geïntimeerde in het incidenteel appel, gemachtigden: mr. A.C. van Hoof en mr. L.S. Davelaar, tegen de rechtspersonen naar Venezolaans recht PETRÓLEOS DE VENEZUELA S.A., PDVSA PETROLEO S.A., gevestigd in Venezuela, oorspronkelijk gedaagden in de hoofdzaak, verzoeksters in het bevoegdheidsincident, tevens verzoeksters om tussentijds appel in de zaak met nummer HAR 60/17 en verweersters tegen het verzoek om tussentijds appel in de zaak met nummer HAR 61/17 en nu geïntimeerden in het principaal appel en appellanten in het incidenteel appel, gemachtigden: mrs. W. Princée en T.L. Claassens. Partijen worden hierna ook PDVSA (of afzonderlijk: PDVSA 1 en PDVSA 2) en – in navolging van partijen – Saybolt genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het Hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg en voor de genomen beslissingen naar het (tussen)vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 4 december 2017. 1.2 Op 15 december 2017 respectievelijk op 18 december 2017 hebben Saybolt respectievelijk PDVSA verzocht om toestemming om van het vonnis van het Gerecht in hoger beroep te gaan. 1.3. Bij beschikking van 11 januari 2018 heeft het Hof aan PDVSA deze toestemming verleend. In die beschikking heeft het Hof ook bepaald dat Saybolt geen toestemming nodig heeft en voorts dat het verzoek van Saybolt van 15 december 2017 wordt aangemerkt als de akte van appel. De beslissing over de proceskosten is aangehouden tot het eindvonnis in hoger beroep. 1.4. Op 15 januari 2018 heeft PDVSA hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. 1.5. Op 26 januari 2018 (per fax op 25 januari 2018) heeft Saybolt een memorie van grieven ingediend. Hierin concludeert zij tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden en tot het alsnog geheel afwijzen van de incidentele vordering tot onbevoegdheid. 1.6. Op 28 mei 2018 heeft PDVSA een memorie van antwoord ingediend, tevens houdende incidenteel appel. Hierin concludeert PDVSA tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog geheel onbevoegd verklaren van de Curaçaose rechter. 1.7. Op 14 augustus 2018 heeft Saybolt een memorie van antwoord in het incidenteel appel ingediend. Hierin concludeert Saybolt tot ongegrondverklaring van de grieven van PDVSA. 1.8. Op 5 februari 2019 heeft Saybolt een pleitnota ingediend. PDVSA heeft geen pleitnota ingediend. 1.9. Vonnis is nader bepaald op vandaag. 2De beoordeling 2.1. De hoger beroepen zijn tijdig ingesteld. Het Hof tekent aan dat PDVSA in het door haar ingestelde appel geen memorie van grieven heeft ingediend. Zij heeft er kennelijk voor gekozen te volstaan met een incidenteel appel in het door Saybolt ingestelde hoger beroep. 2.2. Het bestreden vonnis waartegen de appellen zich richten is gewezen in het door PDVSA aanhangig gemaakte bevoegdheidsincident. Volgens PDVSA komt de Curaçaose rechter geen (internationale) bevoegdheid toe. Dat incident is opgeworpen in een procedure waarin Saybolt onder meer vordert dat PDVSA wordt veroordeeld tot betaling van USD 203.139,95. Daarnaast heeft Saybolt een aantal verklaringen voor recht gevorderd. 2.3. In het bestreden vonnis heeft het Gerecht zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de hier bedoelde geldvordering. Het Gerecht heeft zich onbevoegd verklaard wat betreft de gevorderde verklaringen voor recht. Het Gerecht heeft de proceskosten in het incident gecompenseerd. De hoofdzaak is sindsdien nog niet voortgezet. 2.4. De achtergrond van deze procedure is de volgende. Saybolt stelt zich op het standpunt dat zij aanspraak heeft op betaling door PDVSA van een zeker bedrag in verband met door Saybolt aan PDVSA geleverde diensten. Ter verzekering van haar vordering heeft Saybolt op 18 september 2016 conservatoir beslag gelegd op de lading olie in de tanker Hero. Het Gerecht heeft bij vonnis in kort geding van 16 december 2016 PDVSA 2 veroordeeld tot betaling aan Saybolt van (afgerond) USD 250.000. Saybolt heeft vervolgens op 29 december 2016 executoriaal beslag gelegd. PDVSA 2 is van het kortgedingvonnis in appel gegaan. Saybolt heeft op 10 januari 2017 ook ten laste van PDVSA 1 conservatoir beslag gelegd op dezelfde lading olie. Partijen hebben nadien een regeling getroffen op grond waarvan de beslagen zijn opgeheven onder zekerheidsstelling door PDVSA. Daartoe heeft PDVSA een bedrag van (afgerond) USD 224.000 op een escrowrekening gestort (hierna: het bedrag). 2.5. Saybolt betoogt dat de Curaçaose rechter bevoegd is, omdat partijen een daartoe strekkende forumkeuze hebben gemaakt. Zij beroept zich op de tussen partijen tot stand gekomen escrow-overeenkomst. Daarin staat (blijkens het onbetwiste citaat in de conclusie van antwoord in het incident, sub 1.4) dat de escrow-agent het bedrag aan Saybolt zal uitbetalen “as follows from a final and unappealable judgment […] rendered by the Court of Curacao […] provided that such judgment confirms […] the legal validity of both Saybolt’s Claim against PDVSA […].” Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep (onder 8 en 9) heeft Saybolt nog een aantal andere bepalingen uit de escrow-overeenkomst aangehaald, die volgens haar steun bieden aan de gestelde forumkeuze voor de Curaçaose rechter. PDVSA stelt daartegenover (memorie van antwoord sub 36 en 37) dat zij zich in de escrow-overeenkomst uitdrukkelijk het recht heeft voorbehouden om een beroep te doen op de onbevoegdheid van de Curaçaose rechter. Zij beroept zich in dit verband op de bepaling uit de escrow-overeenkomst die inhoudt dat de escrow-agent het bedrag aan PDVSA zal betalen op basis van een voor PDVSA gunstige onherroepelijke uitspraak van de rechter te Curaçao, bijvoorbeeld in het geval dat daaruit blijkt “that the relevant Court lacks jurisdiction”. Ook staat in de overeenkomst dat partijen zich alle rechten en weren voorbehouden. 2.6. Partijen verschillen dus van mening over de uitleg van de escrow-overeenkomst. Op Saybolt rust in dit verband de stelplicht. Zij heeft onvoldoende concrete feiten gesteld om te kunnen oordelen dat partijen hebben bedoeld een forumkeuze voor de rechter in Curaçao te maken, in die zin dat het PDVSA niet meer vrij zou staan de bevoegdheid van de Curaçaose rechter te betwisten. De door PDVSA aangehaalde bepalingen wijzen op het tegendeel. In dit verband tekent het Hof aan dat de escrow-overeenkomst niet is overgelegd, hetgeen een oordeel over de bedoeling van partijen vanzelfsprekend niet bevordert. Dit komt voor risico van Saybolt. Een voldoende specifiek getuigenbewijsaanbod heeft Saybolt niet gedaan. De bevoegdheid van de Curaçaose rechter kan dus niet worden gebaseerd op een forumkeuze. 2.7. Subsidiair beroept Saybolt zich op artikel 767 Rv. In dat verband stelt het Hof het volgende voorop (zie HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019/260). 2.8. Artikel 765 Rv staat toe dat ten laste van een schuldenaar die geen bekende woonplaats in Curaçao heeft, conservatoir beslag wordt gelegd op hier te lande gelegen goederen van die schuldenaar. In aansluiting op dit zogeheten vreemdelingenbeslag bepaalt artikel 767 Rv, voor zover hier van belang, dat bij gebreke van een andere weg om een executoriale titel in Curaçao te verkrijgen, de eis in de hoofdzaak kan worden ingesteld voor de rechter die het verlof tot het gelegde of het tegen zekerstelling voorkomen of opgeheven beslag heeft verleend. Aan de rechter van dit zogeheten beslagforum (forum arresti) komt op grond van artikel 767 Rv internationale rechtsmacht toe. Artikel 767 Rv heeft tot doel rechtsmacht te scheppen voor de Curaçaose rechter in zaken waarin anders geen bevoegde rechter in Curaçao zou zijn aangewezen, terwijl in Curaçao voor de schuld van PDVSA wel verhaalsmogelijkheden bestaan (HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3741, NJ 2014/142). Artikel 767 Rv biedt uitsluitend een grondslag voor internationale rechtsmacht indien “een andere weg om een executoriale titel hier te lande te verkrijgen” ontbreekt. Deze zinsnede moet aldus worden verstaan dat de rechtsmacht van de Curaçaose rechter niet kan worden gebaseerd op artikel 767 Rv indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.